Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 100426 Geen verhoging van schadeposten in hoger beroep, ook niet in de vorm van een verhoging schadevergoedingsmaatregel

GHDHA 100426 zware mishandeling; uitvoerige bespreking vorderingen b.p. t.z.v. o.m. schok- en affectieschade; broer n.o. t.z.v. affectieschade
geen matiging bij samenloop shock- en affectieschade
- Geen verhoging van schadeposten in hoger beroep, ook niet in de vorm van een verhoging schadevergoedingsmaatregel
- smartengeld bij blijvend, ernstig hersenletsel, halfzijdige verlamming, blindheid aan één oog € 350.000; wettelijke rente vanaf datum mishandeling
- hof verklaart vorderingen t.z.v. toekomstige materiële schade; o.m. HH en medische hulpmiddelen, tot een totaal van € 522.206,54 n.o. 

Benadeelde partijen

Algemene overwegingen

[benadeelde partij 1] (de vader van het slachtoffer), [benadeelde partij 2] (de moeder van het slachtoffer), [benadeelde partij 3] (de broer van het slachtoffer) en het slachtoffer zelf, [slachtoffer] , hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd. Alle benadeelde partijen vorderen een vergoeding voor door hen geleden immateriële schade; het slachtoffer en zijn broer vorderen bovendien vergoeding van door hen geleden materiële schade.

De gevorderde immateriële schadevergoeding van de vader, de moeder en de broer van het slachtoffer bestaat telkens uit vergoeding wegens schokschade en vergoeding wegens affectieschade.

Schokschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie daarvoor ECLI:NL:HR:2022:958)

Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond.

Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.

- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.

- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Affectieschade

Naast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 42.500,00. Deze in eerste aanleg geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde vordering bestaat uit € 25.000,00 aan schokschade en € 17.500,00 aan affectieschade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.

Schokschade

Zowel uit hetgeen door en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, volgt dat het aantreffen van zijn zoon in comateuze toestand bij de vader van het slachtoffer een zeer hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht.

Gelet op de hiervoor genoemde criteria voor toekenning van een immateriële schadevergoeding en de hiervoor genoemde gezichtspunten en de toepassing daarvan op het onderhavige geval is zonneklaar dat de omstandigheden waaronder de onrechtmatige daad en de confrontatie met de gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden maken dat de verdachte door het bewezen verklaarde handelen ook jegens de vader van het slachtoffer, die zijn zoon in de woning op bed onder het bloed en in comateuze toestand aantrof en samen met een buurman eerst hulp heeft verleend totdat medisch personeel was gearriveerd (nadat de verdachte de zoon van de benadeelde partij zwaar had mishandeld), onrechtmatig heeft gehandeld.

De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd met onder meer een brief van de psycholoog waarin wordt aangegeven dat sprake is van een PTTS. De benadeelde partij is klachten gaan ontwikkelen, zoals onvrijwillige, terugkerende beelden en herinneringen van het zien van zijn zoon, flashbacks, nachtmerries, somberheid, slaapproblemen, energieverlies, toegenomen prikkelbaarheid en spierspanning, alertheid en toegenomen bezorgdheid. De benadeelde partij durfde niet meer het huis van zijn zoon te betreden sinds dat hij daar zijn zoon heeft gevonden.

Het hof stelt vast dat op grond van het voorgaande in voldoende mate is komen vast te staan dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat hij zijn zoon in comateuze toestand heeft aangetroffen. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de zin van schokschade.

Affectieschade

Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en voor nabestaanden van overleden slachtoffers. Het ernstig letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Het hof benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten, waaronder in beginsel begrepen de ouders van het slachtoffer.

Het hof is van oordeel dat gelet op het ter zake van schokschade gevorderde bedrag in samenhang bezien met de wijze waarop de benadeelde partij zijn zoon heeft aangetroffen en de gevolgen die die confrontatie voor de benadeelde partij heeft gehad, hoewel sprake is van samenloop van schok- en affectieschade, die samenloop in casu niet dient te leiden tot matiging van het gevorderde.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 42.500,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals hiervoor benoemd, en in het bijzonder ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 32.500,00. Deze in eerste aanleg deels toegewezen en in hoger beroep voor het geheel gehandhaafde vordering bestaat uit € 15.000,00 aan schokschade en € 17.500,00 aan affectieschade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de schokschade is door de verdediging betwist.

Schokschade

Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat ook bij de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, sprake is van een hevige emotionele schok die is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het onder 1 bewezenverklaarde. Uit die emotionele schok is vervolgens geestelijk letsel voortgevloeid. De benadeelde partij is direct nadat zij van haar man hoorde dat het slachtoffer naar het ziekenhuis moest naar het ziekenhuis gegaan. Zij heeft haar zoon aldaar, in comateuze toestand en met verwondingen, gezien op de spoedeisende hulp.

Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat sprake is geweest van een directe confrontatie met (de gevolgen van) het feit. Deze omstandigheden hebben een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeggebracht, zoals blijkt uit de toelichting op de vordering.

Namens de benadeelde partij is een verklaring van het Daan Theeuwes Centrum in het geding gebracht ter onderbouwing van de gestelde geestelijke schade.

Volgens dat stuk, ondertekend door J. Grit, een gezondheidszorgpsycholoog, is bij mevrouw [benadeelde partij 2] PTSS vastgesteld. Daarin wordt voorts gesteld dat deze het gevolg is van de confrontatie met wat haar zoon is aangedaan, hetgeen nader wordt beschreven als wat de benadeelde partij heeft gezien op de spoedeisende hulp, waar artsen haar zoon probeerden te redden en haar daarbij vertelden dat de kans dat haar zoon het zou overleven zeer klein was en dat zij zich moest voorbereiden op het ergste.

Het hof stelt vast dat op grond van het voorgaande, in voldoende mate is komen vast te staan dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat zij haar zoon onder de beschreven omstandigheden heeft gezien in het ziekenhuis na de ernstige mishandeling door de verdachte. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis. Met inachtneming van de criteria voor toekenning van een immateriële schadevergoeding op grond van schokschade en de hiervoor genoemde gezichtspunten en de toepassing daarvan op het onderhavige geval heeft de verdachte ook onrechtmatig gehandeld ten aanzien van de benadeelde partij.

Gelet op het voorgaande kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de zin van schokschade en zal de vordering worden toegewezen.

Affectieschade

Het hof is van oordeel dat ook bij de moeder van het slachtoffer, als naaste zoals bedoeld in de hierboven aangehaalde artikelen uit het BW, gelet op het ter zake van schokschade gevorderde bedrag in samenhang bezien met de omstandigheden waaronder de benadeelde partij haar zoon heeft gezien in het ziekenhuis en de gevolgen die die confrontatie voor de benadeelde partij heeft gehad, hoewel sprake is van samenloop van schok- en affectieschade, die samenloop niet dient te leiden tot matiging van het gevorderde.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 32.500,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals hiervoor benoemd, en in het bijzonder ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 32.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële en materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 46.986,23. Deze in eerste aanleg ingediende en in hoger beroep gehandhaafde immateriële vordering bestaat uit € 15.000,00 aan schokschade en € 15.000,00 aan affectieschade. De materiële schade is ook gevorderd door het slachtoffer. Indien het hof concludeert dat het slachtoffer niet in aanmerking komt voor vergoeding van de gevorderde materiële schade (hetgeen het hof begrijpt als het afwijzen van de vordering), dan vordert de benadeelde partij de schadeposten als verplaatste schade, dan wel rechtstreekse schade.

 

De advocaat-generaal concludeert tot toewijzing van € 2.520,92 van de gevorderde materiële schade, alsmede toewijzing van de gevorderde schokschade en niet-ontvankelijkverklaring ter zake van de overige schade.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de schokschade is door de verdediging betwist.

Schokschade

Uit de stukken in het dossier volgt dat de benadeelde partij, de broer van het slachtoffer, direct geconfronteerd is met de gevolgen van het misdrijf dat zijn broer is overkomen. De benadeelde partij is evenals zijn moeder direct naar het ziekenhuis gegaan. Hij heeft daar zijn broertje, in comateuze toestand en met verwondingen, gezien op de spoedeisende hulp. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat sprake is geweest van een directe confrontatie met (de gevolgen van) het door de verdachte begane feit. Dit heeft een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeggebracht, zoals blijkt uit de toelichting op de vordering.

Ter onderbouwing is namens de benadeelde partij, een verklaring van het Daan Theeuwes Centrum in het geding gebracht ter onderbouwing van de gestelde geestelijke schade.

Volgens dat stuk, ondertekend door J. Grit, een gezondheidszorgpsycholoog, is bij de benadeelde partij PTSS vastgesteld. Daarin wordt voorts gesteld dat deze het gevolg is van de confrontatie met wat zijn broer is aangedaan, hetgeen nader wordt beschreven als wat de benadeelde partij heeft gezien op de spoedeisende hulp, waar artsen vertelden dat de kans dat zijn broer het zou overleven zeer klein was en dat hij zich moest voorbereiden op het ergste en de schok die dat heeft veroorzaakt.

Het hof stelt vast dat op grond van het voorgaande in voldoende mate is komen vast te staan dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat hij zijn broertje heeft gezien in het ziekenhuis na de ernstige mishandeling door de verdachte. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis. Met inachtneming van de criteria voor toekenning van een immateriële schadevergoeding op grond van schokschade en de hiervoor genoemde gezichtspunten en de toepassing daarvan op het onderhavige geval heeft de verdachte ook onrechtmatig gehandeld ten aanzien van de benadeelde partij.

Gelet op het voorgaande kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de zin van schokschade.

Het hof is van oordeel dat in zoverre aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 15.000,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals hiervoor benoemd, en in het bijzonder ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Affectieschade

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] , de broer van het slachtoffer, heeft vergoeding van affectieschade gevorderd, voor een bedrag ter hoogte van € 15.000,00.

Broers (en zussen) en zussen hebben echter in beginsel geen recht op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 BW. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de benadeelde partij, de broer van het slachtoffer, een beroep gedaan op de hardheidsclausule.

De hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 sub g BW ziet op een andere persoon die ten tijde van het ontstaan van het ernstige letsel een zodanige nauwe persoonlijke relatie heeft tot de gekwetste, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij of zij voor de toepassing van lid 1 onder b als gerechtigde tot het ontvangen van een vergoeding voor affectieschade wordt aangemerkt.

Het hof neemt als uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten dient te worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de toelichting en wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting is vermeld dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Het hof leidt hier uit af dat de wetgever heeft bedoeld dat slechts in uitzonderlijke gevallen broers of zussen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade en dat het onvoldoende is dat uitsluitend komt vast te staan dat zij een zeer goede en hechte band hadden. Het hof gaat bij haar beoordeling in onderhavige casus uit van een liefdevolle en betrokken band tussen de broers. Dat blijkt ook wel uit wat de benadeelde partij de afgelopen jaren voor zijn broer heeft gedaan. Deze bijzondere band is echter niet aan te merken als een nauwe en persoonlijke betrekking zoals hiervoor genoemd en is daardoor onvoldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Niet aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de (bijzondere) aanvullende eisen die de wetgever stelt aan een beroep op de hardheidsclausule, zoals hiervoor besproken. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Materiële schade

De reis- en parkeerkosten worden als verplaatste schade toegewezen tot een bedrag van € 2.518,92.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij ten gevolge van feit 1 materiële schade heeft geleden en dat deze schade (als verplaatste schade) het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich voor toewijzing tot een bedrag van 2.518,92, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. De aanvangsdatum zal het hof in dit verband en vanuit praktisch oogpunt bepalen op 29 november 2020, te weten de dag waarop deze kosten namens de benadeelde partij werden gevorderd.

Voor zover in hoger beroep ten aanzien van de reis- en parkeerkosten een hoger schadebedrag is gevorderd dan in eerste aanleg kan de benadeelde partij in zoverre niet in zijn vordering worden ontvangen. Een verhoging van de vordering is niet toegestaan, tenzij het gaat om proceskosten. De gevorderde reis- en parkeerkosten kunnen echter niet als zodanig worden beschouwd. In zoverre is de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk.

Het hof zal voor wat betreft de overige gevorderde materiele schade geen beslissing nemen nu de vergoeding van die schade voorwaardelijk wordt verzocht en de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld. Het hof zal namelijk ten aanzien van de overige materiële schadeposten de vordering van het slachtoffer niet afwijzen. Overigens zou een beoordeling van een deel van die schadeposten een onevenredige belasting van het geding meebrengen, zodat (indien geen sprake zou zijn van een voorwaardelijke vordering) een niet-ontvankelijkverklaring in de rede zou hebben gelegen.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.518,92 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en in eerste aanleg een vordering ingediend ter hoogte van € 990.985,10, bestaande uit € 350.000,00 aan immateriële schadevergoeding en € 640.985,10 aan materiële schadevergoeding. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering gewijzigd in een totaalbedrag van € 959.572,23, bestaande uit € 400.000,00 aan immateriële schade en € 559.572,23 aan materiële schade.

De advocaat-generaal heeft – kort samengevat- het volgende geëist:

De vordering van [slachtoffer] is voor toewijzing vatbaar, met uitzondering van de volgende posten:

  • - ten aanzien van de post hulpmiddelen dient de vordering voor wat betreft de iPad en toebehoren, de kleding, de duofiets en de driewielfiets niet-ontvankelijk te worden verklaard;
  • - ten aanzien van de rolstoelbus en de toekomstige hulpmiddelen (elektrische rolstoel) refereert de advocaat-generaal zich aan het oordeel van het hof;
  • - de post betreffende de mantelzorg en huishoudelijke hulp is tot een bedrag van € 283.711,94 toewijsbaar, de genoemde verhoging in hoger beroep is niet mogelijk;
  • - ten aanzien van de post beschadigde zaken zijn de horloges toewijsbaar tot een bedrag van € 550,00, de kledingschade tot een bedrag van € 35,00 en de woningschade tot een bedrag van € 600,00. Ten aanzien van de posten spaargeld en de aanpassing van de woning van de ouders dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard;
  • - ten aanzien van de post aanpassingen woning [slachtoffer] dient de vordering voor wat betreft de nieuwe tv en het witgoed niet-ontvankelijk te worden verklaard;
  • - ten aanzien van de reis- en parkeerkosten dient de vordering te worden afgewezen.

Voorts vordert de advocaat-generaal met betrekking tot de immateriële schadevergoeding toewijzing tot een bedrag van € 350.000,00 en geeft zij het hof in overweging om de schadevergoedingsmaatregel te bepalen op het verhoogde bedrag van € 400.000,00.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.

Verhoging vordering schadevergoeding in hoger beroep

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van artikel 421 lid 3 Sv kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945).

Gelet op het voorgaande is de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover de gevorderde schadevergoeding ter zake immateriële schade het in eerste aanleg daarvoor gevorderde bedrag te boven gaat. De immateriële schadevergoeding is derhalve in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van € 350.000,00

En gelet op het voorgaande is de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk voor zover de gevorderde schadevergoeding ter zake de verschillende posten aan materiële schade het in eerste aanleg daarvoor gevorderde bedrag te boven gaat.

Immateriële schade

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zeer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten blijvend, ernstig hersenletsel, een halfzijdige verlamming, blindheid aan één oog, ernstige cognitieve stoornissen (geheugen, taal, gedrag informatieverwerking), verminderde alertheid en extreme vermoeidheid en incontinentie. De benadeelde partij is door deze letsels volledig afhankelijk van een rolstoel en 24-uurszorg. Tevens heeft de benadeelde partij last van nierfalen, longproblemen en hartritmestoornissen. Verder staat de benadeelde partij onder controle bij de oogarts en is sprake van veelvuldige ziekenhuisopnames en/of -bezoeken.

Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en mede gelet op de bedragen die in de zogeheten Rotterdamse schaal worden genoemd bij de hiervoor genoemde letsels – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering is aangevoerd en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Materiële schade

Eigen risico

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.776,46 voor het eigen risico. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en de gevorderde schadepost het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel van de vordering worden toegewezen voor zover de kosten inmiddels zijn ontstaan. Gelet op hetgeen namens de benadeelde partij is gesteld over zijn huidige toestand en de verslechtering ten opzichte van het toestandsbeeld ten opzichte van de situatie ten tijde van de behandeling van deze zaak in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat de (ook nabije) toekomst met zoveel onzekerheid is omgeven dat het hof niet vooruit zal lopen op eventuele toekomstige kosten. Naar het oordeel van het hof is op dit moment onvoldoende voorzienbaar dat (en in het bijzonder ook in welke mate) er in de toekomst meer kosten worden gemaakt. Het eigen risico zal dus slechts worden toegewezen voor wat betreft de inmiddels ontstane kosten, te weten € 2.695,00. Het resterende bedrag van € 8.801,46 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Eigen bijdrage ziektekosten

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.076,69 voor de eigen bijdrage van ziektekosten. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en de gevorderde schadepost het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel van de vordering integraal worden toegewezen voor zover deze kosten inmiddels zijn ontstaan, te weten voor een bedrag van € 1.980,00, met niet-ontvankelijk verklaring voor het overige.

Niet vergoede zorgkosten

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 27.895,13 voor de niet vergoede zorgkosten. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en de gevorderde schadepost het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel worden toegewezen tot een bedrag van € 7.928,77. Het resterende bedrag van € 19.966,36 zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit (mede gegeven hetgeen hiervoor is opgemerkt over het onzekere karakter van toekomstige schade) onvoldoende is onderbouwd.

Kosten second opinion

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 300,00 voor de kosten van een second opinion. Dit onderdeel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu onvoldoende is onderbouwd wat deze second opinion inhield en waarvoor dit bedrag zou zijn betaald.

Revalidatie en verblijfskosten België

De kosten voor de revalidatie in België en de verblijfskosten in België zijn in hoger beroep komen te vervallen (nu een en ander zoals toegelicht geen doorgang heeft gevonden). Het hof hoeft derhalve hierop niet te beslissen.

Ziekenhuis-en revalidatieopname

De vordering voor de kosten aan ziekenhuis- en revalidatieopname is aan de orde tot het totaal van het hiervoor in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 6.225,00. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en omdat de gevorderde schade het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel integraal worden toegewezen en voor zover een hoger bedrag wordt gevorderd dan in eerste aanleg niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beschadigde zaken

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 9.550,00 aan beschadigde zaken, bestaande uit € 4.500,00 aan horloges, € 1.750,00 aan spaargeld, € 250,00 aan kledingschade en € 3.050,00 aan woningschade. Het gevorderde bedrag ten aanzien van de horloges zal worden toegewezen tot een bedrag van € 550,-, omdat uit het dossier is gebleken dat de horloges voor dit bedrag zijn aangeschaft. Voor het resterende bedrag ten aanzien van deze schadepost zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De schadepost spaargeld zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. De schade aan de kleding wordt door het hof geschat op € 35,00, het overige deel zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

De schade aan de woning van het slachtoffer zal worden geschat op € 600,00, te weten € 100,00 voor de schoonmaak van de woning en € 500,00 voor de waarde van het matras, het laken en het deken. Voor het overige zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Aanpassing woning [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 19.545,00 voor kosten van een verbouwing van zijn woning. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.759,00 ten aanzien van de aanschaf van een nieuw bed (in eerste aanleg gevorderd als toekomstige aanschaf nieuwe meubels) en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Aanpassing woning ouders

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 1.050 aan kosten gemaakt in de woning van de ouders. De benadeelde partij zal in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezenverklaarde feit en de kosten hiervan onvoldoende zijn onderbouwd.

Reis- en parkeerkosten

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 4.155,59 aan reiskosten en € 2.437,33 aan parkeerkosten. De kosten zullen worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt. De genoemde posten zullen als verplaatste schade (tot het in eerste aanleg door deze gevorderde bedrag) worden toegewezen bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] .

Onevenredige belasting van het strafproces

Op de zitting in hoger beroep heeft de verdediging ter zake van de vordering van de benadeelde partij aangevoerd dat die vordering niet eenvoudig is en een onevenredige belasting is van het strafproces.

Het hof overweegt dat - in tegenstelling tot de hierboven behandelde onderdelen - de vordering voor wat betreft de resterende onderdelen, die hierna nog zullen worden genoemd, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu deze niet eenvoudig van aard zijn en/of een nadere onderbouwing behoeven, hetgeen in dit stadium van het geding een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Bovendien acht het hof niet verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van deze schadeposten genoegzaam naar voren te brengen.

Daarbij heeft het hof onder meer betrokken dat namens de benadeelde partij is bevestigd dat de eerder gestelde eindtoestand thans aan verandering onderhevig is waardoor de inschatting met betrekking tot toekomstige zorg (en daarmee gepaard gaande kosten) zeer wel mogelijk veranderd is, alsmede de proceshouding van de verdachte (die het causaal verband tussen zijn handelen en de schade betwist), de aard (onder meer toekomstige schade, waardoor een voornaam deel van de vordering met meer of minder onzekerheid over het ontstaan/intreden van de schade is omgeven), de veelheid en/of omvang van (het totaal van) de (verschillende onderdelen van de) schadeposten en de (relatieve) omvang van de onderbouwing van deze schadeposten, terwijl (het totaal van) de gevorderde bedragen (in totaal) zo hoog is/zijn dat een eventuele (integrale) toewijzing (zeker in combinatie van de hiervoor besproken beslissingen) verstrekkende (financiële) consequenties zal hebben voor de verdachte, waar hij mogelijk de rest van zijn leven mee geconfronteerd zal worden.

Het hof komt daarom tot het oordeel dat de navolgende onderdelen van de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard zullen worden en bepaalt daarbij dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, hetgeen ook geldt voor zover de benadeelde partij ten aanzien van de eerder besproken onderdelen van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Hulpmiddelen

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 153.127,96 aan kosten voor diverse deels al aangeschafte maar veelal nog aan te schaffen hulpmiddelen.

Mantelzorg/huishoudelijke hulp

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 312.888,37 aan kosten voor de mantelzorg/huishoudelijke hulp.

Concluderend acht het hof de volgende posten voor toewijzing vatbaar:

  • - Eigen risico: € 2.695,00
  • - Eigen bijdrage ziektekosten € 1.980,00
  • - Niet vergoede zorgkosten € 7.928,77
  • - Ziekenhuis- en revalidatieopname: €6.225,00
  • - Beschadigde zaken

o Horloges: € 550,00

o Kledingschade € 35,00

o Woning [slachtoffer] : € 600,00

 Aanpassing woning [slachtoffer] : € 10.759,00

Totaal: € 30.772,77

Concluderend acht het hof de volgende posten niet-ontvankelijk:

  • - Eigen risico € 8.081,46
  • - Eigen bijdrage ziektekosten € 8.096,69
  • - Niet vergoede zorgkosten: € 19.966,36
  • - Second opinion: € 300,00
  • - Hulpmiddelen: € 153.127,66
  • - Ziekenhuis- en revalidatieopname € 1.545,00
  • - Mantelzorg/huishoudelijk hulp: € 312.888,37
  • - Beschadigde zaken: € 8.365,00
  • - Aanpassing woning ouders: € 1.050,00
  • - Aanpassing woning [slachtoffer] € 8.786,00

Totaal: € 522.206,54

Concluderend acht het hof de volgende posten voor afwijzing vatbaar:

 Reis- en parkeerkosten: € 6.592,92

Totaal: € 6.592,92

De vordering leent zich aldus voor toewijzing tot een bedrag van € 380.772,77, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. De aanvangsdatum zal het hof voor wat betreft de materiële schade vanuit praktisch oogpunt bepalen op 29 november 2020, te weten de dag waarop deze kosten namens de benadeelde partij werden gevorderd. Voor wat betreft de immateriële schade zal de ingangsdatum worden bepaald op 2 juli 2019.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 380.772,77 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof ziet in hetgeen namens de benadeelde partij daartoe is aangevoerd geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een hoger bedrag dan tot welk bedrag de vordering van de benadeelde partij is toegewezen. Binnen het wettelijk systeem is niet uitgesloten dat, onder omstandigheden, een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor schade die niet is gevorderd dan wel niet zonder meer toewijsbaar is als vordering benadeelde partij. Deze mogelijkheid heeft echter niet tot doel om wettelijke beperkingen, inhoudende dat de benadeelde partij zich in hoger beroep slechts mag voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, te omzeilen. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van dit laatste sprake. Dat de gevolgen van het feit inmiddels nog erger blijken te zijn dan in eerste instantie werd gedacht maakt dat, hoe verdrietig ook, niet anders.

Verweer verdediging ten aanzien van (ingangsdatum) wettelijke rente

De verdediging heeft aangevoerde dat indien de verdachte mocht worden veroordeeld tot betaling van schade de toegewezen bedragen niet vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente, omdat zaak buiten schuld van de verdachte 7 jaar heeft geduurd.

In dat verband zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang:

- art. 6:162, eerste lid, BW:

"Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden."

- art. 6:119, eerste lid, BW:

"De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest."

- art. 6:83, aanhef en onder b, BW:

"Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:

(...)

b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen."

Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de verdachte ten gevolge van zijn onrechtmatige gedragingen jegens de benadeelde partij jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden (vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123).

Naar het oordeel van het hof staat het de rechter gelet op het voorgaande in beginsel niet vrij om in een geval als het onderhavige - waarin de verschuldigdheid van de schadevergoeding voortkomt uit de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en de verdachte sinds het ontstaan van de schade in verzuim is die te vergoeden - te bepalen dat de verdachte de wettelijke rente niet of vanaf een latere datum dan die waarop de schade is geleden verschuldigd is. Het hof ziet geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW) in afwijking van het voorgaande anders te oordelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte er door het instellen van hoger beroep en het in de tussentijd niet vergoeden van de schade heeft bijgedragen aan de duur van de strafprocedure en de omvang van de inmiddels verschuldigde wettelijke rente, maar in het bijzonder ook dat ook de benadeelde partijen – zonder dat zij daar enige invloed op hebben kunnen uitoefenen - door het tijdsverloop zijn benadeeld in die zin dat zij al geruime tijd wachten op vergoeding van hun schade. Gerechtshof Den Haag 10 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:887