Zoeken

Inloggen

Artikelen

PHR 010219 conclusie t.z.v. handelen staat bij val enclave Srebrenica

PHR 010219 conclusie t.z.v. handelen staat bij val enclave Srebrenica 

Inleiding

1.1
Opnieuw wordt de Hoge Raad gevraagd te oordelen in een procedure waarin de dramatische gebeurtenissen naar aanleiding van de val van de enclave Srebrenica op 11 juli 1995 centraal staan. In 2012 kreeg Uw Raad te oordelen over de vraag of de Verenigde Naties (VN) zich konden beroepen op immuniteit van jurisdictie in de procedure die de Stichting c.s. tegen de Staat en de VN hadden aangespannen. De Hoge Raad oordeelde dat aan de VN immuniteit van jurisdictie toekwam.1 In de procedure die de Stichting c.s. vervolgens bij het EHRM aanhangig heeft gemaakt, werd geoordeeld dat van schending van art. 6 EVRM geen sprake was bij toekenning van immuniteit van jurisdictie aan de VN.2 De procedure die door de Stichting c.s. was aangespannen, is vervolgens tegen de Staat voortgezet en heeft uiteindelijk geleid tot het arrest van het hof Den Haag van 17 november 2017, dat thans in cassatie wordt bestreden.3 In 2013 heeft Uw Raad in twee (vrijwel gelijkluidende) arresten in de zaken [A] en [B] geoordeeld over de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [A] en familieleden van [B] op 13 juli 1995 weg te sturen van de compound van het Nederlandse bataljon van de Luchtmobiele Brigade (hierna: Dutchbat), waarop zij op dat moment verbleven. Dit handelen werd onrechtmatig geoordeeld vanwege de wetenschap die Dutchbat inmiddels op 13 juli 1995 bezat over de risico’s waaraan de betrokkenen zouden worden blootgesteld. Deze twee arresten van de Hoge Raad zijn ook voor de zaak die thans in cassatie aan de orde is, van groot belang.4

1.2
De onderhavige zaak heeft betrekking, kort samengevat, op de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting c.s. bij de evacuatie van meer dan 300 moslimmannen die na de val van de enclave Srebrenica op 11 juli 1995 hun toevlucht hadden gezocht tot een mini safe area bestaande uit de compound van Dutchbat te Potočari en een nabijgelegen gebied met voertuighallen. In ieder geval 25.000 vluchtelingen, waarvan ongeveer 5000 zich in de voertuighallen bevonden, hebben hun toevlucht gezocht tot de mini safe area alwaar de omstandigheden erbarmelijk waren. Op 12 juli 1995 arriveerden op instructie van de Bosnische Serven bussen en vrachtwagens om de vluchtelingen te evacueren. Dutchbat heeft de gang van de vluchtelingen begeleid door de vorming van een soort van ‘sluis’ bestaande uit voertuigen, een menselijke keten van Dutchbatters en een lint. Deze evacuatie is in de avond van 12 juli gestaakt, de volgende dag hervat en in de avond van 13 juli 1995 voltooid. Nadien is gebleken dat de mannen door de Bosnische Serven van de overige vluchtelingen zijn gescheiden en vermoord. Veel slachtoffers zijn niet teruggevonden. De Stichting c.s. verwijten de Staat onrechtmatig te hebben gehandeld door aan deze evacuatie van de mannen mee te werken in de wetenschap dat zij een wisse dood tegemoet gingen.

1.3
Mijn conclusie in deze zaak is als volgt opgebouwd. Ik ga eerst (onder 2) uitvoerig in op de feiten van deze zaak, zoals deze ook zijn weergegeven in het in cassatie bestreden arrest van het hof Den Haag. Ik heb echter in de weergave van de feiten enige bekorting aangebracht door de resoluties van de VN niet volledig te citeren. Daarna geef ik een overzicht van het procesverloop (onder 3). Vervolgens komt de bespreking van de cassatiemiddelen aan de orde, waarbij ik eerst (onder 4) het incidentele middel bespreek, omdat dit het meest verstrekkend is. Bij de bespreking van het incidentele middel komt onder meer de kwestie van de maatstaf van effective control aan de orde, waarvoor de genoemde arresten [A] en [B] van belang zijn. Ook rijst de vraag of het Genocideverdrag directe werking heeft. Daarna (onder 5) bespreek ik het principale middel waarin onder meer aan de orde komt het optreden van Dutchbat door de vorming van de ‘sluis’ en het oordeel van het hof dat Dutchbat onrechtmatig heeft gehandeld door de mannen die zich op 13 juli 1995 op de compound bevonden niet de keuze te bieden achter te blijven op de compound, terwijl de vrouwen, kinderen en ouderen zouden worden geëvacueerd. Bij de bespreking van de verschillende onderdelen van de cassatiemiddelen heb ik omwille van de leesbaarheid tussenkopjes aangebracht en daarbij steeds aangegeven welk onderdeel van het middel aan de orde is.

ECLI:NL:PHR:2019:95

Deze website maakt gebruik van cookies