Overslaan en naar de inhoud gaan

GHSHE 240226 slee achter gekentekende buggy; berijder slee zwiept tegen boom; 185 WVW n.v.t.; sport en spel; geaccepteerd risico

GHSHE 240226 slee achter gekentekende buggy; berijder slee zwiept tegen boom; 185 WVW n.v.t.; sport en spel; geaccepteerd risico

3De beoordeling

De feiten

3.1.

In overweging 3.1. van het bestreden vonnis (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank de relevante feiten vastgesteld. Zij zijn niet betwist en vormen in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten.

  1. Op 7 februari 2021 lag er sneeuw in [woonplaats] . [appellant] was op dat moment 20 jaar oud. Hij sprak af met twee vrienden, [persoon A] en [persoon B] , om te gaan sleeën. [geïntimeerde sub 1] en zijn broer [persoon C] voegden zich bij de groep.
  2. [geïntimeerde sub 1] kwam aanrijden in een buggy met kenteken [kenteken] . Dit voertuig was op dat moment voor aansprakelijkheid verzekerd bij Allianz.
  3. De vrienden spraken af om de slee aan de buggy te binden met een trouw.
  4. Zij bevonden zich bij de woning van [persoon A] , gelegen aan [adres A] . Deze laan omsluit samen met o.a. [straatnaam A] een groot langwerpig veld, dat wordt omringd door bomen. [geïntimeerde sub 1] bestuurde de buggy, de jongens namen om beurten plaats op de slee, een ouderwetse houten slee met bogen. [geïntimeerde sub 1] reed vanaf het huis van [persoon A] over [straatnaam B] naar de kop van het veld, waarna hij rechtsaf met een bocht het veld op draaide. [geïntimeerde sub 1] reed vervolgens parallel aan [straatnaam B] over het veld en maakte aan het einde van het veld wederom een bocht naar rechts om over [straatnaam B] terug te rijden naar het huis van [persoon A] . Daar pikte hij een nieuwe passagier op om vervolgens weer min of meer hetzelfde traject af te leggen. Het was de bedoeling dat de jongens van de slee af zouden vallen.
  5. [geïntimeerde sub 1] heeft zo een aantal rondjes gereden, waarbij iedereen zittend plaatsnam op de slee. [appellant] nam tijdens zijn eerste rondje ook zittend plaats op de slee en viel tijdens het voorttrekken van de slee af, net als de andere jongens.
  6. Tijdens het tweede rondje van [appellant] , nam hij liggend op zijn buik plaats op de slee met zijn neus in de richting van de buggy. Nadat [appellant] over het grasveld was voortgetrokken, maakte de buggy aan het eind van het veld een bocht terug naar de verharde weg (richting [straatnaam B] ). De slee zwiepte toen naar links en [appellant] is hard tegen een boom geklapt die, bezien vanuit de rijrichting van [geïntimeerde sub 1] , links van de weg stond. [appellant] heeft daarbij ernstig en gedeeltelijk blijvend letsel opgelopen, bestaande uit drie gebroken rugwervels en zenuwletsel aan de linkerarm/schouder.
  7. Bij brief van 3 maart 2021 heeft [appellant] Allianz in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van [geïntimeerde sub 1] aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.
  8. In opdracht van Allianz heeft [persoon D] (NIVRE Register-Expert) interviews afgenomen over het ongeval met [appellant] , [geïntimeerde sub 1] , [persoon B] en [persoon A] .

De procedure in eerste aanleg

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde sub 1] en/of Allianz hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het aan [appellant] op 7 februari 2021 overkomen ongeval en dat zij gehouden zijn om de hieruit voortvloeiende schade - nader op te maken bij staat - aan [appellant] te vergoeden;
  2. [geïntimeerde sub 1] en/of Allianz hoofdelijk veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een voorschot op de schade, het smartengeld hieronder begrepen, ten bedrage van € 50.000,00;
  3. [geïntimeerde sub 1] en/of Allianz hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, vermeerderd met rente en nakosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft hij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde sub 1] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld met letselschade tot gevolg. Voor deze schade is [geïntimeerde sub 1] , aldus [appellant] , aansprakelijk en is Allianz als WAM-verzekeraar van [geïntimeerde sub 1] verplicht om deze schade aan [appellant] te vergoeden.

3.2.3.

[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.4.

Na een gehouden mondelinge behandeling heeft de rechtbank in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

Rechtsmacht

3.3.

Allianz is een vennootschap naar buitenlands recht. Het geschil heeft internationale aspecten. Het hof moet daarom eerst, ambtshalve, onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Die bevoegdheid is aanwezig op grond van het bepaalde in artikel 11 lid 2 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Omvang van het hoger beroep

3.4.1.

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten c.a.

3.4.2.

[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van dit vonnis en tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten c.a.

Grief 1: verklaring [geïntimeerde sub 1]

3.5.1.

In grief 1 verwijt [appellant] de rechtbank dat er in het vonnis acht is geslagen op de door [geïntimeerde sub 1] afgelegde getuigenverklaring. Hij stelt dat, nu de inhoud van de getuigenverklaring van [geïntimeerde sub 1] zo afwijkt van hetgeen de andere aanwezigen hebben verklaard, deze buiten beschouwing moet worden gelaten dan wel dat daar slechts geringe betekenis aan moet worden toegekend.

3.5.2.

Het hof verwerpt deze grief nu gesteld noch gebleken is dat de rechtbank bij het vaststellen van de feiten de schriftelijke verklaring van [geïntimeerde sub 1] heeft gevolgd. Het hof wijst er voorts op dat [appellant] zich kan vinden in de wijze waarop de rechtbank de feiten heeft vastgesteld. Het hof heeft deze dan ook grotendeels overgenomen met een correctie van een kennelijke schrijffout onder f., zijnde de situering van de boom waartegen [appellant] terecht is gekomen. Het hof heeft met instemming van alle procespartijen dit in het bovenstaand feitenrelaas aangepast.

3.5.3.

Het hof merkt ten overvloede nog op dat artikel 21 Wetboek van Rechtsvordering, waarnaar [appellant] verwijst, ziet op verklaringen die in rechte zijn afgelegd. In de processtukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, heeft [geïntimeerde sub 1] een andere verklaring afgelegd dan hij voorafgaande aan de procedure schriftelijk heeft gedaan. Deze verklaring komt in grote lijnen overeen met hetgeen de rechtbank feitelijk heeft vastgesteld. Het hof ziet dan ook geen reden om voormeld wetsartikel toe te passen.

Grief 2: toepasselijkheid artikel 185 WVW

3.6.1.

In grief 2 verwijt [appellant] de rechtbank dat is geoordeeld dat artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW) toepassing mist. [appellant] stelt dat hij niet door de buggy is vervoerd in de zin van voormelde wetsbepaling. Voor deze kwalificatie is niet de bedoeling van het slachtoffer van belang maar moet, aldus [appellant] , op basis van objectieve maatstaven, worden gekeken naar de positie van het slachtoffer: [appellant] zat niet in of op de buggy en was dan ook geen passagier. De term “vervoeren” moet beperkt worden uitgelegd.

3.6.2.

[geïntimeerden] stelt dat in ieder geval feitelijk vaststaat dat [appellant] zich door de buggy liet vervoeren: hij liet zich door de buggy van de ene naar de andere plaats brengen. Ook de ratio van de bepaling leidt ertoe dat het artikel toepassing mist. Het artikel biedt bescherming aan personen die buiten hun wil met de risico’s van het gemotoriseerd voertuig worden geconfronteerd en het biedt geen bescherming aan personen die gebruik maken van het motorrijtuig, aldus [geïntimeerde sub 1] .

3.6.3.

Het hof is van oordeel dat de grief niet slaagt. [appellant] verwijst in zijn betoog naar een uitspraak van de Hoge Raad van 25 februari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4943). Deze uitspraak zag op een bestuurder van een veegwagen die was uitgestapt en daarna was aangereden door een ander motorrijtuig. De Hoge Raad heeft in deze zaak overwogen dat de kring van personen die met het motorrijtuig worden vervoerd, in die zin beperkt moet worden uitgelegd dat passagiers die het motorrijtuig hebben verlaten, niet meer tot deze kring behoren. Deze uitspraak biedt geen onderbouwing voor de stelling dat de kring van personen die vervoerd worden in of op het motorrijtuig aanwezig moeten zijn geweest op het moment van het ongeval. Feit is in deze zaak dat de slee aan de buggy was vastgemaakt en dat deze constructie ervoor zorgde dat de passagier van de slee met gebruikmaking van de motor/snelheid van de buggy kon worden vervoerd. Van enig distantiëren van (de snelheid of het daarmee samenhangende gevaar van) het motorrijtuig is geen sprake. Het tegendeel is het geval: de slee is juist bewust verbonden met de buggy, zodat degene die op de slee plaats nam, kon profiteren van de kracht en snelheid van de buggy. Aldus moet degene die op de slee zat wel degelijk worden aangemerkt als een door een motorrijtuig vervoerd persoon. Dit betekent dat artikel 185 WVW in dit geval toepassing mist.

Grief 3: sport- en spelsituatie

3.7.1.

In grief 3 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is geweest van een sport- en spelsituatie. Er is, aldus [appellant] , sprake van maatschappelijk onaanvaardbare gedragingen. Er is gebruik gemaakt van de openbare weg en in strijd gehandeld met de aldaar geldende veiligheidsvoorschriften.

Voorts stelt [appellant] dat het spel was afgelopen op het moment dat op de openbare weg werd gereden. Doel van het spel was het op hoge snelheid van de slee afgeworpen te worden, hetgeen alleen mogelijk moet zijn geweest op het brede grasveld. [appellant] hoefde geen rekening te houden met een plotse poging om hem op de weg van de slee te krijgen.

3.7.2.

[geïntimeerden] wijst erop dat [geïntimeerde sub 1] en [appellant] het spel samen speelden met als gevolg dat [appellant] aan [geïntimeerde sub 1] niet kan verwijten dat deze het spel speelde. Het enkele spelen van het spel is dan ook jegens [appellant] niet onrechtmatig. Hij betwist voorts dat het spel maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn. Het spel is van alle tijden.

[geïntimeerden] stelt voorts dat het ongeval tijdens het spel heeft plaatsgevonden; het spel impliceerde het rijden van rondjes, deels op het grasveld en deels op de weg. Onjuist is om te concluderen dat het ongeval buiten de spelactiviteit heeft plaatsgevonden op het moment dat de gevolgen van het spel niet overeenkomen met het doel van het spel. Zoals bij voetbal een sliding verkeerd kan zijn gecoördineerd, kan bij het sleespel sprake zijn van een inschattingsfout ten aanzien van het sliprisico door de bestuurder van de buggy. Het gaat erom of de gedraging al dan niet te verenigen is met de geest van het spel.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat het ongeval heeft plaatsgevonden binnen een sport- en spelsituatie. Uit de verklaringen van de betrokken deelnemers blijkt wat de afspraken waren voor het spel met de slee: [appellant] bestuurde de buggy en om beurten namen de andere deelnemers plaats op de slee. [appellant] reed vervolgens rondjes met de slee, deels op het gras en deels op de weg. Het doel van het spel was om tijdens de rit op het grasveld de jongens die op de slee zaten, ervan af te krijgen. Het spel is begonnen ter hoogte van de woning van [persoon A] . Deze woning (gelegen op [huisnummer] ) lag aan het begin van de straat. Daar werd op de slee gestapt. Vervolgens werd [straatnaam B] vrijwel volledig afgereden, waarna een bocht naar rechts volgde om vervolgens op de terugweg op het grasveld te rijden en op het eind van het grasveld weer met een bocht naar rechts [straatnaam B] op te draaien, terug naar de woning van [persoon A] , zodat een ander of twee anderen op de slee kon(den) plaatsnemen. In de door [appellant] overgelegde aanvullende verklaring van [persoon A] geeft hij aan dat het niet de bedoeling was dat mensen eraf geslingerd werden, “maar terwijl de dag verstreek begonnen we wel steeds meer de randjes op te zoeken. Ik denk dat er op bepaalde stukken wel 40 tot 50 km/u werd gereden. Op het veld werd harder gereden, want daar heeft de buggy veel grip”, aldus [persoon A] .

3.7.4.

Uit het vorenstaande volgt dat de grief, voor zover deze inhoudt dat het spel eindigde op het moment dat men op de openbare weg reed, niet slaagt. Het hof is van oordeel dat de hele ronde over [straatnaam B] en het grasveld deel uitmaakte van het spel. Het is niet zo dat het de bedoeling was om van de slee af te stappen op het moment dat de buggy het grasveld verliet. Zo werd het spel niet gespeeld, getuige niet alleen de verklaringen van alle betrokken deelnemers, maar getuige ook het feit dat [appellant] op het moment dat hij op de slee lag, nog aan een tweede rondje is begonnen.

De stelling van [appellant] dat het spelen van het spel maatschappelijk onaanvaardbaar is omdat dit gevaar oplevert voor overige verkeersdeelnemers, met als gevolg dat [geïntimeerde sub 1] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door deel te nemen aan het spel, verwerpt het hof eveneens. Beide personen namen deel aan het spel, wetende wat het spel inhield en welke risico’s eraan verbonden waren. Onder deze omstandigheden kan [appellant] het deelnemen aan het spel niet aan [geïntimeerde sub 1] verwijten. Dat het spelen van het spel maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn, is door [geïntimeerden] gemotiveerd betwist en door [appellant] niet nader onderbouwd.

3.7.5.

[appellant] stelt dat hij er geen rekening mee behoefde te houden dat [geïntimeerde sub 1] probeerde om hem bij de bocht van het grasveld naar de weg met een slinger van de slee af te krijgen. Zoals hiervoor is overwogen, was het de bedoeling dat er op het gras hard en soms slingerend gereden werd teneinde de passagier op de slee ervan af te krijgen. Dat [geïntimeerde sub 1] daarnaast geprobeerd heeft [appellant] van de slee af te krijgen in de bocht terug naar de weg, is niet komen vast te staan. [geïntimeerde sub 1] heeft dit betwist, aangevende dat hij voor de bocht juist snelheid moest minderen teneinde de bocht te kunnen nemen. Dat [geïntimeerde sub 1] heeft geprobeerd om [appellant] van de slee af te krijgen bij het nemen van de bocht, is in rechte niet komen vast te staan.

Grief 4: de snelheid van de buggy

3.8.1.

Partijen zijn het erover eens dat het ongeval veroorzaakt is door een plotselinge zwieper van de slee als gevolg van het tijdelijk verliezen van grip op een ijzig gedeelte van het wegdek en vervolgens weer hervinden van grip en met een ruk aantrekken van het touw, waardoor de slee achter de buggy een zwieper maakte en tegen een boom langs de weg klapte. [appellant] stelt in grief 4 dat de slipbeweging van de buggy een gevolg is van een té hoge snelheid in combinatie met de ijzige laag op het wegdek. Dit heeft de zwieper veroorzaakt, aldus [appellant] . [geïntimeerde sub 1] had zijn snelheid aan de omstandigheden moeten aanpassen, door dat niet te doen heeft hij onrechtmatig gehandeld.

3.8.2.

[geïntimeerden] stelt dat de slip/zwieper het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Hij verwijst naar het feit dat [geïntimeerde sub 1] geen ander rijgedrag in deze laatste ronde vertoonde dan in de vorige rondes. Hij heeft ook niet sneller gereden dan de voorgaande rondes. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] niet onderbouwd dat het de snelheid is geweest die de slip heeft veroorzaakt.

3.8.3.

Ook deze grief slaagt, naar het oordeel van het hof, niet. Hoewel mogelijk over het algemeen kan worden aangenomen dat hoe hoger de snelheid is, hoe meer kans er bestaat om op een ijzige ondergrond in een slip te raken, betekent dit niet dat bij lage snelheid (door [appellant] is overigens niet gesteld wat in dit geval een voldoende lage snelheid was geweest) niet kan slippen. Het moge zo zijn dat de slipbeweging is veroorzaakt door een té hoge snelheid in combinatie met de ijzige laag op het wegdek, maar dit leidt niet tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde sub 1] jegens [appellant] . Zoals hiervoor aangegeven, waren partijen bezig met een risicovol spel en behoorde het maken van de rondjes, en dus ook het rijden op de ijzige laag van het wegdek, tot het spel. Inherent daaraan is dat de buggy op enig moment grip kan verliezen en de kans daarop is groter bij het rijden op de weg dan bij het rijden op het grasveld. Daarbij geldt dat het ene stukje weg waarschijnlijk gladder is dan het andere, zeker wanneer op dit stukje vaker is gereden. Of een slip gaat plaatsvinden, is dus niet alleen afhankelijk van de snelheid maar ook de mate van gladheid van de weg en de exacte plaats op de weg waar de buggy rijdt. Vast staat dat [geïntimeerde sub 1] al enige rondjes had gereden zonder in deze bocht te zijn geslipt. Mogelijk is dat hij in zijn laatste rondje weer net iets sneller heeft gereden, al is dat niet komen vast te staan. Maar wat daar ook van zij, ook dit paste binnen de regels van het spel waarbij, zoals [persoon A] heeft verklaard, de grenzen werden opgezocht. In rechte is niet komen vast te staan (en dit is ook niet met zoveel woorden betoogd) dat [geïntimeerde sub 1] zijn buggy opzettelijk heeft laten slippen. Voor hem kwam de slip ook onverwacht. De conclusie is dan ook dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Grief 5: grove onvoorzichtigheid

3.9.1.

[appellant] stelt dat de gedragingen van [geïntimeerde sub 1] kunnen worden aangemerkt als grovelijk onvoorzichtig/onzorgvuldig dan wel abnormaal gevaarlijk rijgedrag. Hij was, omdat hij al verschillende ritjes had gereden, bekend met de gladde ondergrond, het gedrag van de buggy en de invloed daarvan op de slee. De deelnemers aan het spel mochten verwachten dat hij geen té gevaarlijke of risicovolle manoeuvres zou gaan uitvoeren terwijl zij op de slee lagen. Dat ook rond het grasveld bomen stonden, zoals de rechtbank heeft overwogen, is niet relevant nu deze bomen al veel verder uit elkaar stonden, zeker naarmate de rit op het grasveld vorderde, aldus [appellant] .

3.9.2.

[geïntimeerden] stelt dat de wijze van rijden van [geïntimeerde sub 1] niet in strijd is geweest met hetgeen binnen de grenzen van het spel mocht worden verwacht. Hij betwist de gestelde grove onzorgvuldigheid. Geen enkele deelnemer heeft tijdens het spel [geïntimeerde sub 1] aangesproken op zijn rijgedrag. Uit geen van de verklaringen blijkt dat [geïntimeerde sub 1] de bocht sneller nam dan de overige bochten.

3.9.3.

Het hof verwijst naar zijn oordeel onder grief 4. Het rijgedrag van [geïntimeerde sub 1] paste, ook al was het gevaarlijk, binnen de grenzen van het spel. Het spel was immers risicovol en de deelnemers accepteerden gaandeweg steeds meer risico’s doordat er mogelijk steeds sneller met de buggy werd gereden. Dat de buggy vervolgens op enig moment in een slip terecht zou kunnen komen, is dan ook een door alle deelnemers geaccepteerd risico.

Grief 5 slaagt niet.

Bewijsaanbod

3.10.1.

[appellant] biedt bewijs aan middels het horen van de deelnemers aan het spel. Alle deelnemers hebben schriftelijke verklaringen afgelegd. [appellant] geeft niet aan wat deze deelnemers meer of anders kunnen verklaren dan zij al gedaan hebben. Om deze reden passeert het hof dit bewijsaanbod.

3.10.2.

Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [appellant] nog uitdrukkelijk bewijs aangeboden van de toedracht van het ongeval waartoe ook de ijzige gladde omstandigheden behoren. Op grond van bovenstaand oordeel van het hof staat vast dat de snelheid van de buggy, gelet op de ijzige gladde omstandigheden op de weg, té hoog is geweest waardoor de buggy is geslipt. Deze, in relatie tot de gladheid té hoge snelheid betekent evenwel niet dat de snelheid gelet op de aard van het spel, té hoog is geweest. Dit laatste is evenwel waaraan getoetst moet worden. Het hof passeert om deze reden dan ook dit bewijsaanbod.

Slotsom

3.11.1.

Nu geen van de grieven slaagt, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op:

- griffierechten € 2.175,00

- salaris advocaat € 4.704,00 (2 punt(en) x tarief IV)

- nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 7.052,00

3.11.2.De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:451