RBZWB 101225 automobilist niet aansprakelijk voor schade motorrijder bij stunts op parkeerterrein; sport en spelsituatie; toedracht onduidelijk
- Meer over dit onderwerp:
RBZWB 101225 automobilist niet aansprakelijk voor schade motorrijder bij stunts op parkeerterrein; sport en spelsituatie; toedracht onduidelijk
verzocht 13 uur x € 285,00 + 21%; begroot, niet toegewezen, 13,5 uur x € 300 incl BTW = € 4050,00; niet gebleken van jurisprudentieonderzoek
2Het geschil
2.1.
[verzoeker] verzoekt dat de rechtbank voor recht verklaart, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
dat Unigarant aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] en verplicht is deze schade te vergoeden op basis van de tussen haar en haar verzekerde gesloten verzekeringsovereenkomst;
-
dat Unigarant de rechtsbijstand kosten die [verzoeker] in het kader van dit deelgeschil heeft gemaakt aan de advocaat van [verzoeker] dient te voldoen en deze kosten ex artikel 1019aa lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten. Voor de voorbereiding van het verzoekschrift is 13 uur besteed á € 285,00 per uur, € 3.705,00 exclusief 21% btw, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van een beschikking in deze zaak tot de dag der algehele voldoening;
-
dat Unigarant de griffierechten á € 90,00 aan [verzoeker] dient te vergoeden.
2.2.
Unigarant heeft de gestelde aansprakelijkheid betwist.
3De zaak in het kort
3.1.
Op 19 oktober 2022 rond 18:00 uur heeft op een parkeerterrein in [woonplaats] een ongeval plaatsgevonden. Een BMW personenauto, bestuurd door [naam] , WAM verzekerde bij Unigarant, en een motor, bestuurd door [verzoeker] , hebben elkaar geraakt waardoor beide partijen schade en [verzoeker] verwondingen heeft opgelopen.
4De beoordeling
4.1.
[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze zaak leent zich voor een deelgeschilprocedure, nu het gaat over een deelaspect van de zaak namelijk de aansprakelijkheid. Er is een voorlopig getuigenverhoor geweest en kennelijk wil [verzoeker] de zaak in deze stand aan de deelgeschilrechter voorleggen.
4.2.
Volgens [verzoeker] is het ongeval volledig aan [naam] te wijten die al driftend in zijn BMW zijwaarts tegen de motor van [verzoeker] is aangereden, waarbij [verzoeker] hem niet meer kon ontwijken. Daarmee is volgens [verzoeker] sprake van een door [naam] gepleegde onrechtmatige daad.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
Tussen partijen staat vast dat tussen de BMW en de motor een aanrijding heeft plaatsgevonden waarbij de BMW in het midden van de zijkant aan de rechterzijde zwaar is beschadigd. Waar de motor als eerste met de BMW in aanraking is gekomen is gesteld noch gebleken.
4.4.
Verder staat vast dat voorafgaand aan de botsing door de BMW en een drietal motorrijders, althans door motorrijders, stunts zijn uitgevoerd op het parkeerterrein. Hierbij werd in cirkels gedrift, werden wheelies gemaakt door de motoren, werd hoog in de toeren gereden en kris kras door elkaar gereden. [getuige] verklaart dat hij deze situatie 10 tot 15 minuten heeft staan aanschouwen. De politie heeft in het proces-verbaal vermeld dat sprake was van veel bandensporen.
4.5.
De rechtbank concludeert dat door de vier betrokkenen, die geen onbekenden van elkaar waren, voor langere tijd, minstens 15 minuten, sprake was van het doen van stunts als driften en wheelies op het parkeerterrein met een personenauto en snelle motoren en er aldus sprake was van een sport- en spelsituatie die in belangrijke mate afweek van een normale verkeerssituatie.
4.6.
Of in de gegeven situatie [naam] onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld, dient in beginsel, gelet op de grondslag, te worden beoordeeld aan de Kelderluik-criteria (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Bij toepassing van alleen die criteria zal het driften met een auto al snel onrechtmatig zijn indien doordoor schade ontstaat. Omdat sprake was van een sport- en spelsituatie wordt voor de invulling van de toepasselijke norm echter tevens aangesloten bij de jurisprudentie op dat vlak. Dit betekent dat ook geldt dat de deelnemers aan deze stunts van elkaar tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, slecht getimede, onvoldoende doordachte handelingen of andere ondoordachte handelingen die deze stunts uitlokken, konden verwachten. De drempel om onrechtmatigheid aan te nemen ligt dan ook hoger dan bij de Kelderluik-criteria.
4.7.
Gezien het voorgaande ligt het op de weg van [verzoeker] om aan te geven waaruit precies het onrechtmatig handelen van [naam] bestaat en dat dit onrechtmatig handelen tot de door [verzoeker] geleden schade heeft geleid. Om vervolgens vast te kunnen stellen dat sprake was van een dergelijk handelen zal de toedracht van het ongeval in dit deelgeschil dienen vast te staan.
4.8.
Met betrekking tot de toedracht van het ongeval staat vast dat [naam] met zijn BMW heeft gedrift en er zijn diverse verklaringen dat [naam] aan het driften was toen het ongeval plaatsvond. Niet duidelijk is of [naam] onmiddellijk voor de botsing in cirkels aan het driften was of dat hij andere, meer onvoorspelbare, rijbewegingen maakte, waar hij precies reed en of hij in een bocht naar rechts of naar links reed. Volgens [verzoeker] , zo volgt uit het verzoekschrift, reed de BMW driftend naar rechts (in welk geval de auto dus achter naar links uitbreekt) en probeerde [verzoeker] sturend naar rechts de auto te ontwijken. Aangezien de rechterzijde van de BMW was beschadigd, was de driftende beweging in die gestelde situatie juist weg van de motor en is de motor niet gegrepen door de zijdelingse beweging van de auto. Mogelijk is dit anders en maakte de BMW een bocht naar links, maar zowel uit het verzoekschrift als op grond van de getuigenverklaringen die zijn afgenomen, wordt niet duidelijk dat dat het geval was.
4.9.
Met betrekking tot de verplaatsing van de motor kort voor het ongeval staat op grond van diverse getuigenverklaringen vast dat er werd opgetrokken en de gashandel werd opengedraaid. Uit de getuigenverklaringen blijkt niet hoe ver de motor toen van de BMW was verwijderd. Wel is duidelijk dat de motor in de richting van de Skydive en dus op zijn minst enigszins in de richting van de BMW reed. [verzoeker] naderde in meer of mindere mate de rondjes draaiende BMW waarbij [verzoeker] heeft verklaard dat [naam] hem niet kon zien. Een motor kan in korte tijd veel snelheid winnen. Beide voertuigen waren aldus in beweging maar welke bewegingen zij precies in de nadering van elkaar maakten en met welke snelheden zij reden is op grond van de verklaringen niet komen vast te staan. Met name is ook niet duidelijk hoe het kan dat indien de motor richting de Skydive reed de naar rechts sturende en driftende BMW de motor aanreed met zijn rechterzijkant. Of, indien het ongeval anders heeft plaatsgevonden, op welke andere wijze dit dan heeft plaatsgevonden.
4.10.
[verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld waaruit het onrechtmatig handelen van [naam] bestaat gezien de sport- en spelsituatie waar sprake van was. Uit de te algemene stelling dat [naam] aan het driften was volgt naar het oordeel van de rechtbank nog geen aansprakelijkheid. Daarnaast is het onrechtmatig handelen aan de kant van [naam] ook niet uit de vaststaande feiten af te leiden omdat de relevante toedracht van het ongeval onduidelijk is gebleven. Dit betekent dat de vordering onder a. dient te worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
4.11.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank Unigarant te veroordelen in de kosten van de deelgeschilprocedure. Nu de rechtbank niet komt tot aansprakelijkheid aan de kant van Unigarant zal deze vordering worden afgewezen. De rechtbank moet wel de kosten begroten nu niet gesteld of gebleken is van een op voorhand kansloos verzoekschrift. [verzoeker] procedeert met een toevoeging en gezien de uitkomst van de procedure gaat de rechtbank ervan uit dat [verzoeker] geen rekening krijgt van zijn raadsman, anders dan eventuele een te betalen eigen bijdrage.
4.12. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek in aanmerking nemen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in het verzoekschrift wel de feiten omschreven, maar blijkt niet van enig jurisprudentieonderzoek. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 13,5 uren × € 300,00 inclusief btw, dus op € 4.050,00 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Unigarant niet veroordelen tot betaling daarvan. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9678
