Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Midden-NL 181213 burger overlijdt door schot door politieagent; noodweersituatie; geen aansprakelijkheid politie

Rb Midden-NL 181213 burger overlijdt door schot door politieagent; noodweersituatie; geen aansprakelijkheid politie

3 Het geschil
3.1.
Mevrouw [eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- een verklaring voor recht dat de Politie en Achmea aansprakelijk zijn voor de dood van de heer [slachtoffer], althans aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door mevrouw [eiseres] geleden en nog te lijden schade;
- de hoofdelijke veroordeling van de Politie en Achmea tot vergoeding aan mevrouw [eiseres] van alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van (de directe confrontatie met) het overlijden van haar echtgenoot, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2007 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- de hoofdelijke veroordeling van de Politie en Achmea in de kosten van deze procedure.

3.2.
Aan deze vordering heeft mevrouw [eiseres] ten grondslag gelegd dat iemand neerschieten met een vuurwapen in beginsel onrechtmatig is. De Politie is op grond van het bepaalde in artikel 6:170 BW (risico)aansprakelijk voor de fouten van haar ondergeschikten. De fouten zijn in de uitoefening van de aan de ondergeschikten opgedragen taken gemaakt. Aan het vereiste van een functioneel verband is derhalve voldaan. De Politie had tevens de juridische zeggenschap over de gedragingen waarvan de gestelde fouten deel uitmaakten. Indien artikel 6:170 BW niet van toepassing is, wordt de aansprakelijkheid gebaseerd op artikel 6:162 BW. Primair verwijt mevrouw [eiseres] de Politie dat haar ondergeschikten verwijtbaar onzorgvuldig hebben gehandeld. Subsidiair stelt mevrouw [eiseres] zich op het standpunt dat van een gerechtvaardigd beroep op noodweer geen sprake kan zijn, zodat de Politie aansprakelijk is voor het schietincident waarbij de heer [slachtoffer] is overleden.

3.3.
De Politie en Achmea voeren gezamenlijk gemotiveerd verweer.

3.4.
De rechtbank zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4 De beoordeling
4.1.
Deze zaak betreft een tragisch ongeval. Een ongeval dat enkel slachtoffers kent: de heer [slachtoffer], mevrouw [eiseres], de kinderen, terwijl ook aan de zijde van de Politie, in het bijzonder voor de agent, zich de gevolgen van het schietincident op 11 maart 2007 doen voelen. De rechtbank wil daarom vooropstellen dat zij, ondanks het juridisch kader waarbinnen zij het geschil zal moeten beoordelen, oog heeft voor de emotionele aspecten. De rechtbank realiseert zich dat de vragen waarvoor zij zich gesteld ziet, en die zij juridisch moet beoordelen, niet dezelfde zullen zijn als de vragen die bij mevrouw [eiseres] en haar gezin leven en dat van die vragen er mogelijk niet één beantwoord zal worden door deze uitspraak.

4.2.
De rechtbank zal de vorderingen van mevrouw [eiseres] beoordelen, waarbij zij allereerst zal ingaan op hetgeen in het kader van de primaire grondslag is gesteld. Daarna zal de rechtbank ingaan op de stellingen van mevrouw [eiseres] met betrekking tot de subsidiaire grondslag.

Niet ingaan op hulpvraag
4.3.
Mevrouw [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het niet reageren op een hulpverzoek van hulpbehoevende burgers is aan te merken als een verwijtbare fout, waarvoor de Politie op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is. De motoragenten hadden op het wenken van mevrouw [eiseres] en op de hulpvraag die ook vanuit de heer [slachtoffer] werd gedaan, moeten reageren. Het was immers mevrouw [eiseres] die de Politie had ingeschakeld om hulp te verlenen, waarbij zij ook duidelijk haar huisnummer heeft doorgegeven. Uit diverse getuigenverklaringen volgt dat de motoragenten deze hulpvragen kennelijk niet hebben waargenomen vanwege de hoge snelheid waarmee zij voorbij reden.

4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het hiervoor onder 2.5. weergegeven proces-verbaal van de gesprekken die met en via de centrale meldkamer van de Politie zijn gevoerd, valt op te maken dat mevrouw [eiseres] om 20.47.44 uur melding heeft gemaakt van overlast van (hang)jongeren ter hoogte van de [adres]. Uit de verklaring van mevrouw [eiseres] zoals zij die heeft afgelegd op 13 maart 2007 volgt ook dat zij heeft aangegeven dat er sprake was van overlast en dat haar man en zijn vriend in een groep jongens stonden en dat “het allemaal bedreigend werd”. Vervolgens is om 20.54.09 door een vrouw melding gemaakt van een vechtpartij op de[adres]. De hulpvraag die aldus bij de Politie is gedaan betrof in eerste instantie “overlast”, kort daarna aangevuld met “vechtpartij”. Het betrof zodoende een melding die betrekking had op een incident dat buiten, op straat, plaatsvond. De aard van deze melding brengt dan ook met zich dat de Politie zich diende te richten op het traceren van de locatie waar de overlast en de vechtpartij gaande waren. De melding verplichtte de Politie niet om naar het huisadres van mevrouw [eiseres] te gaan. De overlast en de vechtpartij vonden immers niet plaats ín de woning van mevrouw [eiseres].

4.5.
Bovendien heeft [verbalisant 3], de motoragent die als eerste ter plaatse kwam, geconstateerd dat ter plaatse van de[adres] niets te zien was (20.55.35 uur). Dit komt overeen met hetgeen mevrouw [eiseres] heeft verklaard: “Toen[slachtoffer] nog bij mij stond kwam er over de[adres] met grote snelheid een politiemotor langsrijden.” Uit haar verklaring kan dus worden afgeleid dat [verbalisant 3] voorbijkwam op het moment dat de vechtpartij tussen de heer [slachtoffer], zijn vriend en de overlast gevende jeugd op die plek reeds geëindigd was. Kort daarna, om 20.56.13 uur, ontving de meldkamer een telefonische melding van een vechtpartij bij de Rietendakschool, [adres], terwijl [verbalisant 3] op datzelfde tijdstip aan de meldkamer meldde dat er waarschijnlijk aan de achterzijde van de sportvelden wat aan de hand was. De meldkamer heeft vervolgens aan de surveillance-eenheden de oproep doen uitgaan dat zij bij de Rietendakschool moesten zijn. Deze tweede melding/oproep ontvingen de agent en[verbalisant 2], die samen opreden, voordat zij op de locatie waren waarvan in eerste instantie was gemeld dat de vechtpartij zou plaatsvinden (de[adres]). Ook zij constateerden dat er geen vechtpartij meer gaande was op de[adres]. De verklaring van de agent en[verbalisant 2] zijn op dit punt gelijkluidend.

4.6. De rechtbank beschouwt de keuze van zowel de agent als[verbalisant 2] om door te rijden naar de locatie die in de tweede oproep van de meldkamer doorgegeven is, gezien de informatie die zij op dat moment hadden en de aard van de melding (een vechtpartij buiten op straat, eerst op de[adres], dan op de [adres]), als een logische en verantwoorde keuze. Zij waren daartoe naar het oordeel van de rechtbank verplicht. Op dat moment is het immers de taak van de Politie de vechtpartij zo snel mogelijk te bedwingen op de locatie. Het zich begeven naar het huisadres van degene die de overlast c.q. de vechtpartij meldt, is daartoe in de regel niet dienstig.

4.7.
Met betrekking tot het zwaaien en wenken door mevrouw [eiseres] en de heer [slachtoffer] in de richting van de agenten teneinde hun aandacht te trekken, terwijl deze hulpvraag door de agenten niet is opgemerkt, overweegt de rechtbank dat dit geen fout is. Redengevend daarvoor is dat ook indien zij dit wel zouden hebben opgemerkt, zij desondanks gehouden waren te handelen overeenkomstig de oproep die zij ontvingen van de meldkamer dat de vechtpartij verplaatst was en zich dus moesten begeven naar de (verplaatste) locatie van de vechtpartij. Overigens heeft de agent naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk gereageerd op (het geroep van) de heer [slachtoffer]. Naar aanleiding van geschreeuw (zonder dat voor de agent duidelijk was van wie dat afkomstig was) is de agent immers gekeerd en een stukje teruggereden. Op het moment dat de heer [slachtoffer] naar de agent toe kwam rennen en de agent zich realiseerde dat de heer [slachtoffer], met bebloed gezicht, naar hém toekwam en niet naar iemand anders, besloot de agent in te gaan op deze hulpvraag.

4.8.
De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat de agenten ([verbalisant 3], de agent en[verbalisant 2]) op dit punt adequaat hebben gehandeld naar aanleiding van de oproepen die zij van de meldkamer ontvingen.

Niet horen van de waarschuwing(en) van[verbalisant 2] en/of het lager zetten van het volume
4.9.
Het tweede verwijt dat mevrouw [eiseres] de Politie maakt ziet op het door de agent niet horen van de waarschuwing(en) van[verbalisant 2] dat de heer [slachtoffer] in het bezit was van een mes. Hierbij is van belang te onderscheiden tussen - wat partijen noemen - de eerste en de tweede waarschuwing.
Voor wat betreft de eerste waarschuwing die[verbalisant 2] deed, staat vast dat die waarschuwing niet is doorgekomen omdat er op dat moment al mobilofoonverkeer was. Dit valt af te leiden uit de getuigenverklaringen van[verbalisant 2] in samenhang met de transcriptie van de gesprekken tussen de meldkamer en de surveillance-eenheden.[verbalisant 2] heeft verklaard dat hij de agent wilde waarschuwen op het moment dat hij de [adres] inreed maar dat hij er niet tussen kon komen. Uit de transcriptie blijkt maar van één waarschuwing over een mes. Gelet op het tijdstip van deze melding (20.57.35 uur) is dit wat[verbalisant 2] zijn tweede waarschuwing heeft genoemd. De eerste waarschuwing heeft de agent niet bereikt, zodat de Politie niet verweten kan worden dat de agent die waarschuwing niet heeft gehoord.

4.10.
Uit de door[verbalisant 2] afgelegde verklaringen valt op te maken dat hij de tweede waarschuwing deed op het moment dat hem bleek dat de agent niet in de gaten had dat de heer [slachtoffer] een mes bij zich droeg. Dit was op het moment dat de agent doende was zijn motor te parkeren voor de stoep door de motor op de standaard te zetten.
Op basis van de in het proces-verbaal van de Rijksrecherche weergegeven gesprekken tussen de meldkamer en de surveillance-eenheden is de rechtbank van oordeel dat deze waarschuwing voor de agent te laat kwam. Uit het gesprek van 20.57.35 uur maakt de rechtbank op dat[verbalisant 2] binnen een tijdsbestek van minder dan 40 seconden de melding doet dat er iemand met een mes loopt en het verzoek wordt gedaan “met spoed een ambulance” omdat er geschoten is. Dat was de totale duur van dit gesprek, waarbij volgens de stelling van mevrouw [eiseres] uitgegaan moet worden van een tijdsbestek van 20 seconden. Ook uit de verklaringen van[getuige] en [verbalisant 3] kan worden afgeleid dat het tijdsbestek tussen de waarschuwing over het mes en het verzoek om een ambulance omdat er geschoten is, kort is geweest. Deze verklaringen vormen een bevestiging van hetgeen zowel de agent als[verbalisant 2] op dit punt hebben verklaard.

4.11.
Dit korte tijdsbestek geeft evenmin aanleiding om aan te nemen dat een waarschuwingsschot - indien de agent de tweede waarschuwing wel gehoord zou hebben - nog tot de mogelijkheden behoorde.[verbalisant 2] verklaart immers dat de afstand tussen de agent en de heer [slachtoffer] heel klein was en bevestigt daarmee hetgeen de agent daarover zelf heeft verklaard. Verder heeft het NFI de schootsafstand op een halve tot anderhalve meter bepaald. Op basis hiervan kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de agent niet meer kon wegkomen. De agent was doende de motor op de jiffy te zetten en de motor was bovendien op dat moment al (automatisch) uitgeschakeld. Er was zodoende onvoldoende tijd om zichzelf nog in veiligheid te brengen, de agent bevond zich reeds in de noodweersituatie.

4.12. Dit betekent dat het niet meer relevant is of de agent de tweede waarschuwing die[verbalisant 2] deed (en de enige waarschuwing die is doorgekomen via het mobilofoonverkeer) al dan niet gehoord heeft en evenmin of het niet horen van deze waarschuwing het gevolg was van het (ten onrechte) lager zetten van het volume van de mobilofoon door de agent.

Niet adequaat optreden door[verbalisant 2]
4.13.
Mevrouw [eiseres] stelt dat ook[verbalisant 2] een verwijt valt te maken, omdat[verbalisant 2] niet heeft geverifieerd of de agent zijn waarschuwing ook daadwerkelijk heeft gehoord en hij niet afdoende heeft opgetreden om de heer [slachtoffer] tot stoppen te dwingen. Volgens mevrouw [eiseres] had[verbalisant 2] moeten optreden door naast de heer [slachtoffer] te gaan rijden, de sirene aan te zetten, te claxonneren, een waarschuwingsschot te lossen of andere maatregelen te treffen nadat hij constateerde dat de heer [slachtoffer] een mes droeg.

4.14.
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van[verbalisant 2] kan worden afgeleid dat hij, op het moment dat hij het mes zag bij de heer [slachtoffer], daarvan melding deed (wilde doen) via zijn mobilofoon.[verbalisant 2] kon en mocht uit de handelwijze van de agent, te weten het keren en in de richting van de heer [slachtoffer] rijden, om vervolgens weer te keren en naast de heer [slachtoffer] te gaan rijden, terwijl[verbalisant 2] binnen dit tijdsbestek via de mobilofoon doorgaf dat er een man met een mes liep, begrijpen dat de agent zijn waarschuwing over het mes gehoord had en kennelijk ging optreden. Omdat[verbalisant 2] daarvan uit mocht gaan, onderschrijft de rechtbank niet het standpunt van mevrouw [eiseres] dat[verbalisant 2] (desondanks) ook nog tegen de heer [slachtoffer] had moeten optreden. Uit de omstandigheid dat de agent zijn motor "rustig" ging parkeren, leidde[verbalisant 2] vervolgens af dat de agent kennelijk niet had meegekregen dat er een mes in het spel was. De dreiging van het mes was op dat moment al zo dichtbij de agent dat er voor[verbalisant 2] geen mogelijkheden meer waren om de agent (alsnog) te bereiken. Dit baseert de rechtbank mede op het feit dat ook[verbalisant 2] zijn wapen al had getrokken. Enkel vanwege het feit dat de agent hem daarmee net voor was, heeft[verbalisant 2] niet meer hoeven schieten. De verklaringen van de agent,[verbalisant 2], [verbalisant 3] en[getuige] gelezen in samenhang met het proces-verbaal van de gesprekken met en via de meldkamer bevestigen, zoals de rechtbank ook hiervoor onder 4.10. en 4.11. overwoog, dat een en ander zich in een heel kort tijdsbestek heeft voltrokken. Van[verbalisant 2] konden geen (andere) acties worden verwacht.

Niet adequaat optreden door [verbalisant 3]
4.15.
Mevrouw [eiseres] is van mening dat van [verbalisant 3] verwacht had mogen worden dat hij zijn motor stopte, althans dat hij zich met de heer [slachtoffer] in (communicatieve) verbinding zou stellen. [verbalisant 3] heeft de heer [slachtoffer] zien lopen en gebaren en hem horen schreeuwen, maar [verbalisant 3] heeft zich er niet van vergewist of de heer [slachtoffer] daarmee zelf niet om politieassistentie vroeg.

4.16.
De rechtbank is van oordeel dat ook [verbalisant 3] geen verwijt valt te maken. Volgens de eigen verklaring van [verbalisant 3] heeft hij de heer [slachtoffer] inderdaad gezien en heeft hij hem ook horen schreeuwen en zien gebaren met zijn handen. [verbalisant 3] verklaart echter ook dat hij de indruk had dat de heer [slachtoffer] achter de jongens aan rende die in de richting van de Framboosstraat renden. Gezien de aard van de melding, een vechtpartij, was het naar het oordeel van de rechtbank een juiste keuze van [verbalisant 3] om achter deze jongen(s) aan te gaan, die in zijn optiek op de vlucht leken. Het is aannemelijk dat [verbalisant 3] de indruk had dat zij mogelijk iets te maken hadden met de vechtpartij waarnaar hij op zoek was. Dat was ook zijn plicht, hij diende zijn focus te houden op vechtende mensen. Onder deze omstandigheden, die getypeerd moeten worden als een chaotische situatie, is een schreeuwende en zwaaiende man een onvoldoende dreigende situatie waarop [verbalisant 3] in had moeten gaan. De wijze waarop [verbalisant 3] heeft gehandeld en de keuzes die hij daarbij heeft gemaakt kunnen dan ook niet worden getypeerd als een fout.

Niet adequaat communiceren door surveillance-eenheden en meldkamer
4.17.
Mevrouw [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de gebrekkige communicatie van ondergeschikten van de Politie, en het kennelijk ontbreken van een duidelijk protocol en centrale regie over hoe te handelen onder dergelijke omstandigheden, ertoe hebben geleid dat de heer [slachtoffer] uiteindelijk is komen te overlijden.

4.18.
De rechtbank stelt voorop dat voorkomen moet worden dat de situatie zoals die zich op de bewuste zondagavond heeft voorgedaan, wordt beoordeeld op basis van kennis en wetenschap van die situatie die achteraf is verkregen. De rechtbank stelt op basis van het proces-verbaal van de gesprekken met en via de meldkamer vast dat er naar aanleiding van de melding van mevrouw [eiseres] steeds contact is geweest tussen de surveillance-eenheden en de meldkamer over de (verplaatste) vechtpartij en dat er gedurende anderhalve minuut (het gesprek van 20.56.13 uur tot en met het gesprek van 20.57.35 uur) een intensieve communicatie heeft plaatsgevonden tussen de meldkamer en de surveillance-eenheden. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve geen sprake van inadequate communicatie.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat mevrouw [eiseres] haar stellingen niet, althans onvoldoende concreet, heeft onderbouwd in het licht van het verweer van de Politie zoals dat is opgenomen onder sub 100 van de conclusie van antwoord, waarin de Politie uiteenzet hoe zij naar aanleiding van de melding van mevrouw [eiseres] heeft gehandeld en hoe zij de eenheden heeft geïnstrueerd.
Voor wat betreft het verwijt dat mevrouw [eiseres] de Politie maakt dat de motoragenten kennelijk niet wisten op welk adres zij moesten zijn terwijl zij haar huis- en telefoonnummer wel duidelijk heeft doorgegeven, overweegt de rechtbank, zoals zij ook hiervoor reeds overwoog, dat de hulpvraag en de aard van de melding de Politie niet verplichtten om naar de woning van mevrouw [eiseres] te gaan.

4.19.
Het vooroverwogene betekent dat de vordering niet toewijsbaar is op basis van hetgeen daaraan primair ten grondslag is gelegd.

4.20.
Daarmee komt de rechtbank toe aan hetgeen mevrouw [eiseres] in het kader van de subsidiaire grondslag, dat de Politie geen beroep toekomt op de rechtvaardigingsgrond handelen uit noodweer, heeft gesteld.

Parkeren
4.21.
Allereerst stelt mevrouw [eiseres] dat de agent zijn motor anders had kunnen en moeten parkeren, namelijk in plaats van met de voorkant richting de stoep en vlakbij een geparkeerde auto met de voorkant richting de weg en het achterwiel naar het trottoir. Door de motor met de voorkant richting de stoep te parkeren heeft de agent zichzelf in een positie gebracht van waaruit hij volgens zijn eigen verklaring niet meer kon wegkomen en waarbinnen hij zich kennelijk genoodzaakt zag om "blind" te schieten. Dit staat aan een succesvol beroep op noodweer in de weg.

4.22.
De rechtbank is van oordeel dat de agent op het moment dat hij zijn motor parkeerde zoals hij heeft gedaan, zich (nog) niet bewust was van het op handen zijnde gevaar en in de veronderstelling verkeerde dat de heer [slachtoffer] om hulp riep en de intentie had om hem hulp te gaan bieden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen komt zij tot die conclusie op basis van de verklaringen van de agent en zijn collega[verbalisant 2] en het proces-verbaal van de gesprekken met en via de meldkamer van de Politie. Het standpunt dat de agent zichzelf niet in deze positie had moeten brengen, is dus onjuist.
Omdat mevrouw [eiseres] ter zitting heeft verklaard dat, als wordt vastgesteld dat de agent hulp ging bieden, het niet onrechtmatig is om de motor te plaatsen zoals de agent heeft gedaan, behoeft de stelling dat de wijze van parkeren een fout oplevert verder geen bespreking meer.

Waarschuwen
4.23.
Daarmee komt de rechtbank toe aan het standpunt van mevrouw [eiseres] dat de agent de heer [slachtoffer] niet in duidelijke bewoordingen heeft gewaarschuwd om te stoppen of zijn mes weg te gooien alvorens te schieten. Daarmee heeft de agent niet aan artikel 11 van de Ambtsinstructie voldaan, waarin staat dat de ambtenaar onmiddellijk voordat hij zal gaan schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze moet waarschuwen. Dit staat volgens mevrouw [eiseres] eveneens aan een succesvol beroep op overmacht in de weg.

4.24.
De rechtbank is van oordeel dat de agent de heer [slachtoffer] heeft gewaarschuwd. De agent heeft, voor zover hier van belang, verklaard: "Ik wees direct met mijn arm naar de man en schreeuwde hem toe dat hij het mes moest laten vallen. Ik denk dat ik wel 3 of 4 keer naar de man heb geschreeuwd dat hij het mes moest laten vallen. Ik schreeuwde hard, ik weet zeker dat de man het gehoord moet hebben. Ik zag geen enkele reactie van de man. Hij stopte niet, bleef schreeuwen en bleef op mij toe rennen." Deze verklaring wordt ondersteund door hetgeen [verbalisant 3] hierover heeft verklaard. Hij verklaart immers dat hij woorden in de strekking van "laat vallen dat mes" heeft gehoord. Ook uit de verklaring van[getuige] volgt dat er is gewaarschuwd, zij verklaart dat zij iets hoorde van "afstand houden". Verder heeft ook[verbalisant 2] verklaard dat hij voorafgaande aan het schot de agent iets heeft horen roepen maar dat hij dat niet heeft verstaan. Tevens komt betekenis toe aan het "geschreeuw" dat in de transcriptie van het mobilofoonverkeer staat vermeld tussen de waarschuwing dat er iemand met een mes gesignaleerd is op de[adres] - Thorbeckelaan en het verzoek om een ambulance (gesprek van 20.57.35 uur). Ook aan het standpunt dat de agent de heer [slachtoffer] niet heeft gewaarschuwd gaat de rechtbank daarom voorbij.

Waarschuwingsschot en schieten op minder vitale delen
4.25.
Mevrouw [eiseres] is het niet eens met de stelling van de Politie dat de heer [slachtoffer] de agent al tot op één meter was genaderd op het moment dat de agent schoot. Daarnaast verwijt mevrouw [eiseres] de Politie dat de agent niet eerst een waarschuwingsschot, dan wel een schot gericht op minder kwetsbare lichaamsdelen, heeft gelost. Een en ander staat volgens mevrouw [eiseres] aan een beroep op noodweer in de weg. De agent had bovendien niet, althans in ieder geval niet "blind", mogen schieten omdat hij vanwege het dragen van een steekwerend vest en een helm voldoende beschermd was tegen messteken. Het onder die omstandigheden schieten levert in ieder geval geen rechtvaardigingsgrond op.

4.26.
Voor de rechtbank staat vast dat het schot dat de agent gelost heeft geen gericht schot, maar een noodschot betrof. Dit valt af te leiden uit omstandigheid dat de agent het schot loste terwijl hij ineengedoken stond met zijn motor geklemd tussen beide benen, waarbij hij zijn gezicht had afgewend van de richting waaruit de heer [slachtoffer] hem naderde, zoals hij heeft verklaard en welke verklaring op dat onderdeel wordt ondersteund door die van[verbalisant 2]. Daarnaast is het een gegeven dat er zeer weinig tijd, een tijdsbestek van - volgens de eigen stellingen van mevrouw [eiseres] - 20 seconden, is verstreken tussen het moment waarop de agent het mes bij de heer [slachtoffer] waarnam en het moment van het noodschot. Dat is een zodanig kort tijdsbestek dat in redelijkheid niet de eis kan worden gesteld dat de agent eerst nog een effectief waarschuwingsschot lost en/of de tijd neemt om daarvoor alternatieven te bedenken en te benutten. Op basis van de verklaringen van de agent en[verbalisant 2], alsmede de reeds genoemde bepaling van de schootsafstand door het NFI, is de rechtbank van oordeel dat de heer [slachtoffer] de agent al heel dicht genaderd was toen de agent de heer [slachtoffer] waarnam met het mes geheven boven zijn hoofd en daarmee stekende bewegingen maakte (zie ook rechtsoverweging 4.10.).
De rechtbank wijst hierbij tevens op de verklaringen van de agent en van[verbalisant 2] waarin staat dat zij beiden dachten dat de heer [slachtoffer] met het mes de agent zou doodsteken. De rechtbank constateert dat op dat moment reeds sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen de agent zich diende te verdedigen. De omstandigheid dat de agent een steekwerend vest en een motorhelm droeg maakt dat niet anders. Beide bieden immers geen volledige bescherming en in ieder geval geen, althans onvoldoende, bescherming van de halsstreek.

4.27.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de agent heeft gehandeld uit noodweer. De aanwezigheid van deze rechtvaardigingsgrond heeft tot gevolg dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door de agent en evenmin van aansprakelijkheid van de Politie op grond van artikel 6:170 BW. De rechtbank zal de vorderingen daarom afwijzen. ECLI:NL:RBMNE:2013:7680

Deze website maakt gebruik van cookies