Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 160126 dwarslaesie door golven bij maken van promotiefilm voor reisorganisator; geen overeenkomst van opdracht; geen gemengde overeenkomst

HR 160126 dwarslaesie door golven bij maken van promotiefilm voor reisorganisator; geen overeenkomst van opdracht; geen gemengde overeenkomst

in vervolg op:
GHAMS 090724-2  dwarslaesie door golven tijdens zeezeilreis Sint Maarten; geen aansprakelijkheid ogv 7:658 lid 4, of 8:504 lid 5

2Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze zaak is aan de orde hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd. Die kwalificatie is van belang bij beantwoording van de vraag of [verweerder] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden letselschade.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] heeft een eenmanszaak, [A] (hierna: [A]). [A] organiseert zeilreizen. [verweerder] is de schipper op deze reizen.

(ii) Achmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [A].

(iii) Op 17 februari 2015 is [eiseres] een ongeval overkomen terwijl zij deelnam aan een reis op een zeilschip, georganiseerd door [A]. De reis vond plaats in de Caribische zee rondom Sint Maarten.

(iv) [eiseres] heeft bij het ongeval een traumatische dwarslaesie opgelopen.

2.3

In dit geding vordert [eiseres] , kort gezegd, een verklaring voor recht dat [verweerder], handelend onder de naam [A], aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] door de gebeurtenis op 17 februari 2015 heeft geleden, alsmede veroordeling van [verweerders] tot vergoeding van de schade die zij daardoor heeft geleden, op te maken bij staat. De kantonrechter1 heeft de vordering afgewezen.

2.4

Het hof2 heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

“4.3 Het hof bespreekt thans de grieven 1 en 2, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. De beide grieven stellen de kwalificatie van de tussen [verweerder] en [eiseres] bestaande rechtsverhouding aan de orde. Met de grieven betoogt [eiseres] dat de kantonrechter deze rechtsverhouding ten onrechte niet heeft gekwalificeerd als een werkgeversrelatie waarop art. 7:658 lid 4 BW van toepassing is. Volgens [eiseres] heeft [verweerder] haar gevraagd een promotiefilm te maken. Volgens [eiseres] behoort het maken van filmbeelden tot de bedrijfsactiviteiten van [verweerder]. In het verleden heeft [verweerder] ook zelf filmopnames gemaakt en er zijn afspraken gemaakt over de invulling van de filmwerkzaamheden. Bovendien is [verweerder] als kapitein eindverantwoordelijke en bepaalde hij de werkomstandigheden van [eiseres] . [eiseres] was dan ook volledig afhankelijk van hem, zodat de tussen hen bestaande rechtsverhouding ongelijkwaardig was. Het incident dat de schade heeft veroorzaakt, heeft plaatsgevonden tijdens het maken van de filmopnames. Volgens [eiseres] is geen sprake van een overeenkomst van personenvervoer over zee, omdat de kenmerkende prestatie het maken van een promotiefilm is en het vervoer over zee hieraan ondergeschikt is. Indien geen sprake is van een werkgeversrelatie, dan is de rechtsverhouding volgens [eiseres] te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht. Als dat volgens het hof evenmin het geval is, dan gaat het volgens [eiseres] om een reisovereenkomst in de zin van art. 7:500 lid 1 onder b (oud) BW. [eiseres] zou immers een promotiefilm voor [verweerder] maken met als tegenprestatie de deelname aan de meezeilreis. De zeilreis omvatte niet alleen een overnachting aan boord van het schip, maar ook een zeiltocht waarbij mocht worden meegezeild. Tot slot stelt [eiseres] dat aansprakelijkheid bestaat op grond van onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW, dan wel op grond van art. 6:170 BW.

4.4

Het hof is van oordeel dat het in de onderhavige zaak gaat om een overeenkomst van personenvervoer over zee in de zin van art. 8:500 BW. Vast staat dat [eiseres] en [verweerder] elkaar vriendschappelijk kenden en dat zij tijdens een ontmoeting in 2015 hebben gesproken over de reeds geplande zeilreis van [verweerder] in de Cariben. Volgens het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting zijdens [verweerders] dat [eiseres] graag eens met [verweerder] meewilde op een zeilreis, niet vast komen te staan dat het hen ging om het maken van een promotiefilm. Naar het oordeel van het hof zijn [verweerder] en [eiseres] overeengekomen dat [eiseres] deel zou nemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken.

4.5

Volgens het hof is [verweerder] niet aan te merken als werkgever en is art. 7:658 lid 4 BW evenmin van toepassing. Ingevolge art. 7:658 lid 4 BW is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 en 2 van art. 7:658 BW aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. [verweerders] heeft gemotiveerd betwist dat [eiseres] en [verweerder] afspraken hebben gemaakt over de invulling van het promotiefilmpje en dat sprake was van ondergeschiktheid. Daarnaast staat vast dat [verweerder] op kleine schaal zeilreizen organiseert, hij tijdens deze zeilreizen de schipper is en er geen personeel in dienst is. Het hof is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, het maken van een promotiefilm niet tot de bedrijfsactiviteiten van [verweerder] behoort. Dat [verweerder] in het verleden enkele filmpjes op social media heeft geplaatst om de zeilreizen te promoten, maakt het voorgaande niet anders. Niet weersproken is dat het gaat om filmpjes die eenvoudig zijn gemaakt op de smartphone van [verweerder].

4.6

Naar het oordeel van het hof is evenmin sprake van een overeenkomst van opdracht, nu het gaat om vervoer van personen.”

3Beoordeling van het middel

3.1

De onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 van het middel zijn gericht tegen rov. 4.6. Zij klagen onder meer dat het hof heeft miskend dat de kwalificatie van de rechtsbetrekking als overeenkomst van personenvervoer niet uitsluit dat daarnaast een overeenkomst van opdracht bestond of een gemengde overeenkomst tot stand kwam.

3.2

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat sprake was van een overeenkomst van personenvervoer, waarbij [eiseres] , als wederdienst voor het personenvervoer, een film zou maken (rov. 4.4, eerste en laatste volzin). Naar het oordeel van het hof zou [eiseres] dus in natura betalen, door middel van het maken van een promotiefilm. Het hof was kennelijk van oordeel dat geen sprake was van een opdracht van [verweerder] aan [eiseres] dan wel van een gemengde overeenkomst. In dit licht moet ook rov. 4.6 worden begrepen.

3.3

Onderdeel 1.4 klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, aangezien [eiseres] heeft aangevoerd dat het ongeval haar overkwam bij de uitvoering van de opdracht en dat in zoverre de overeenkomst van opdracht prevaleert boven de overeenkomst van personenvervoer over zee. Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk waarom het hof niet uitgaat van een overeenkomst van opdracht, althans niet beoordeelt of [A] als opdrachtgever jegens [eiseres] als opdrachtnemer aansprakelijk is.

3.4

Deze klacht faalt. Het hof heeft, zo blijkt uit rov. 4.3, onderkend dat [eiseres] heeft aangevoerd dat de kenmerkende prestatie is het maken van een promotiefilm, dat het vervoer over zee hieraan ondergeschikt is en dat volgens [eiseres] sprake is van (onder meer) een overeenkomst van opdracht. Het hof heeft daarover in rov. 4.4 overwogen dat niet is komen vast te staan dat het [verweerder] en [eiseres] ging om het maken van een promotiefilm. Het hof heeft bij dit oordeel acht geslagen op de gemotiveerde betwisting door [verweerders], waarbij het hof klaarblijkelijk doelt op hun betwisting van de stelling van [eiseres] dat het ging om het maken van een promotiefilm. Die betwisting is gemotiveerd doordat [verweerders] hebben aangevoerd dat [eiseres] graag eens met [verweerder] meewilde op een zeilreis. Het hof heeft die betwisting geplaatst tegen de achtergrond van de vaststaande feiten dat [verweerder] en [eiseres] elkaar vriendschappelijk kenden en dat zij tijdens een ontmoeting in 2015 hebben gesproken over de reeds geplande zeilreis. Het oordeel van het hof dat [eiseres] zou deelnemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken, is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk, ook niet indien het ongeval [eiseres] overkwam bij het maken van de promotiefilm.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO)

1Rechtbank Amsterdam 2 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7143.

2Gerechtshof Amsterdam 9 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1891.

 

Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:57

 

 

zie ook: Parket bij de Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1036