Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 220519 geen aansprakelijkheid voor psychiater vanwege nalaten onderzoek naar schildklierfunctie bij voorschrijven haloperidol (Haldol)

RBROT 220519 geen aansprakelijkheid voor psychiater vanwege nalaten onderzoek naar schildklierfunctie bij voorschrijven haloperidol (Haldol)  

2 De feiten
2.1.
[eiseres] is vanaf oktober 1998 tot augustus 2007 onder behandeling geweest bij Yulius (voorheen De Grote Rivieren en daarvoor Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG) Dordrecht). Er was sprake van een geneeskundige behandelovereenkomst tussen partijen.

2.2.
Haar toenmalige huisarts heeft [eiseres] door middel van een aanmeldingsformulier met de datum 5 november 1998 bij Yulius aangemeld. Dit aanmeldingsformulier vermeldt – voor zover hier van belang – :

“[…]

Aard van de klachten: Psychische decompensatie (angsten, woede, agressie) na beëindigen huwelijk. […]

Voorlopige diagnose: reactieve depressie met angsten.

Geschiedenis van de klachten en eventuele informatie, zoals de achtergrond van het gezin, die u van belang acht:

[eiseres] heeft in crisissituatie op 17/10/98 contact gehad met […] psychiater RIAGG

[…]

Is er medisch onderzoek verricht in verband met de huidige klachten: neen

[…]”

2.3.
In het verslag van screening en intake van Yulius d.d. 15 december 1998 is – voor zover hier van belang – ingevuld:

op de pagina met het opschrift ‘KLACHTEN EN PROBLEMEN’:

“Is recent ingeklapt

 Huilbuien: - intensief niet opluchtend

- kan niet stoppen

Boosheid: liefde voor partner

maar boosheid op zijn gedrag

machteloze gevoelens

[…]

Somatiek: Vermoeid bij periodes

Dagschommeling –

Misselijkheid ±

Rugklachten  (Vroeger Hernia gehad)

Vitaliteit: Huishouden gb

Vrij actief

Initiatief +, wel wat geforceerd

en op de pagina met het opschrift ‘SOMATISCHE CONTEXT’:

“Verder somatiek: gb

Vroeger: […]

Hernia +

Medicatie –

[…]”

2.4.
In december 1998 is door de behandelend psychiater geconcludeerd dat er bij [eiseres] sprake was van een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken en forse relatieproblematiek. Zij is in psychotherapie gegaan bij een psycholoog van Yulius.

2.5.
In het verslag van een psychodiagnostich testonderzoek van 18 juni 2002 is geconcludeerd dat bij [eiseres] sprake is van kwetsbaarheid en ik-zwakte in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met schizotypische trekken.

2.6.
In de periode van 2001 tot 2008 is aan [eiseres] antipsychotica als Haldol (haloperidol) en antidepressiva voorgeschreven. De medicatie is voorgeschreven door psychiater Goedhart van Yulius. De laatste controleafspraak bij psychiater Goedhart heeft in augustus 2007 plaatsgevonden. [eiseres] gebruikte toen geen Haldol meer. Het dossier is in november 2008 administratief gesloten.

2.7.
TSH is de afkorting van thyroid (schildklier) stimulerend hormoon en de waarde daarvan ligt normaliter tussen 0,4 en 4 mU/l. Een verhoogde TSH-waarde duidt op een te langzaam werkende schildklier (hypotheroïde).

2.8.
In februari 1997 wees bloedonderzoek uit dat de TSH-waarde in het bloed van [eiseres] 4,5 mU/l bedroeg. In februari 2006 bedroeg deze waarde 11 mU/l. Beide bloedonderzoeken werden uitgevoerd op verzoek van de huisarts van [eiseres] en de daaruit gebleken TSH-waarden waren in de behandelperiode niet bij [eiseres] en Yulius bekend.

2.9.
Bij een op verzoek van de huisarts van [eiseres] op 30 augustus 2010 uitgevoerd bloedonderzoek is een TSH-waarde van 108 mU/l vastgesteld. Na deze uitslag is bij [eiseres] de diagnose hypotheroïde gesteld en is behandeling met het middel Thyrax gestart. In oktober 2011 is bij haar de ziekte van Hashimoto gediagnosticeerd. Deze ziekte duidt op een weinig actieve schildklier met opflakkeringen van een overactieve schildklier.

2.10.
R. Westerweel, medisch adviseur, heeft bij brief van 10 juli 2012 aan de toenmalig advocaat van [eiseres] – voor zover hier van belang – medegedeeld:

“[…]

U zond de bijsluiter van de [bedrijf] bij haloperidol waarin gesteld wordt dat behandeling met haloperidol alleen mag plaatsvinden als de schildklierfunctie gelijktijdig goed gecontroleerd wordt. Bijgaand treft u de officiële tekst van het College voor Zorgverzekeringen over haloperidol aan, waarin dat niet staat vermeld. Tevens sluit ik de officiële bijsluiter van Centrafarm van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen in, waarin duidelijk wordt waarom geadviseerd wordt om de schildklierfunctie bij het voorschrijven van haloperidol te controleren. Onder 4.4 staat, dat het schildklierhormoon thyroxine de toxiciteit van haloperidol kan verhogen. Om die reden dient haloperidol met de nodige voorzichtigheid aan patiënten met een te hard werkende schildklier te worden toegediend. Een behandeling met anti-psychotica moet altijd vergezeld gaan met een adequate behandeling met schildklierremmende middelen, wanneer de schildklier te hard werkt.

[…]

Men had dus bij het voor het eerst voorschrijven van de haloperidol moeten controleren.

[…]”

2.11.
De bijsluiter van het middel haloperidol van de [bedrijf] – voor zover hier van belang – vermeldt:

“[…]

Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een te sterk werkende schildklier. De behandeling met haloperidol mag alleen plaatsvinden als de schildklierfunctie gelijktijdig goed gecontroleerd wordt.

[…]”

2.12.
[eiseres] heeft bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag (verder: het Regionaal Tuchtcollege) een klacht tegen psychiater Goedhart. Deze klacht is bij uitspraak van 10 november 2015 niet ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op de periode vóór oktober 2004 en is voor het overige afgewezen. In die uitspraak heeft het Regionaal Tuchtcollege – voor zover hier van belang – overwogen:

“[…]

Het College stelt vast dat uit niets blijkt dat ten tijde van de behandeling door verweerder er aanwijzingen waren op grond waarvan hij onderzoek had moeten doen naar het functioneren van de schildklier bij klaagster. […]

Het College verwijst hier ook naar het Farmacotherapeutisch Kompas betreffende het medicijn Haloperidol. Hierin wordt vermeld: ‘Bij hyperthyroïdie dient antipsychotische behandeling altijd vergezeld te gaan van een adequate behandeling met thyreostatica’. Dit betekent dat alleen bij mensen die last hebben van een te snel werkende schildklier, er een plicht of reden bestaat tot het doen van een bloedonderzoek.

[…]

Het College heeft vastgesteld dat zowel op het aanmeldingsformulier van klaagster bij Yulius door de huisarts (…) als in het verslag van screening en intake (…) geen somatische bijzonderheden/klachten worden genoemd, die bij een te snel of te traag werkende schildklier zouden kunnen passen. Zoals eerder besproken, is het College van oordeel dat er ook tijdens de behandelperiode door verweerder geen aanwijzingen waren die wezen op een mogelijk schildklierprobleem.

Het College is het dan ook met verweerder eens dat er voor hem geen aanleiding bestond om contact op te nemen met de huisarts van klaagster. Het is daarnaast ook zeker niet gebruikelijk dat er door een psychiater standaard contact wordt opgenomen met de huisarts om de somatische voorgeschiedenis van een cliënt te achterhalen, daar bij een doorverwijzing eventuele somatische bijzonderheden door de huisarts worden meegedeeld.

[…]”

2.13.
Het door [eiseres] ingestelde beroep tegen de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege is bij uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag van 8 december 2016 verworpen. Het Centraal Tuchtcollege heeft daarbij – voor zover hier van belang – overwogen:

“De psychiater voert terecht aan dat er in 2007 geen aanwijzingen waren die hem ertoe hadden moeten brengen onderzoek naar de schildklier te doen en dat hij heeft gehandeld in overeenstemming met de toen geldende standaard; hij zag stemmingsproblematiek en psychotische overschrijdingen, maar er waren geen aanwijzingen voor een somatische oorzaak. Het argument van klaagster dat de psychiater bloedonderzoek had moeten doen gaat niet op, omdat daarvoor om dezelfde reden geen aanleiding bestond. De psychiater heeft dan ook geen verkeerde diagnose gesteld en heeft voldoende beargumenteerd haloperidol kunnen voorschrijven; er was ook geen indicatie om bij het gebruik van haloperidol de schildklierfunctie te controleren. […]”

3 Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. primair:

te verklaren voor recht dat Yulius toerekenbaar tekort geschoten is in de uitvoering van de behandelovereenkomst, zoals gesloten tussen partijen;

subsidiair:

te verklaren voor recht dat Yulius een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiseres] ;

Yulius te veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling ad € 97.000 plus PM, althans een door de rechtbank te bepalen voorschot, althans zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te verhogen met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en de buitengerechtelijke kosten, zoals gespecificeerd in randnummer 80 van de dagvaarding, althans zodanige bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren en zonodig [eiseres] toe te staan haar schade nader te doen opmaken bij schadestaatprocedure;

Yulius te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat haar door de hulpverleners van Yulius niet de zorg is verleend die van een redelijk bekwaam arts, psychiater, psycholoog mag worden verwacht en dat Yulius aldus tekort is geschoten in de uitvoering van de behandelovereenkomst, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij verwijt Yulius – samengevat – dat:

is nagelaten om haar lichamelijk te onderzoeken en met een bloedonderzoek het bestaan van schildklierproblemen uit te sluiten voordat met een behandeling werd gestart,

is nagelaten om door middel van een bloedonderzoek haar schildklierfunctie te controleren voordat voor de eerste keer aan haar Haldol (haloperidol) werd voorgeschreven,

een onjuiste diagnose is gesteld.

Hierdoor, zo stelt [eiseres] – samengevat – :

- is haar schildklierafwijking pas in 2010 ontdekt;

- heeft zij ten onrechte gedurende bijna 7 jaren in ernstige mate in haar levensgeluk ingrijpende medicijnen moeten innemen;

- heeft zij in 2004 haar baan verloren;

- was zij medio 2008 genoodzaakt om te verhuizen;

- heeft zij schade geleden in de vorm van immateriële schade, inkomensderving, pensioenschade en verhuiskosten van in totaal € 97.000 plus PM.

3.3.
Yulius concludeert tot afwijzing van alle vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente. Zij betwist dat er beroepsfouten zijn gemaakt en voert daartoe aan dat er geen verplichting of aanleiding bestond om tot een bloedonderzoek over te gaan. Tevens betwist Yulius de gestelde schade.

4 De beoordeling
4.1.
De onder 3.2 vermelde verwijten van [eiseres] zijn gegrond op artikel 7:453 BW. Ingevolge dit wetsartikel moet de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Dit houdt in dat een hulpverlener zorgvuldig volgens de inzichten van de medische wetenschap en ervaring dient te handelen als een redelijk bekwaam vakgenoot van gelijke medische categorie in gelijke omstandigheden met middelen die in redelijke verhouding staan tot het concrete behandelingsdoel. Het gaat er niet om wat, achteraf bezien, misschien ook had gekund en wellicht zelfs beter was geweest.

4.2.
De hoofdregel van artikel 150 Rv brengt mee dat [eiseres] voldoende concrete feiten dient te stellen waaruit de door haar gestelde schendingen van voormelde norm volgt en dat zij bij voldoende betwisting die feiten dient te bewijzen. Hetzelfde geldt voor het verband tussen die normschendingen en de door [eiseres] gestelde schade.

4.3.
De strekking van voormelde norm brengt mee dat bij de beantwoording van de vraag of deze is geschonden groot gewicht toekomt aan protocollen en richtlijnen die in de betreffende medische categorie plegen te worden gehanteerd en hetgeen in die medische categorie gebruikelijk is. Vast staat dat in dit geval de Richtlijn psychiatrisch onderzoek bij volwassenen van de Commissie Kwaliteitszorg van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (verder: de Richtlijn psychiatrisch onderzoek) daartoe behoort. Dat dit ook geldt voor de overige informatie waarop [eiseres] een beroep doet en door haar van internet is verzameld, het informatieboekje van de Schildklierstichting Nederland daaronder begrepen, is echter niet komen vast te staan. Immers, dat is niet door [eiseres] gesteld en is ook geen feit van algemene bekendheid.

4.4.
[eiseres] baseert haar stelling dat zij lichamelijk onderzocht had dienen te worden en dat daarbij met een bloedonderzoek het bestaan van schildklierproblemen uitgesloten had moeten worden voordat met een behandeling werd gestart op paragraaf 3.6 van de Richtlijn psychiatrisch onderzoek. Deze paragraaf – voor zover hier van belang – luidt:

“De psychiater dient geïnformeerd te zijn over de lichamelijke gezondheidstoestand van de patiënt. Ook dient de psychiater na te gaan of er lichamelijke afwijkingen zijn die in (causaal) verband kunnen staan met de psychiatrische verschijnselen.

[…]”

4.5.
Het aanmeldingsformulier van de huisarts van [eiseres] vermeldt niets over een mogelijke schildklierafwijking. De verhoogde TSH-waarden in 1997 en 2006 waren in de behandelperiode niet bij [eiseres] en Yulius bekend en leveren daarom op zichzelf geen feit op waarmee door Yulius rekening moest worden gehouden. Verder blijkt uit het verslag van screening en intake van Yulius dat bij de intake van [eiseres] naar haar lichamelijke gezondheidstoestand is geïnformeerd en dat deze met haar is besproken.

4.6.
Dat de huisarts, zoals Yulius aanvoert, bij de aanmelding relevante medische informatie die op dat moment aanwezig is dient te melden en medische informatie die hij in een later stadium verkrijgt die voor de psychiater relevant kan zijn aan hem dient door te geven, vindt (ten dele) steun in de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege. [eiseres] heeft geen concrete feiten gesteld die dat weerleggen. Haar stelling dat (de hulpverleners van) Yulius uit zichzelf bij de huisarts van [eiseres] medische informatie over haar had(den) moeten opvragen kan daarom niet worden gevolgd. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat de verplichting van een psychiater om geïnformeerd te zijn over de lichamelijke gezondheidstoestand van zijn patiënt inhoudt dat een psychiater ook een bloedonderzoek laat verrichten om een schildklierafwijking uit te sluiten indien daarvoor geen concrete aanwijzingen zijn. Ook dat is door Yulius betwist en door [eiseres] niet van een deugdelijke onderbouwing voorzien.

4.7.
[eiseres] stelt dat zij tijdens de intake en diverse malen daarna tijdens de behandeling fysieke klachten heeft geuit als vermeld onder punt 18 van de dagvaarding en dat de psychiater vanwege deze klachten bedacht had moeten zijn op een lichamelijke oorzaak voor de psychische symptomen, in het bijzonder op een schildklierafwijking. Onder punt 18 van de dagvaarding zijn de volgende psychische en lichamelijke klachten vermeld: depressiviteit, koude intolerantie, moeheid, spierzwakte, constipatie, concentratiestoornissen, gebrek aan nachtrust, hartklachten, trillen, temperatuurafwijkingen, opgezwollen handen en voeten, gezicht en oogleden, angstgevoelens, paniekaanvallen, psychische problemen, stemmingswisselingen, huilen zonder reden, boos zonder reden, gewichtstoename, spierpijn, gewrichtspijnen, pijn in de pezen en hoofdpijn en verlies van libido.

Yulius betwist dat de gestelde geuite fysieke klachten aanleiding hadden moeten zijn om onderzoek te laten verrichten naar een schildklierafwijking en voert daartoe aan dat die klachten passen bij psychische stoornissen en ook diverse overige aandoeningen.

De rechtbank volgt het standpunt van Yulius. De klachten passen namelijk bij diverse psychische en overige aandoeningen. Uit de door [eiseres] verzamelde en overgelegde informatie kan niet worden afgeleid dat een redelijk bekwaam psychiater in gelijke omstandigheden op basis van (één of meer van) die gestelde fysieke klachten onderzoek zou hebben laten verrichten naar een schildklierafwijking, en een rapport van een medisch deskundige die dit standpunt onderbouwt, ontbreekt. Daarbij wordt overwogen dat ook in het advies van medisch adviseur Westerweel uit 2012 en de brief van internist-endocrinoloog Ouwerkerk uit 2013 waarnaar [eiseres] verwijst geen aanwijzing is te vinden voor een door Yulius gemaakte fout. In die stukken wordt onder meer de medische geschiedenis van [eiseres] met betrekking tot haar schildklierafwijking beschreven en uitleg gegeven over die afwijking aan de hand van de beschikbare informatie achteraf, waaronder de bloeduitslag van februari 2006 die destijds niet bij [eiseres] en Yulius bekend was.

Gezien het voorgaande is niet komen vast te staan dat de gestelde geuite fysieke klachten aanleiding hadden moeten zijn om onderzoek te laten verrichten naar een schildklierafwijking. Aan het door [eiseres] aangeboden bewijs van haar stelling dat zij bij de intake en diverse malen daarna fysieke klachten heeft geuit die passen bij een te snel en een te langzaam werkende schildklier, wordt dan ook, bij gebrek aan belang, niet toegekomen.

4.8.
Op grond van het vorenstaande komt evenmin vast te staan dat de norm in paragraaf 3.6 van de Richtlijn psychiatrisch onderzoek bij volwassenen van de Commissie Kwaliteitszorg van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie door (de hulpverleners van) Yulius is geschonden.

4.9.
Dat, zoals Yulius aanvoert, alleen bij patiënten die een te hard werkende schildklier hebben of bij wie aanwijzingen daarvoor bestaan bij het voorschrijven van haloperidol bloedonderzoek moet worden gedaan om de schildklierfunctie te controleren, vindt steun in de uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege. Van [eiseres] mocht daarom worden verwacht dat zij zou onderbouwen dat volgens in de psychiatrie geldende protocollen of richtlijnen, althans hetgeen in de psychiatrie gebruikelijk is ook bij andere patiënten bij het voorschrijven van dit middel bloedonderzoek wordt gedaan om de schildklierfunctie te controleren. Bij gebrek daaraan kan uit de passage in de bijsluiter van haloperidol van de [bedrijf] (zie r.o. 2.11), waarop [eiseres] zich – in navolging van haar medisch adviseur Westerweel – beroept, niet worden afgeleid dat bij het voorschrijven van haloperidol altijd eerst een bloedonderzoek moet worden gedaan om de schildklierfunctie te controleren. Die stelling van [eiseres] kan daarom niet worden gevolgd.

4.10.
Op de stelling van [eiseres] dat zij vanaf haar 30e levensjaar hepatitis B heeft en dat dit alleen al een reden had moeten zijn om een nader onderzoek te doen alvorens haar Haloperidol voor te schrijven behoeft, bij gebrek aan belang, niet inhoudelijk te worden ingegaan. Immers, niet gesteld is dat de hepatitis B bij (de hulpverleners van) Yulius bekend was of behoorde te zijn. Evenmin gesteld is dat het tot een onderzoek naar de schildklierfunctie van [eiseres] had dienen te leiden. Deze stelling vormt dan ook geen grondslag voor de vorderingen.

4.11.
[eiseres] stelt dat zij in het geheel geen psychische/psychiatrische klachten heeft gehad, anders dan spanningsklachten in 1998. De rechtbank begrijpt dat in de beleving van [eiseres] al haar klachten, met uitzondering van die spanningsklachten, achteraf door haar schildklierafwijking kunnen worden verklaard. Indien dit al juist zou zijn, dan is dat echter niet voldoende. De vraag die beantwoord moet worden is of een redelijk bekwaam vakgenoot van gelijke medische categorie in gelijke omstandigheden met middelen die in redelijke verhouding staan tot het concrete behandelingsdoel tot de diagnose zou zijn gekomen dat de klachten van [eiseres] het gevolg waren van een schildklierafwijking, althans dat geen sprake was van psychische/psychiatrische klachten. De schendingen van de geldende professionele standaard die [eiseres] daarvoor stelt zijn gelijk aan de onder 3.2 sub i en ii vermelde verwijten. Omdat op grond van het voorafgaande de gegrondheid van die verwijten niet komt vast te staan, komt evenmin vast te staan dat de door de psychiater(s) van Yulius bij het stellen van hun diagnose niet is gehandeld als mocht worden verwacht van een redelijk bekwaam vakgenoot van gelijke medische categorie in gelijke omstandigheden. Dit betekent dat de juistheid van die diagnose, bij gebrek aan belang, in het midden kan blijven. Slechts ten overvloede wordt daarom overwogen dat de door [eiseres] gestelde onjuistheid van de diagnose niet adequaat is onderbouwd nu door haar geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat die stelling door een medisch deskundige – na kennisname van het medisch dossier van [eiseres] en de verslaglegging van Yulius – wordt onderschreven.

4.12.
Het vorenstaande leidt tot afwijzingen van de vorderingen.

4.13.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Yulius worden begroot op:

- griffierecht € 1.950,00

- salaris advocaat € 1.788,00 ( 2 punten x tarief IV ad € 894,00 per punt)

totaal € 3.738,00.ECLI:NL:RBROT:2019:4047