HR 200126 Straf, 80RO dood door schuld eigenaar en schipper na afbreken giek en overlijden 12-jarig meisje
- Meer over dit onderwerp:
HR 200126 Straf, 80 RO dood door schuld eigenaar en schipper na afbreken giek en overlijden 12-jarig meisje
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:74
Zie ook
GHARL 270325
Strafoplegging
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dood door schuld. Hij heeft als eigenaar en schipper van een tot charterschip omgebouwd zeilschip onvoldoende gecontroleerd of de giek van dat schip nog in deugdelijke staat verkeerde. Zodoende heeft hij niet geconstateerd dat de giek ernstig was aangetast door houtrot. Verder heeft hij nagelaten de tuigage van dat schip tijdig te laten keuren. Onder die omstandigheden is de verdachte met dat schip gaan varen over de Waddenzee met aan boord twaalf scholieren en hun begeleiders. Wat een leuk zeilkamp had moeten worden, is geëindigd in een afschuwelijk drama. Tijdens het zeilen is de giek van het schip gebroken en terecht gekomen op het hoofd van het 12-jarige slachtoffer, dat daardoor ter plekke is overleden. De verdachte had als eigenaar en schipper een zeer grote verantwoordelijkheid. Het was zijn taak om ervoor te zorgen dat zijn passagiers aan boord van zijn schip veilig zouden zijn. Daarin is hij tekort geschoten. Dit rekent het hof de verdachte aan.
Door toedoen van de verdachte is een jong meisje overleden. Een meisje dat nog een heel leven voor zich had. Met haar overlijden is een groot en onherstelbaar leed toegebracht aan haar nabestaanden, die hiermee hun leven lang geconfronteerd zullen blijven. Dit blijkt ook uit de indringende verklaring die door de ouders van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen. Zij missen haar nog iedere dag en zullen het verlies van hun dochter en zusje de rest van hun leven moeten dragen. Hun gezin zal nooit meer compleet zijn. Het hof begrijpt dat geen enkele straf recht zal doen aan het verdriet dat hen is aangedaan. Ook in het leven van haar overige familie en vriendinnen is een grote leegte ontstaan. Voor de schoolkinderen en hun begeleiders die tijdens het ongeluk aan boord van het schip waren en hiervan getuige zijn geweest, moet dit eveneens een traumatische ervaring zijn geweest. Ten slotte is ook de samenleving ernstig geschokt door dit ongeval.
Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte dit vreselijke gevolg nooit heeft gewild. Ook op hem heeft dit ongeluk een grote impact gehad. Hij moet verder leven met het besef dat door zijn schuld een jong meisje is overleden. Hiervan ondervindt hij nog steeds de psychische gevolgen, waarvoor hij professionele hulp heeft ingeschakeld.
Verder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2025 niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Nu voor strafoplegging voor het onderhavige feit geen oriëntatiepunten zijn vastgesteld, heeft het hof bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot het veroorzaken van een verkeersongeval op de weg. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop, waarbij eveneens sprake is van aanmerkelijke schuld, geldt als oriëntatiepunt een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar. Verder heeft het hof gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd, met name omdat het hof een lagere mate van schuld bewezen acht dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof acht in dit geval een taakstraf een passende straf. Om de ernst van het feit uit te drukken zal het hof de verdachte daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, zal het hof de verdachte geen beroepsverbod opleggen. Dit betreft een bijkomende straf met een zeer ingrijpend karakter die ertoe strekt herhaling te voorkomen. Een dergelijke straf wordt slechts in uitzonderlijke gevallen opgelegd. Het hof ziet hiervoor in deze zaak geen aanleiding. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit en niet is gebleken dat zich eerder gevaarlijke situaties hebben voorgedaan aan boord van zijn schip. Bij het hof is niet de indruk ontstaan dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid als schipper doorgaans niet serieus neemt. Zoals hiervoor is overwogen, biedt het dossier voor dat oordeel onvoldoende aanknopingspunten. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de verdachte zich als schipper van een charterschip nogmaals schuldig zal maken aan een soortgelijk strafbaar feit.
Alles afwegende acht het hof, evenals de rechtbank, een taakstraf voor de duur van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1790