Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 230726 fietser valt door loslopende hond; tegenverzoek t.z.v. ES vergt nadere bewijslevering, past niet in deelgeschil; voorschot € 15.000 afgewezen vanwege onduidelijke ES

RBMNE 230726 bezitter loslopende hond aansprakelijk t.o.v. fietser die t.g.v. plotseling oversteken hond op bospad hard remt en valt
- tegenverzoek t.z.v. ES vergt nadere bewijslevering, past niet in deelgeschil; voorschot € 15.000 afgewezen vanwege onduidelijke ES
-verzocht 23,6 uur x € 265 + 21%; toegewezen 13 uur x € 220 (advocaat-stagiaire, beëdigd 2023) + 21% = € 3.460,60

2De kern van de zaak

2.1

Op 19 augustus 2025 fietste [verzoeker] op een fietspad in het bos. [verweerder] liep daar ook met haar niet-aangelijnde hond. De hond is op enig moment het fietspad overgestoken. Volgens [verzoeker] is hij door het plotselinge oversteken van de hond geschrokken, waardoor hij hard heeft moeten remmen en ten val is gekomen. Hierdoor heeft [verzoeker] letsel opgelopen. In dit deelgeschil vraagt [verzoeker] om een verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en om een voorschot op de schadevergoeding van € 15.000. [verweerder] is het daar niet mee eens. Zij vindt dat ze niet aansprakelijk is voor het ongeval en dat [verzoeker] hieraan eigen schuld heeft. Zij stelt een tegenverzoek in met die strekking. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen, evenals de kosten voor dit deelgeschil.

Het verzochte voorschot op de schade wordt afgewezen. Ook het tegenverzoek wordt afgewezen. Deze beslissingen worden hieronder uitgelegd.

3De beoordeling

De zaak leent zich voor behandeling in deelgeschil

3.1

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Beoordeeld moet worden of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel en of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.

3.2

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

3.3

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of [verweerder] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade en of er sprake is van eigen schuld van [verzoeker] . Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

[verweerder] is aansprakelijk voor de schade van [verzoeker]

3.4

[verzoeker] baseert zijn verzoek primair op artikel 6:179 BW, waarin de risicoaansprakelijkheid voor dieren is geregeld. Op grond van dit artikel is de bezitter van een dier aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid zou hebben ontbroken als hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. De grondslag van deze aansprakelijkheid ligt in het gevaar dat in de eigen energie van het dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen.

3.5

[verzoeker] heeft gesteld dat de niet-aangelijnde hond van [verweerder] is overgestoken over het fietspad op het moment dat [verzoeker] daar fietste, dat hij daardoor hard heeft moeten remmen en dat dit direct heeft geleid tot zijn val en de daaruit voortvloeiende schade. Volgens [verweerder] was het een overzichtelijk kruispunt, zagen partijen elkaar naderen, kwam [verzoeker] onbesuisd aanfietsen waardoor hij [verweerder] en de hond klaarblijkelijk over het hoofd heeft gezien en was de hond al lang doorgerend en dus niet ter plaatse toen [verzoeker] ten val kwam. Hoewel de verklaring van [verweerder] dus afwijkt van de verklaring van [verzoeker] , heeft Vam Dam de toedracht, zoals [verzoeker] die voorstelt, voorafgaand aan de procedure wel bevestigd. Dat blijkt namelijk uit de Whatsapp-berichten van partijen op 15 september 2025 (productie 3 bij het verzoekschrift). [verzoeker] heeft in zijn Whatsapp-bericht omschreven wat volgens hem de toedracht van het ongeval is, namelijk: “Wil je mij onderstaande bevestigen? Wij hebben elkaar ongelukkig getroffen op 19 augustus rond 11:30 uur in het bosgebied Nimmerdoor. Ik fietste op het fietspad (de Buurtweg) jij liep met je hond op een bospad, de hond liep los wat hier ook is toegestaan. De hond rende vanuit het bospad op het fietspad, waardoor ik plots moest remmen en hard viel. Je hebt netjes jouw telefoonnummer gegeven en ben weer verder gegaan.”.

[verweerder] heeft hier in haar Whatsapp-bericht bevestigend op gereageerd door te schrijven: “Klopt”.

3.6

Deze toedracht wordt later ook nog (deels) bevestigd door de raadsman van [verweerder] in het e-mailbericht van 30 oktober 2025, waarin de aansprakelijkheid wordt afgewezen (productie 5 bij het verzoekschrift). De raadsman schrijft in de brief namelijk het volgende: “Cliënt wandelde met haar hond toen uw cliënt met hoge snelheid een overzichtelijke kruising naderde. De hond van cliënte kruiste het fietspad en uw cliënt fietste met een dusdanige hoge snelheid dat hij klaarblijkelijk schrok van de hond en eigener beweging te val is gekomen. De hond en uw cliënt hebben elkaar niet geraakt.” Dit ondersteunt de toedracht zoals [verzoeker] die heeft voorgesteld. Deze e-mail bevat namelijk dezelfde elementen als de verklaring van [verzoeker] in zijn Whatsapp-bericht: de hond van [verweerder] heeft het fietspad gekruist, [verzoeker] is daarvan geschrokken, heeft geremd en is ten val gekomen. Aannemelijk is dat de stellingname van de raadsman in het e-mailbericht is gebaseerd op informatie van [verweerder] .

3.7

Daarom is het voldoende komen vast staan dat [verzoeker] op een fietspad in het bos Nimmerdor heeft gefietst en dat de hond van [verweerder] , korte voordat [verzoeker] passeerde, het fietspad is overgestoken. Om die reden heeft [verzoeker] (hard) moeten remmen als gevolg waarvan hij ten val is gekomen. De eigen, onberekenbare gedraging van de hond, namelijk het plotselinge oversteken van het fietspad, heeft direct geleid tot de val van [verzoeker] . [verweerder] , als eigenaar van de hond, draagt hiervan het risico. Dat er geen daadwerkelijk contact is geweest tussen [verzoeker] en de hond doet daaraan niets af.

3.8

Volgens [verweerder] is de exacte toedracht van het ongeval niet vast komen te staan en zijn er op dit moment onvoldoende feiten die ertoe zouden kunnen leiden dat sprake is van aansprakelijkheid aan haar zijde. Zij vindt dat nadere bewijslevering nodig is en dat een deelgeschilprocedure daarvoor niet de geschikte procedure is. [verzoeker] heeft hier verweer tegen gevoerd. De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van vaste rechtspraak is het in een deelgeschilprocedure niet noodzakelijk dat duidelijk wordt wat de exacte plaats van het ongeval is, de snelheid waarmee [verzoeker] fietste en de staat van (de remmen van) de fiets van [verzoeker] . De kerngegevens die hiervoor zijn vastgesteld, namelijk dat de hond van [verweerder] is overgestoken waardoor [verzoeker] is geschrokken en ten val is gekomen, kunnen de conclusie dragen dat sprake is van risicoaansprakelijkheid van [verweerder] op grond van artikel 6:179 BW. Aangezien [verweerder] aansprakelijk is, is zij gehouden de schade van [verzoeker] te vergoeden. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht wordt dan ook toegewezen.

Het beroep op eigen schuld kan in dit deelgeschil niet worden beoordeeld en het verzoek om een voorschot wordt afgewezen

3.9

Het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerder] (haar schadevergoedingsplicht vervalt geheel of gedeeltelijk wegens eigen schuld van [verzoeker] ) wordt gemotiveerd door [verzoeker] betwist.

3.10

De rechtbank constateert dat partijen op dit punt diametraal tegenover elkaar staan. Volgens [verweerder] is [verzoeker] van zijn fiets gevallen door zijn eigen onoplettendheid, doordat hij te hard heeft gereden, door een stuurfout, door de staat van de (remmen van de) fiets of een combinatie van deze factoren. Deze (niet onderbouwde) stellingen van [verweerder] worden voldoende gemotiveerd weersproken door [verzoeker] . Naar zijn mening is het ongeval namelijk uitsluitend te wijten aan de eigen energie van de hond. Voor het beroep op eigen schuld is gelet op deze tegenstrijdige standpunten nadere bewijslevering nodig. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Dergelijke bewijslevering verdraagt zich namelijk niet met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt moet zijn.

3.11

Tegen deze achtergrond wordt het tegenverzoek van [verweerder] afgewezen. Wel geeft de rechtbank partijen mee dat zij in het verdere onderhandelingstraject kunnen proberen (ook) op dit punt overeenstemming te bereiken of, zo nodig, daarover te procederen in een bodemprocedure, waarin wel ruimte is voor nadere bewijslevering.

3.12

Nu op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] en, zo ja, in welke mate, is het niet aangewezen om op voorhand al een voorschot op de door [verzoeker] geleden schade vast te stellen en [verweerder] te veroordelen tot betaling daarvan. Om die reden wordt het door [verzoeker] verzochte voorschot op de schade van € 15.000,- afgewezen.

De kosten van dit deelgeschil worden begroot

3.13

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

3.14

[verzoeker] maakt aanspraak op € 7.567,34 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. [verzoeker] is hierbij uitgegaan van een uurtarief van € 265,- exclusief btw en een tijdsbesteding van in totaal 15,6 uren tot en met het verzoekschrift, te vermeerderen met 8 uur voor alle werkzaamheden die nadien zijn uitgevoerd.

3.15

[verweerder] voert aan dat het uurtarief van mr. Koopman te hoog is. Volgens [verweerder] is een uuratief van € 180,- exclusief btw passend voor mr. Koopman, omdat zij op 25 augustus 2023 is beëdigd als advocaat en dus nog advocaat-stagiaire is. Daarnaast voert [verweerder] aan dat het aantal bestede uren bovenmatig is, omdat het slechts een eenvoudig deelgeschil betreft.

3.16

De rechtbank is van oordeel dat een uurtarief van € 220,- exclusief btw in dit geval redelijk is gelet op de ervaring van mr. Koopman. Gezien de aard van het deelgeschil en de relatief geringe complexiteit ervan vindt de rechtbank het aantal uren dat aan dit deelgeschil is besteed te hoog. De rechtbank zal het aantal uren daarom matigen tot 13 uur. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 13 uren × € 220,- exclusief btw, dus op € 3.460,60 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 1.414,-. [verweerder] zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld. Rechtbank Midden-Nederland 23 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5103