Zoeken

Inloggen

Artikelen

GHARL 221019 Aardbevingsschade. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:5849. Het hof gelast een deskundigenonderzoek.

GHARL 221019 Aardbevingsschade. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:5849. Het hof gelast een deskundigenonderzoek.

Het hof neemt het arrest van 16 juli 2019 hier over.

1
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het hof heeft partijen in genoemd tussenarrest in de gelegenheid gesteld een akte te nemen. Partijen hebben laten weten geen behoefte te hebben aan het nemen van een akte, waarna het hof arrest heeft bepaald.

2
Verder over de grieven

2.1
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is. Het hof heeft aangegeven welke vragen het aan de deskundigen wil voorleggen (rov. 5.21), welke deskundigen het wil benoemen (rov. 5.23), wat het voorschot op de kosten van de deskundigen is (rov. 5.24) en dat partijen ieder de helft van dat voorschot voor hun rekening dienen te nemen (rov. 5.26). Omdat partijen hadden aangeven niet zonder meer in te stemmen met de hoogte van het voorschot, heeft het hof partijen de gelegenheid geboden om (bij voorkeur eensluidend) een alternatief voor te stellen. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van die gelegenheid, zodat het hof alsnog een deskundigenbericht zal gelasten overeenkomstig wat in het tussenarrest van 16 juli 2019 is overwogen.

3
De beslissing

Het gerechtshof, voordat het verder beslist:

benoemt tot deskundigen [B] , p/a EBMC Nederland, Stern 4, 1721DB Broek op Langedijk (tel. [00000] , e-mail Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.) en ing. [C] , p/a abtWassenaar, postbus 24, 9751SL Haren (tel. [00001] , e-mail [C] @abtwassenaar.nl),
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de volgende vragen:
a. Kunt u aangeven wat in 2011/2012 de algehele bouwkundige toestand van de boerderij was?
b. Voldeed de boerderij in 2011/2012 aan het destijds geldende Bouwbesluit?
c. Kon de verbouwing waarvoor in 2011/2012 een vergunning werd aangevraagd (en verkregen), plan A, toen worden uitgevoerd op basis van de destijds aanwezige constructie?
d. Indien u vraag c ontkennend beantwoordt:
Welke aanpassingen aan de constructie waren in 2011/2012 nodig om plan A uit te kunnen voeren in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en welke kosten waren daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)?
e. Kon plan A in 2015 worden uitgevoerd in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015?
f. Indien u vraag e ontkennend beantwoordt:
Welke aanpassingen aan de constructie waren in 2015 nodig om plan A uit te kunnen voeren in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015?
Welke kosten waren daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)?
g. Indien u de vragen c en e ontkennend beantwoordt:
Welke van de door u bij uw antwoord op vraag f vermelde maatregelen betreffen ten opzichte van het in 2011geldende Bouwbesluit aanvullende maatregelen om ook aan het in 2015 geldende Bouwbesluit en aan de NPR 9998:2015 te voldoen en welke kosten zijn daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)?
Toelichting: deze vraag betreft dus de aanvullende maatregelen ten opzichte van 2011 om aan het Bouwbesluit 2015 te voldoen, dus de maatregelen die niet voorkomen onder d, maar wel onder f.
h. Hoe beoordeelt u in het licht van uw antwoord op de vragen e en f de in plan B genomen maatregelen? Waren deze maatregelen nodig om te kunnen bouwen in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015?
i. Indien u het tweede deel van vraag h bevestigend beantwoordt:
Welke kosten waren in 2015 in redelijkheid met deze maatregelen gemoeid en hoe verhouden deze kosten zich tot het in de offerte van Bouwbedrijf Boelens van 28 februari 2015 (productie 13 inleidende dagvaarding) als stelpost opgenomen bedrag van € 105.255,- exclusief btw?
j. Welke in plan C genomen maatregelen/voorzieningen zijn het gevolg van toepassing van de NPR 9998:2018, in die zin dat de maatregelen/voorzieningen niet getroffen zouden hoeven zijn/worden, indien de NPR 9998:2018 niet van toepassing zou zijn geweest?
En, welke kosten zijn met deze maatregelen gemoeid?
k. Welke wijzigingen heeft plan C ten opzichte van plan A?
l. Welke van deze wijzigingen zijn niet het gevolg van, of hangen niet samen met, de wijziging van de constructie vanwege de toepasselijkheid van enerzijds het in 2018 geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2018 en anderzijds het in 2011/2012 geldende Bouwbesluit?
m. Zijn de in uw antwoord op vraag l vermelde wijzigingen een verbetering ten opzichte van plan A en, zo ja, waarom?
n. Wilt u, per wijziging, aangeven welke kosten daarmee zijn gemoeid?
o. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?

bepaalt dat [appellant] aan de deskundigen het volledige procesdossier ter inzage zal geven en beveelt partijen aan de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken;

bepaalt dat de deskundigen op de voet van het bepaalde in artikel 198 Rv bij hun onderzoek partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat zij daarvan in hun rapport melding dienen te maken waarbij van de inhoud van de gemaakte opmerkingen en gedane verzoeken moet blijken;

bepaalt dat de deskundigen hun concept-rapport aan (de advocaten van) partijen zullen sturen, aan hen een redelijke termijn zullen stellen om op het concept-rapport te reageren en in het definitieve rapport zullen ingaan op de eventuele reacties van partijen op het concept-rapport;

bepaalt dat de deskundigen het door hen uit te brengen rapport (ondertekend en met redenen omkleed) ter griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA te Leeuwarden) zullen indienen vóór 21 januari 2020;

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek pas zullen beginnen nadat door beide partijen bij wege van voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van elk € 40.000,- inclusief BTW ter griffie van het hof zal zijn gedeponeerd conform de nota met betaalinstructies die partijen hiertoe zullen ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak en de griffie aan de deskundige heeft bericht dat het voorschot is voldaan;

bepaalt dat het onderzoek door de deskundigen zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. H. de Hek, en dat de deskundigen zich voor vragen en/of opmerkingen betreffende het onderzoek zullen kunnen wenden tot de raadsheer-commissaris;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest naar de deskundigen zal verzenden;

bepaalt dat de zaak zal worden verwezen naar de roldatum van dinsdag 3 maart 2010 voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [appellant] ;

houdt iedere verdere beslissing aan. ECLI:NL:GHARL:2019:8773

Deze website maakt gebruik van cookies