GHDHA 290926 rug- en CANS-klachten t.g.v. zware fysieke wzh sjorder; toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel; wg-er volledig aansprakelijk
- Meer over dit onderwerp:
GHDHA 290926 rug- en CANS-klachten t.g.v. zware fysieke wzh sjorder; toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel; wg-er volledig aansprakelijk
- geen verwijzing naar schadestaat; schade kan in deze procedure begroot worden
in vervolg op:
RBROT 060924 rug en CANS-klachten sjorder; verband met werk te onzeker en onbepaald; geen toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel
- rug en CANS-klachten sjorder; wg-er proportioneel aansprakelijk voor 20% schade
zie ook:
RBROT 230926 beroepsziekte; AVB-verzekering biedt geen dekking; risico's op beroepsziekten bij sjorders waren wg-er bekend voor ingang polis
- schending kennisgevingsplicht; verzekeraars hebben niet tijdig gewezen op ontbreken van dekking onder de verzekering en de gevolgen daarvan
1De zaak in het kort
1.1
Deze zaak gaat over de gezondheidsschade die [appellant] stelt te hebben opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het hof is, na toepassing van de zogeheten arbeidsrechtelijke omkeringsregel, van oordeel dat de nek/schouder- en rugklachten van [appellant] zijn veroorzaakt door de zware fysieke werkzaamheden die hij in de functie van sjorder c.q. sjorteamleider voor Matrans heeft verricht. Nu niet is aangetoond dat Matrans heeft voldaan aan haar zorgplicht als werkgever, is zij aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade. Het hof houdt de zaak aan zich opdat de schade al in deze procedure kan worden begroot.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 14 november 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 19 juli 2021, 15 juli 2022, 16 december 2022, 7 april 2023 en 6 september 2024;
-
de memorie van grieven van [appellant] ;
-
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van Matrans, met producties;
-
de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] , met één productie;
-
de producties A-D die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd en de schriftelijke reactie daarop van de zijde van Matrans van 26 maart 2026.
2.2
Op 7 april 2026 heeft een mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer van het hof plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verstrekt. De in het proces-verbaal genoemde ontbrekende stukken zijn na de zitting nagezonden door partijen. Al deze genoemde stukken maken thans deel uit van het procesdossier.
3Feitelijke achtergrond
3.1
Het hof gaat uit van de onder 2 van het tussenvonnis van de kantonrechter van 15 juli 2022 vastgestelde feiten. Het gaat, aangevuld met vaststaande feiten die in hoger beroep eveneens van belang zijn, om de navolgende feiten.
3.2
[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 juli 1989 in dienst getreden bij Oceana B.V. (hierna: Oceana) in de functie van sjorder.
3.3
Oceana is op 17 december 1996 failliet verklaard. Op 1 juli 2003 is het faillissement opgeheven wegens een gebrek aan baten. Matrans heeft na het faillissement een deel van het personeel en de werkzaamheden van Oceana overgenomen.
3.4
[appellant] heeft in de periode vanaf 1 januari 1997 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaamheden verricht voor Unilash B.V. (hierna: Unilash).
3.5
Matrans is een havenbedrijf dat zich heeft gespecialiseerd in het vastzetten en losmaken van ladingen op zeeschepen. Zij richt zich daarbij hoofdzakelijk op containers, het zogenoemde systeemsjorren, en voor een klein deel op stukgoed/breakbulk (lading die door afwijkende afmetingen niet in een container past).
3.6
[appellant] heeft vanaf (in ieder geval) 1 november 2007 werkzaamheden verricht voor Matrans. Hij was hier laatst werkzaam in de functie van sjorteamleider. [appellant] verrichtte zijn werkzaamheden fulltime in ploegendienst. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 4.111,12 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.
3.7
Binnen Matrans is (onder meer) een bedrijfsverkeersreglement 2005 en een ECT veiligheidshandboek van toepassing. Daarnaast maakt Matrans gebruik van een regelingenboek en een veiligheidsinstructieboek.
3.8
In de Risico Inventarisatie & Evaluatie van Matrans van 1 september 2005 (prod. 8 inleidende dagvaarding) is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
"(...)
In de tabellen 2 t/m 18 wordt elk aandachtspunt in een risicoklasse R ingedeeld. (...)
De volgende categorieën worden gehanteerd:
1 = belangrijk risico, actie noodzakelijk, hoge prioriteit.
2 = mogelijk risico, aandacht vereist, matige prioriteit.
3 = risico wellicht aanvaardbaar, geen actie nodig, lage prioriteit.
0 = geen risico geconstateerd, geen actie nodig, handhaven situatie.
(...)
Werk- en rusttijden
Evaluatie
Het werk wordt verricht in 5 ploegendienst (dag- avond- en nachtdienst). Bij drukte wordt soms overgewerkt. Het werk vraagt redelijk zware lichamelijke arbeid. Er wordt veel in gebukte houding gewerkt en het tempo kan hoog zijn. Het vastmaken of losmaken van sjormaterialen. zoals kettingen, touw en staaldraad en het spannen ervan is vaak zwaar werk, waarbij veel met gedraaide rug in belaste toestand wordt gewerkt. Bij het vastmaken of verwijderen van twistlocks aan de kade wordt vooral lichamelijke inspanning verricht met schouder, onderarm en hand/pols. Het klimaat, zoals koude, wind, zonnehitte kan van invloed zijn op de werkomstandigheden (soms zeer slecht). (...) De werkdruk is afhankelijk van de opdrachten en de beschikbaarheid van voldoende vakbekwaam personeel.
R2
Advies
Hoewel de lichamelijke belasting inherent is aan dit soort werkzaamheden, is voortdurende aandacht noodzakelijk. Waar nodig dient met (mechanische) hulpmiddelen en/of andere werkwijzen de lichamelijke belasting te worden verminderd. Geadviseerd wordt de ontwikkelingen te volgen in de branche en zonodig onderzoek te laten verrichten naar fysieke belasting door de Arbodienst.
Lichamelijke belasting
Aandachtspunt
Moet vaak in een ongunstige lichaamshouding worden gewerkt?
Evaluatie
Tijdens het losmaken of vastzetten van lading kan de lichaamshouding soms ongunstig zijn (veel bukken, op- en van ladders klimmen en sjormateriaal pakken en binden). Dit is met name het geval als met de handen/ armen kracht moet worden uitgeoefend, hoog vòòr of opzij van het lichaam, om sjormateriaal zoals stangen of spanschroeven vast of los te maken.
R 2
Advies
Alert blijven op klachten en zo nodig maatregelen nemen. Blijven instrueren en toezien dat niet zwaarder dan 25 kg getild mag worden en dat zwaardere materialen met tenminste twee personen moeten worden getild of dat gebruik gemaakt wordt van hulpmiddelen zoals hijs- of hefwerktuigen.
Gerichte voorlichting geven over tillen, bukken en gebruik hulpmiddelen aan de medewerkers.
Samenvatting van de evaluatie
(...) Medewerkers zijn onvoldoende bekend met het doel en gebruik van Persoonlijke
Beschermingsmiddelen (PBM's).
Medewerkers ontvangen onvoldoende voorlichting over de risico's die zijn verbonden aan de werkzaamheden, zoals o.a. het werken aan boord van schepen, met gevaarlijke producten of het bedienen van arbeidsmiddelen [o.a. kettingzagen] (art. 8. lid 1 en lid 3 Arbowet).
Er is onvoldoende toezicht op het (veilig) uitvoeren van werkzaamheden, het naleven van instructies en het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen (art. 8.3 Arbobesluit).
Er is onvoldoende overleg met opdrachtgevers over het naleven van de veiligheidsvoorschriften door eigen personeel (van de opdrachtgever) en ingehuurd personeel (van de aannemer).
(...) Het is onvoldoende bekend wat de effecten zijn van de fysiek zware belasting van sommige werkzaamheden op het lichaam en de mogelijkheden om die belasting (en de daarmee gepaard gaande klachten) te verminderen (art. 5.2 Arbobesluit). Overwegen aanvullend onderzoek te laten uitvoeren door de Arbodienst. (...)".
3.9
Van september tot en met december 2007 heeft de Arbeidsinspectie inspecties naar fysieke belasting bij havenarbeid uitgevoerd. In de rapportage "Fysieke belasting bij havenarbeid" die zij naar aanleiding daarvan heeft opgesteld (prod. 6 inleidende dagvaarding), is (voor zover van belang) over de verschillende soorten werkzaamheden van het sjorren het volgende vermeld:
"(...)
Stekkeren: het handmatig vastmaken en losmaken van de (semi)automatische twistlocks, de verbindingsstukken om containers op elkaar vast te zetten. Een twistlock weegt ongeveer 6,5 kg. Hierbij speelt de frequentie en dwangmatige werkhouding een rol in de mate van fysieke belasting.
Stuffen en strippen van containers: het in- en uitpakken van een container kan bijzonder belastend zijn als dit handmatig gebeurt. Om een container maximaal te beladen worden pallets vaak geweerd (want kost ruimte) en worden alle gaten en hoeken volgestopt. Het risico is hierbij te zwaar tillen, te hoog tillen, het aannemen van belastende houdingen en het te zwaar duwen en trekken van goederen van en naar de container toe, en in de container zelf. De werkgever kan met zijn leverancier afspraken maken over de wijze waarop de container wordt geladen.
Sjorren van containers of van lading: het hanteren van spanbanden, stangen en kettingen bij het vastzetten van lading in of op het schip. Het werk kan fysiek te belastend zijn bij beperkte werkruimte in combinatie met het gebruik van zware kettingen en stangen. Het werken in semibesloten ruimtes, waar het benauwd kan zijn als gevolg van een hoge temperatuur, te weinig ventilatie in combinatie met uitlaatgassen van de auto's of trucks die worden gelost. Dit geeft verzwarende effecten op de fysieke belasting. Bij het sjorren van containers worden containers op het dek van het containerschip handmatig met sjorstangen vastgezet of losgemaakt. Deze sjorstangen wegen circa 20 tot 25 kg. Het sjorren vindt plaats in dwangmatige werkhoudingen waardoor het risico op gezondheidsklachten toeneemt. (...)"
3.10
De Arbeidsinspectie heeft op 20 december 2007 een waarschuwing aan Matrans gegeven (prod. 16 inleidende dagvaarding) na een inspectie waarbij is nagegaan of aan alle wettelijke bepalingen op het gebied van arbeidsomstandigheden is voldaan. Deze waarschuwing luidt (voor zover van belang) als volgt:
"Tijdens de inspectie heeft de inspecteur een overwegend positieve indruk gekregen van de arbeidsomstandigheden in uw bedrijf.
Toch is de volgende overtreding vastgesteld. Het betreft:
In de risico-inventarisatie en - evaluatie was de fysieke belasting onvoldoende beoordeeld. Dit is in strijd met artikel 5.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De werknemers verrichten sjor-, stacker-, en stuff- en stripwerkzaamheden. Er dient een beoordeling uitgevoerd worden, die door een gecertificeerde arbodienst moet worden getoetst met inachtneming van de volgende aspecten:
kenmerken van de last (omvang. stabiliteit, grip)
vereiste lichamelijke inspanning (gewicht van de last)
kenmerken van de werkomgeving (klimaat, temperatuur, vloeren,
verplaatsingsafstanden)
taakeisen (tilfrequentie. duur van het tillen)
Op basis van de uitgevoerde beoordeling moet bij constatering van tekortkomingen een plan van aanpak worden opgesteld, waarin de te nemen maatregelen met bijbehorende termijnen voor de uitvoering zijn opgenomen. Hierover dient een advies door een deskundige te worden uitgebracht. (...)
De overtreding moet binnen een termijn van 3 maanden na de hiervoor genoemde inspectiedatum zijn opgeheven."
3.11
Fysergo heeft, mede naar aanleiding van de bevindingen van de Arbeidsinspectie, in 2008 en 2009 in opdracht van Matrans onderzoek verricht naar de fysieke belasting tijdens het sjorren. In het (concept) Oriëntatie Onderzoek Fysieke Belasting Sjorders van 21 april 2008 (prod. 9 inleidende dagvaarding) is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
"(...) 1.1 Achtergrond
Het werken in de haven brengt met zich mee dat medewerkers worden blootgesteld aan fysieke belasting. De Arbeidsinspectie heeft vastgesteld dat de fysieke belasting dusdanig is, dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar de mate van deze belasting (...). Op basis van deze bevindingen dient een plan van aanpak te worden opgesteld met te nemen maatregelen de termijnen waarin zullen worden ingevoerd."
(...)
4.3
Stukgoed sjorren
Het stukgoed sjorren wordt door een kleine groep (3 - 4) vaste medewerkers uitgevoerd.
De medewerkers zijn ervaren en hebben vaak van een wat hogere leeftijd. Het is specialistisch werk dat zeer afwisselend is. De medewerkers vinden het werk niet zwaar. Tijdens de werkplekinventarisatie is het niet mogelijk geweest om het stukgoed te bekijken. Door de afwisseling van de werkzaamheden lijkt er een gunstig effect op de fysieke belasting. Om deze reden is dit onderzoek verder niet gericht op stukgoed sjorren. (...)
5Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het specifiek onderzoek verbreed moet worden van alleen tillen naar tillen, werkhoudingen, duwen/trekken en repeterende handelingen. Deze onderzoeken moeten worden gekoppeld aan de specifieke taken/handelingen: Hanteren sjorstangen, Hanteren spanschroeven en Stacker draaien. Bij stacker draaien dient de fysieke belasting naar rep[e]terende handeling specifiek in de stackersluizen plaats te vinden.
Tevens kan worden geconcludeerd dat het nu al aannemelijk is dat de fysieke belasting bij het hanteren van de 3 hoog sjorstangen normoverschrijdend is. Deze stangen zijn zwaar (gewicht > 25 kg komt voor) en onhandelbaar en moeten in ongunstige werkhoudingen en omstandigheden worden geplaatst. Dit vergt een forse inspanning om de romp stabiel te houden en geeft al aanleiding om aan te nemen dat er een risico is voor het ontstaan van gezondheidsklachten. Ook is het aannemelijk dat het hanteren van 2- hoog stangen een direct risico is. Ondanks het feit dat het gewicht hier lager ligt, is de combinatie met de geobserveerde werkhouding (reiken, draaien) een knelpunt. Het specifiek onderzoek naar tillen zou niet alleen gericht moeten zijn op het meten van de fysieke belasting t.o.v. de norm maar ook inzichtelijk moeten maken welke factor naast gewicht het meest bijdraagt aan dit knelpunt. Dit levert zinvolle input op voor[r] oplossingsrichtingen om de fysieke belasting te reduceren. (...)"
3.12
Hierna heeft Fysergo in september 2009 een conceptrapport opgeleverd, en vervolgens is de definitieve rapportage van 15 september 2011 (prod. 10 dagvaarding), genaamd "definitief Kwantificerend onderzoek van de fysieke belasting tijdens sjorren" verschenen. Hierin is als conclusie (voor zover van belang) het volgende opgenomen:
"(...) 4. Conclusie
(...)
De resultaten laten zien dat sjorren gepaard gaat met normoverschrijdende fysieke belasting. Dit wordt met name veroorzaakt door het veelvuldig boven schouderhoogte moeten werken in combinatie met tillen en krachtzetten. Het is de combinatie van fysieke belastingsvormen (werkhoudingen, tillen, duwen-trekken) die maakt dat het werk een verhoogd risico vormt op het ontstaan van m.n. rug en schouder-arm-klachten. Er is al sprake van een te hoge fysieke belasting bij het sjorren van één bordes. Dit betekent dat het reduceren van de blootstellingsduur door kortere werktijden of meer mensen per ploeg niet zal resulteren in het gewenste effect, namelijk minder risico op blessures. De impact van de gemeten fysieke belasting is bovendien nog hoger door de grote afwisseling van langere periodes van inactiviteit (koffie/binnen zitten wachten) en daarna blootgesteld worden aan relatief hoge piekbelastingen. De invloed van soms extreme weersomstandigheden versterken dit effect.
Deze resultaten maken dat de oplossing voor deze fysieke belastingsproblematiek niet ligt in taakroulatie (reductie blootstellingsduur). De meest effectieve oplossing is hel optimaliseren van sjortechniek en sjormaterialen. Hier kan een bedrijf als Matrans echter niet op sturen. Het gaat hier over een ketenverantwoordelijkheid van scheepsbouwers, rederijen, terminals en bedrijven zoals Matrans. De Arbo-wet verplicht bedrijven het werk zodanig in te richten dat er gezond en veilig gewerkt kan worden binnen de mogelijkheden die redelijkerwijs kunnen worden gerealiseerd. Matrans kan alleen werken aan gezonde en verantwoorde uitvoering van het werk (werkgedrag door aandacht te besteden aan werktechnieken. Hier kunnen de jongeren leren van de ouderen). En Matrans kan werken aan de vitaliteit van medewerkers. Gezonden, fitte medewerkers zullen minder kan hebben op het krijgen van blessures. Hierin hebben medewerkers zelf ook een verantwoordelijkheid."
3.13
Fysergo heeft in 2012 in opdracht van de Arbeidsinspectie onderzoek bij Matrans verricht ten behoeve van het opstellen van een richtlijn ten aanzien van de fysieke belasting die medewerkers ondergaan tijdens het sjorren van zeecontainers. In het Activity report van 20 augustus 2012 (prod. 11 dagvaarding) is als conclusie (voor zover van belang) het volgende opgenomen:
"Uit de resultaten van dit activity report kan geconcludeerd worden dat men tijdens een shift (2 taken) sjorren minder dan de helft van de tijd daadwerkelijk blootgesteld wordt aan risicovolle fysieke belasting (39 %). Het fysiek zware werk wordt over het algemeen redelijk gelijk verdeeld over de shift. Het daadwerkelijke sjorren wordt op een natuurlijke wijze voldoende afgewisseld met 'logistieke' pauzes (zoals transfer en wachten). Dit betreffen over het algemeen kortdurende pauzes (< 5 minuten of duur tussen de 5 - 20 minuten) die vanuit gezondheidsoogpunt, gezien kunnen worden als gewenste herstelmomenten.
Een gegeven blijft dat sjorders blootgesteld worden aan hoge fysieke piekbelasting (dit is vooral bij het inhaken van stangen, het tillen van 3 hoog stangen, het oplossen en dòòrzetten van spanschroeven en het lostrekken van stackers, bron Fysergo rapport 2009). Deze belasting vormt vooral een risico op schouder-, nek-, arm- en rugklachten. Het (nog verder) reduceren van de blootstellingsduur zal naar verwachting nauwelijks een reductie van gezondheidsrisico's opleveren. De resultaten laten immers zien dat er voldoende korte, natuurlijke pauzemomenten zijn. Deze conclusie is gebaseerd op de huidige organisatie van het werk bij Matrans en ILS en het huidige werkaanbod. Wanneer er in de toekomst wijzigingen plaats vinden zal wederom nagegaan moeten worden of er voldoende natuurlijke pauzemomenten aanwezig blijven voor het vereiste fysieke herstel. Niet de tijd per dag, maar de piekbelasting en de blootstelling over de jaren heen is belastend."
3.14
De Arbeidsinspectie heeft bij brief van 10 januari 2013 aan Matrans (prod. 18 inleidende dagvaarding) gemeld dat zij, mede naar aanleiding van een inspectie op 16 november 2012, voornemens is om eisen te stellen aan Matrans, op het gebied van de fysieke belasting van werknemers die zeecontainers sjorren. In de brief is daarvoor de volgende aanleiding opgenomen:
"Op basis van de inspectie zijn de hieronder genoemde overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwetgeving geconstateerd.
Overtreding
Op grond van de bij uw organisatie uitgevoerde inspectie en nadere beoordeling van de werkzaamheid sjorren. Als ook bestudering van relevante documenten betreffende het sjorren van zeecontainers is geconstateerd dat bij het sjorren van zeecontainers op schepen die vallen onder de sjorverordening, de werknemers worden blootgesteld aan een te zware fysieke belasting. De gevaren voor de gezondheid van de werknemers ten gevolge van fysieke belasting zijn niet voldoende voorkomen. Dit is een overtreding van Artikel 5.2 en artikel 5.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit".
Uiterlijk op 1 oktober 2013 diende Matrans aan de gestelde eisen ter voorkoming en beperking van de fysieke belasting, te voldoen.
3.15
[appellant] is op 21 mei 2013 definitief uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van chronische nek- en rugklachten. In 2014 is door de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat een terugkeer naar de eigen werkzaamheden niet haalbaar is.
3.16
Na een periode van re-integratie is [appellant] in januari 2016 medisch en arbeidskundig beoordeeld in het kader van de WIA. In het arbeidsdeskundig rapport en het medisch onderzoeksverslag van 25 januari 2016 (prod. 3 inleidende dagvaarding) is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
"SAMENVATTING
(...) De mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] bedraagt op arbeidskundige gronden 80-100%.
Voordat hij ziek werd, werkte [appellant] als sjorder/meewerkend voorman bij Matrans Marin Services voor 38.66 uur per week. (...)
Door lichamelijke klachten van rug/nek/handklachten kan hij het fysiek belastende werk waarbij veel krachtsinspanning is vereist (onder meer zwaar tillen/dragen. duwen/trekken van kabels/kettingen om vracht vast te zetten) niet meer verrichten waardoor hij zijn taken als sjorder/meewerkend voorman niet kan doen. Hierdoor is cliënt ongeschikt voor het verrichten van de maatgevende arbeid.
[appellant] is aangewezen op rug/nek/arm/hand sparende werkzaamheden. Ik heb geen functies in CBBS kunnen vinden vanwege overschrijdingen op het gebied van overmatig zwaar tillen/dragen, veelvuldige hoofdbewegingen en overmatige krachtsinspanning van armen/handen, frequent reiken, hoofdbewegingen, trillingsbelasting en langdurig zitten.
Het loonverlies ten opzichte van het eigen werk is hierdoor 100%. Daarom bedraagt de mate
van arbeidsongeschiktheid op arbeidsdeskundige gronden 80-100%.
Overleg verzekeringsarts
De uitkomst van het arbeidskundig onderzoek is besproken met de verzekeringsarts. De verzekeringsarts gaat akkoord met de uitkomst. (...)"
In het arbeidsdeskundig rapport is verder vermeld als prognose, dat de verwachting is dat de medische situatie op lange termijn wezenlijk zal verbeteren en de functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zullen toenemen.
3.17
Met ingang van 5 juni 2015 is aan [appellant] een WGA/LGU-uitkering toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Vanaf 5 oktober 2017 is deze uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering.
3.18
Het UWV heeft op 19 april 2016 aan Matrans een ontslagvergunning verleend gebaseerd op de langdurige arbeidsongeschiktheid van [appellant] . Matrans heeft het dienstverband van [appellant] op 26 april 2016 opgezegd. In de opzeggingsbrief van Matrans van 26 april 2016 (prod. 2 inleidende dagvaarding) is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
"(...) Aangezien uw dienstverband langer dan 15 jaar heeft geduurd, geldt een opzegtermijn van 4 maanden. De behandeling van de aanvraag bij het UWV heeft 20 dagen geduurd, deze periode mag van de termijn afgetrokken worden. Opzegging geschiedt derhalve heden, tegen l september 2016. De laatste dag van uw dienstverband is derhalve 31 augustus 2016. (...)"
3.19
[appellant] heeft bij brief van 24 oktober 2016 (prod. 20 inleidende dagvaarding) aanspraak gemaakt op diverse bedragen ter zake van de transitievergoeding en niet genoten vakantiedagen. In die brief is voorts opgenomen:
"(...) Letselschade/beroepsziekte.
Ten slotte kan ik u berichten dat cliënt meent dat zijn gezondheidsklachten veroorzaakt zijn door de werkzaamheden die hij bij u heeft verricht. Cliënt heeft een onderzoek gestart naar de mogelijke aansprakelijkheid van u als werkgever voor de gezondheidsklachten die hij heeft opgelopen tijdens of door het werk dat hij bij u heeft verricht.
Op grond hiervan wenst cliënt ten aanzien van dit onderwerp zich alle rechten voor te behouden. Om te voorkomen dat vorderingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst met u verjaren, deel ik u namens cliënt uitdrukkelijk mee dat cliënt zich ondubbelzinnig alle rechten en in het bijzonder die op nakoming voorbehoudt. En zeker die rechten en vorderingen die al dan niet volledig gebaseerd zijn op letselschade dan wel beroepsziekte. Deze stuiting vindt plaats onder verwijzing naar artikel 3:316 jo 317 BW. (...)"
3.20
[appellant] heeft zich gewend tot het Bureau Beroepsziekten van de FNV (hierna: BBZ). Het BBZ heeft onderzoek verricht naar de arbeidsomstandigheden waaronder [appellant] zijn werkzaamheden bij Matrans heeft verricht. In de (ongedateerde) "Rapportage vooronderzoek" van de deskundige Arbeid en Gezondheid, [deskundige 1] , (prod. 5 dagvaarding) is voor zover van belang het volgende opgenomen:
"2. Samenvatting
[appellant] was van 01-07-1989 tot 31-08-20 16 als (voorman) sjorder in dienst bij Matrans Marine Service B.V. Tijdens zijn dienstverband verrichte hij dagelijkse veelvuldig normoverschrijdende fysiek belastende werkzaamheden. De werkgever heeft deze werkzaamheden onvoldoende in kaart gebracht en onvoldoende maatregelen genomen om de fysieke belasting zoveel mogelijk te beperken. [appellant] ontwikkelde nek- en rugklachten ten gevolge waarvan hij zich op 21-05-2013 definitief ziek moest melden.
(...)
5Arbeidsrelatie gezondheidsklachten
(...)
Aandoeningen aan de bovenste extremiteit
Aan de hand van het Saltsa-rapport (...) dat opgenomen is in de richtlijnen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (D022 Aspecifieke klachten aan de bovenste ledematen), kan de relatie tussen gediagnosticeerde specifieke en aspecifieke aandoeningen van het bewegingsapparaat aan de bovenste extremiteiten en arbeidsgerelateerde risicofactoren worden vastgesteld.
Het doorlopen van het vier-staps-proces in het Saltsa-rapport (...) resulteert in de beslissende stap in een rode/onacceptabele actiekleur voor de nek regio. Kortom, de aandoening van [appellant] wordt volgens deze methode gekwalificeerd als 'waarschijnlijk arbeidsgerelateerd'.
Arbeidsgerelateerdheid aspecifieke lage rugklachten
Aan de hand van het scoreformulier arbeidsgerelateerdheid aspecifieke lage rugklachten (Lotters et al., 2003) (...) dat opgenomen is in de richtlijnen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten kan de relatie tussen aspecifieke lage rugklachten en arbeidsgerelateerde risicofactoren worden vastgesteld.
(...)
Kortom, de aandoening van [appellant] wordt volgens deze methode gekwalificeerd als >50%, Tl>2 of trillingen >1.15 m/s2: een beroepsziekte. <50%: arbeidsgerelateerde gezondheidsschade.
Arbeidsgerelateerdheid lumbosacraal radiculairsyndroom
Aan de hand van de registratierichtlijn D023 van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). kan de relatie tussen lumbosacraal radiculairsyndroom (LRS) en arbeidsgerelateerde risicofactoren worden vastgesteld. LRS kan volgens deze richtlijn als arbeidsgerelateerd worden gekenmerkt wanneer beide fysieke factoren aanwezig zijn. Deze fysieke risicofactoren zijn:
1. het herhaald dagelijks tillen en/ of dragen van lasten zwaarder dan 5 kg, te denken valt aan meer dan 10 jaar blootstelling en/ of tillen en/of dragen van meer dan 2 uur per dag, of vaker dan 25 keer per dag;
2. het herhaald of langdurig dagelijks buigen van de romp, te denken valt aan meer dan 20 graden buigen van de romp gedurende meer dan 1 uur per dag.
[appellant] gaf tijdens de arbeidsanamnese aan dat beide fysieke risicofactoren werden overschreden. Volgens de richtlijn van het NCvB kan zijn LRS dus worden gekwalificeerd als arbeidsgerelateerd. (...)"
Als bijlage bij de Rapportage Vooronderzoek is onder meer opgenomen het ingevulde scoreformulier van Bureau Beroepsziekten. Hierin is als toelichting het volgende vermeld:
"(...) Score [appellant] :
A1: [appellant] hanteerde dagelijks > 10% van de werkdag lasten van > 15 KG. Score 7
B1: [appellant] werkte dagelijks > V* uur met de romp > 40 graden gebogen en/of gedraaid. Score 7
C1: [appellant] werd dagelijks blootgesteld aan trillingsniveau's van >0,5 m/s2-Score 3. Deze score is aangehouden aangezien er geen trillingsniveaus van de heftruck gemeten zijn door de werkgever. Het is zeer waarschijnlijk dat de trillingen in werkelijkheid hoger liggen, mede gezien het oneffen wegdek.
Kijk in de tabel naar de leeftijd en bepaal aan de hand van de totaalscore de kans op arbeidsgerelateerdheid (%). De totaalscore van [appellant] is 17 punten. Bij een leeftijd van 44 jaar, de leeftijd waarop [appellant] arbeidsongeschikt geworden is met onder andere rugklachten, is de kans op arbeidsgerelateerdheid van de aspecifieke rugklachten 57%."
3.21
[appellant] heeft Matrans op 5 september 2019 op grond van artikel 7:658 BW (opnieuw) aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade.
3.22
Het medisch dossier van [appellant] is ter beoordeling voorgelegd aan de bedrijfsarts en medisch adviseur [bedrijfsarts] . In de rapportage van 8 januari 2020 (prod. 19 inleidende dagvaarding) is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
"(...)
Gezondheidsschade
Betrokkene is een 50 jarige man. In 1989 komt hij in dienst bij Oceana bv (in 1996 overgenomen door Matrans Marine Services BV) in de functie van (voorman) sjorder. (...)
Conclusies
- Betrokkene heeft chronische nek-en lage rugklachten bij degeneratieve afwijkingen (radiculaire prikkeling L4-L5 bij HNP, chronisch pijnsyndroom met lumbago en cervicale discopathie).
- Deze klachten/aandoeningen worden in de literatuur in verband gebracht met nek- en rugbelastende arbeidsomstandigheden.
- Gezien de documentatie had hij fysiek zwaar werk voor het gehele houdings- en
bewegingsapparaat, waarbij o.a. gezondheidsdeskundige blootstellingsnormen voor nek en rug vrijwel dagelijks zijn overschreden.
- Samenhang in tijd: De nek- en rugklachten zijn ontstaan en toegenomen ten tijde van dit dienstverband.
- Behalve normale leeftijdsgebonden degeneratie van de wervelkolom zijn geen andere (mogelijk) oorzakelijke factoren gedocumenteerd of waarschijnlijk.
- Toepassing van genoemde registratierichtlijnen leidt tot de conclusie dat nek-/rugklachten en daaruit voortvloeiende beperkingen arbeidsgerelateerd zijn.
(...)
- Houden de klachten/beperkingen verband met de blootstelling bij werkgever?
Ja, zowel de nekklachten/beperkingen als de rugklachten/beperkingen zijn arbeidsgerelateerd.
- Was cliënt voor zijn definitieve uitval ook al bekend met klachten/ beperkingen?
In 1996 en 2008 zijn eerdere episodes door de huisarts genoemd met rug/nekklachten. Hier is geen verdere documentatie van. Betrokkene verklaart dat het kortdurende episodes van aspecifieke klachten betrof, welke vrij snel (na mogelijk behandeling met fysiotherapie) volledig zijn verdwenen.
- Zo ja, was te verwachten dat de preexistente aandoeningen op korte termijn klachten zouden geven? Zo ja, binnen welke termijn en waar zouden die klachten dan uit bestaan?
De nek- en rugklachten in 1996 en 2008 mogen worden aangemerkt als kortdurend en aspecifiek. Bij nek- en rugbelastende omstandigheden is het niet vreemd dat dergelijke klachten af en toe optreden. Van echte pre-existente klachten (vòòr aanvang dienstverband) blijkt geen sprake.
- Is er sprake van een medische eindtoestand?
Ja, in die zin dat een verbetering niet meer wordt verwacht. Bij toenemende veroudering zullen de klachten op termijn geleidelijk kunnen toenemen."
3.23
[operationeel planner] , Operationeel Planner en Manager Operations bij Matrans heeft een rapport d.d. mei/juni 2021 (prod. 7 bij conclusie van antwoord) opgesteld met betrekking tot de werkzaamheden van [appellant] tijdens zijn dienstverband. Hij heeft daarin de volgende samenvatting opgenomen:
" [appellant] is samen met zijn vader bij Matrans in dienst gekomen om kennis en ervaring in huis te halen op het gebied van stukgoed sjorren. Het stukgoed sjorren was en is een beperkt deel van de dienstverlening van Matrans. De medewerkers die het systeem-sjorren uitvoer(d)en versterken bij gelegenheid de dienstverlening in het stukgoed-sjorren, niet andersom. [appellant] werd dan ook nagenoeg uitsluitend voor stukgoed-sjorren ingezet.
De ouderwetse manieren van stukgoed-sjorren zijn zeker belastend. Het sjorren met staaldraad en kettingen werd met name in de begintijd van [appellant] dienstverband nog veel gebruikt bij met name zwaardere breakbulklading. Dit was niet een dagelijkse activiteit maar een wekelijkse. Matrans heeft altijd gezocht naar lichtere en efficiëntere manier van stukgoed-sjorren. Er is nooit bespaard op hulpmiddelen als vorkheftrucks en (lucht)gereedschappen. De werkzaamheden vonden wel plaats in de open lucht maar het grootste gedeelte wel op een vaste locatie waar hulpmiddelen makkelijk beschikbaar waren. Gedurende het hele dienstverband van [appellant] werd er veel gebruik gemaakt van lichtere methodieken zoals sjorren met nylonband of staalband op flats, containers en lichtere breakbulklading. Dit was de basis van de dagelijkse werkzaamheden van [appellant]. Het sjorren met nylon band van zware breakbulklading werd echter pas na het dienstverband van [appellant] breed toegepast en geaccepteerd door de gehele markt."
3.24
In het kader van de herbeoordeling WIA is het arbeidsongeschiktheidspercentage van [appellant] vastgesteld op 100%. Dit is bij brief van 8 september 2021 aan [appellant] meegedeeld. In de bijbehorende verzekeringsgeneeskundige rapportage van 8 augustus 2021 is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
"5.2. Prognose
Verbetering van de belastbaarheid is het komende jaar of daaropvolgende jaar niet of nauwelijks te verwachten. Het betreft een ziektebeeld zonder verdere behandelmogelijkheden. De arbeidsbeperkingen zijn duurzaam.
6Conclusie
De klant heeft verminderde functionele mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek overeenkomstig de functionele mogelijkhedenlijst. De arbeidsbeperkingen zijn duurzaam. (...)"
4Procedure bij de kantonrechter
4.1
[appellant] heeft gevorderd de veroordeling van Matrans bij vonnis, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, tot betaling aan [appellant] , van:
-
een bedrag van € 20.000,- als voorschot op de totale schadevergoeding;
-
alle door hem geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van uitval c.q. de vervaldata, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
-
de kosten van de procedure.
4.2
Aan zijn vorderingen heeft [appellant] het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft zijn werkzaamheden voor Oceana, Unilash en Matrans onder fysiek zware omstandigheden verricht, waarbij sprake was van dagelijks normoverschrijdende tilbelasting in ongunstige houdingen. Als gevolg daarvan heeft [appellant] chronische nek- en lage rugklachten ontwikkeld. Matrans is aansprakelijk voor de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden en nog zal lijden, zoals inkomensverlies, verlies aan zelfwerkzaamheid, pensioenschade, immateriële schade en buitengerechtelijke kosten. Matrans heeft namelijk onvoldoende gedaan om [appellant] te beschermen tegen de blootstelling en heeft daarmee de op haar rustende zorgplicht jegens [appellant] geschonden. De gevaren voor de gezondheid van [appellant] zijn door Matrans onvoldoende inzichtelijk gemaakt, zijn door haar niet voorkomen en zijn onvoldoende beperkt door bijvoorbeeld het inzetten van geschikte hulpmiddelen, meer personeel, lichtere materialen en afwisseling van de werkzaamheden. Matrans heeft [appellant] evenmin voorgelicht over eventuele gezondheidsrisico's.
4.3
Matrans heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [appellant] en daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De vordering van [appellant] is verjaard. Voor zover de vordering van [appellant] niet is verjaard, heeft te gelden dat [appellant] pas op 1 november 2007 in dienst is getreden bij Matrans. Er is geen sprake geweest van een overgang van onderneming van Oceana of Unilash naar Matrans en ook niet van een directe (juridische) band tussen Matrans en Unilash. Matrans kan dus niet aansprakelijk worden gehouden voor de wijze waarop Oceana en Unilash met [appellant] zijn omgegaan. De door [appellant] gegeven beschrijving van zijn werkzaamheden is verder onjuist, omdat hij werkzaamheden heeft opgesomd die hij (vrijwel) nooit heeft uitgevoerd. [appellant] heeft ook niet bewezen dat er sprake is van een causaal verband tussen zijn klachten en de door hem (daadwerkelijk) verrichte werkzaamheden bij Matrans. Zijn klachten zijn vermoedelijk ontstaan door zijn werkzaamheden voor Oceana. Matrans heeft voldoende veiligheidsmaatregelen en preventieve maatregelen genomen. Matrans bestrijdt daarom dat [appellant] schade lijdt waarvoor zij aansprakelijk is. Tevens bestrijdt Matrans de door [appellant] gestelde omvang van de schade.
4.4
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 15 juli 2022 het beroep op verjaring van Matrans verworpen (rov. 4.1). Verder heeft zij - samengevat - geoordeeld als volgt. Matrans is niet aansprakelijk voor de schade die [appellant] mogelijk heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Oceana (rov. 4.4 en 4.5). [appellant] heeft vanaf 31 december 1996 steeds onder leiding en toezicht van Matrans gewerkt. De vraag wie heeft te gelden als formele werkgever vanaf 31 december 1996 kan daarom in het midden blijven. Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is Matrans namelijk hoe dan ook aansprakelijk voor de schade die [appellant] mogelijk in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden vanaf 31 december 1996 (rov. 4.6 tot en met 4.8). Het ligt op de weg [appellant] om een zo concreet en overzichtelijk mogelijke weergave te geven van zijn werkzaamheden vanaf 31 december 1996. Daarbij zal hij per werkzaamheid beknopt dienen aan te geven, op welke wijze, gedurende welke periode en in welke frequentie hij die uitvoerde. [appellant] is bij het genoemde tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich bij akte hierover uit te laten en Matrans om daarop bij akte te reageren.
4.5
Bij tussenvonnis van 16 december 2022 heeft de kantonrechter vervolgens, na aktewisseling door partijen, de aard van de werkzaamheden, de frequentie daarvan en de daarbij gehanteerde methodiek vastgesteld. Het hof verwijst naar de (uitvoerige) overwegingen die de kantonrechter daaraan heeft gewijd in rov. 2.2 tot en met 2.39 van dat vonnis.
4.6
Daarna heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 7 april 2023 een deskundige benoemd om, kort gezegd, de vraag te beantwoorden in hoeverre de door [appellant] ervaren gezondheidsproblemen door de - in het tussenvonnis van 16 december 2022 vastgestelde - werkzaamheden kunnen zijn veroorzaakt. Tot deskundige is benoemd [deskundige 2] , orthopedisch chirurg (hierna ook: [deskundige 2] ).
4.7
De deskundige [deskundige 2] heeft op 29 februari 2024 zijn deskundigenbericht opgemaakt (hierna ook: het deskundigenrapport). In het deskundigenrapport heeft [deskundige 2] op basis van het door hem verrichte onderzoek onder meer als volgt geconcludeerd (citaat zonder vermelding van voetnoten):
"VII. CONCLUSIE:
Een 53-jarige ex-sjorder die in 2015 werd afgekeurd voor werk vanwege:
1. Chronische pijn in de hele wervelkolom sinds 2012
2. Chronische pijnklachten in de nek met uitstraling naar schouders en armen met een discusversmalling met name van C5-C6 met anterieure spondylofytvorming als teken van een cervicale spondylose met ook een periode van een radiculair syndroom C6.
3. Status na een laminectomie C2-bovenrand C7 met persisterende klachten en klein gebied met myelopathie ter hoogte van C5 met hyper drukgevoelig operatielitteken.
4. Persisterende klachten van de nek met klachten van uitstralende pijn, tintelingen en krampen in armen en benen. Daarnaast treden aanvallen op van kramp en pijnscheuten in de kniën en kuiten zonder, naar zijn gevoel, een duidelijke relatie met de rug met daarbij veranderingen in het plas- en defecatiepatroon. Bovenstaande is een indicatie voor nader neurologisch onderzoek.
5. Schouderklachten deels passend bij SAPS (Subacromiaal Pijnsyndroom van de Schouder).
6. Drukpijn op de processus coracoïdeus beiderzijds. Verder onderzoek naar het bestaan van een bicepstendinitis is mogelijk.
7. Chronische specifieke rugklachten met periodes van uitstralende pijn in het linkerbeen bij HNP L4-L5 met compressie van de wortel L4 links.
8. Status na een HNP L5-S1 met wortelcompressie en een radiculair syndroom Sl-links waarvoor een wortelblokkade SI links werd uitgevoerd zonder effect.
9. Lichte discopathieën in de lumbale wervelkolom met beginnende osteofytvorming van L5-S1 en in mindere mate van L4-L5 bij een discopathie bij geringe facethypertrofie.
10. Persisterende pijnklachten linker heupregio sinds juli 2008 zonder aantoonbare anatomische afwijkingen.
11. Verminderde endorotatie mogelijkheid in de linker heup bij een sterke versmalde gewrichtsspleet op de laterale röntgenfoto als tekenen van bij een beginnende heupslijtage.
12. Ook de rechter heup toont een begin van slijtage.
BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN:
(...)
Vraag 6 : Hoe waarschijnlijk vindt u het dat de klachten van [appellant] een gevolg zijn van de werkzaamheden die hij van 31 december 1996 tot 21 mei 2013 uitvoerde, zoals vastgesteld in het tussenvonnis van 31 december 2022? Kunt u uw antwoord zoveel mogelijk uitdrukken in een waarschijnlijkheidspercentage (zeer waarschijnlijk - waarschijnlijk - mogelijk waarschijnlijk - zeer onwaarschijnlijk) en dit motiveren, mede onder verwijzing naar de literatuur?
Antwoord: Zoals in hoofdstuk VI uiteengezet is het erg lastig om de nekklachten van [appellant] direct te correleren met de werkzaamheden die hij van 31 december 1996 tot 21 mei 2013 uitvoerde. Nekpijn komt veel voor in de bevolking met een jaarlijkse prevalentie van 30-50 %. Er zijn vele studies gedaan naar de relatie tussen zware fysieke arbeid en chronische nek- en schouderpijn. Fysiek zware belasting bleek een significante factor te zijn in het ontstaan van chronische nek-en rugpijn maar niet de enige. Uit een recente multivariabele analyse blijkt dat sociaaleconomische status, beroepsomstandigheden, psychologische en leefstijlkenmerken zoals een lage opleiding, alleen wonen, werkeloosheid, roken, alcoholgebruik, overgewicht, psychiatrische klachten etc. eveneens factoren zijn die bijdragen tot het krijgen van chronische pijn in de nek, schouders, en rug. Deze chronische pijn is niet duidelijk te correleren aan weefselschade. Door deze nog steeds niet goed begrepen complexe mengeling van biologische en psychosociale factoren blijft de kennis over de oorzaak en gerichte behandeling van deze chronische pijnklachten onbevredigend.
[appellant] heeft degeneratieve CWK-afwijkingen zoals een discopathie, osteofytvorming en slijtage in de facetgewrichten. Hiervan is bekend dat deze nekpijn kunnen veroorzaken. Bij chronische nekpijn beschouwt men met name degeneratieve facetgewrichten bij 26-70% van de patiënten als primaire pijnbron. De grote spreiding in prevalenties van nekklachten bij degeneratieve cervicale facetgewrichten roept wel de vraag op hoe betrouwbaar degeneratie als bron voor nekpijn is vast te stellen. De problemen in de diagnostiek van nekpijn werden in Hoofdstuk VI besproken. Daarnaast werd bij [appellant] door de neurochirurg de diagnose cervicale stenose gesteld mogelijk door een combinatie van degeneratie en/of aanleg. De laminectomie behandeling hiervan heeft echter niet het gewenste resultaat opgeleverd. Zoals in Hoofdstuk VI vermeld blijken weinig onderwerpen in de geneeskunde zo controversieel als de oorzaken, diagnostiek en behandeling van nekklachten. Om die reden blijven nekklachten in relatie met fysieke arbeid en degeneratieve afwijkingen in de cervicale wervelkolom een bron van voortdurende discussie, ook tussen verzekeraars. Om die reden kan men zeggen dat de werkzaamheden van [appellant] mogelijk waarschijnlijk hebben bijgedragen tot zijn nekklachten
Vergelijkbare problemen doen zich voor in de beoordeling van de relatie lage rugklachten, degeneratieve afwijkingen en fysiek zware arbeid. Aspecifieke rugklachten komen bij 85-95% van de patiënten met rugklachten voor. Aspecifieke lage rugklachten zijn een symptoom, geen diagnose, zonder aantoonbare weefselschade. Naast een trauma kunnen degeneratie, infecties, systeemziektes zoals diabetes, overgewicht, genetische factoren en mechanische overbelasting zoals bij een fysiek zwaar beroep aspecifieke rugklachten veroorzaken. Daarnaast kunnen ook psychosociale factoren een rol kunnen spelen waardoor het in de dagelijkse praktijk een uitdaging blijft om de oorzaak van aspecifiek rugklachten vast te stellen. Dit verklaart ook waarom er nog steeds geen goede verklaring voor is te vinden en waarom er weinig reden is voor interventie. De meeste richtlijnen bevelen beeldvorming van de rug niet aan, omdat correlaties tussen symptomen en radiologische symptomen vaak ontbreken. Hierdoor ontstaat immers ook het risico op onnodige behandeling en op verlenging van de klachten. In een klein percentage van mensen met aspecifieke rugpijn wordt de rugpijn chronisch en invaliderend, waarbij er groeiend bewijs is dat ook centraal pijn-regulerende mechanismen en pijnbeleving een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van persisterende lage rugklachten.
Beeldvorming bij [appellant] laat een wat versmalde discus van L5-S1 zien evenals de overige discii van de lumbale wervelkolom als teken van degeneratie: de lumbar disc disease. Zoals gezegd kunnen meerdere onderdelen van de wervelkolom een bron van aspecifieke rugpijn vormen zoals de discus (in 40% van de gevallen), de facetgewrichten (8-40%) en het sacro-iliacale gewricht (15%). Er bestaan helaas geen klinische testen die de pijnbron bij een aspecifieke rugpijnpatiënt kan aanwijzen. [appellant] had een fysiek zwaar beroep als sjorder dat als een risicofactor bekend staat voor het krijgen van lage rugpijn bij degeneratieve discusafwijkingen in de lumbale wervelkolom. Mechanische overbelasting is erkend als een belangrijke factor in het ontstaan en progressie van discusdegeneratie. Discusdegeneratie kan ook ontstaan door veroudering, een trauma, infecties, ziektes als diabetes, overgewicht en genetische factoren gelet ook op de rugklachten van de vader en broer van betrokkene.
Mechanische overbelasting zoals bij zwaar tillen, en belaste flexie- en rotatie bewegingen met de romp, kan de wervelkolom mechanisch overbelasten met discusdegeneratie en/of een HNP als mogelijke gevolgen. Mechanische overbelasting kan dus een belangrijke factor zijn in het ontstaan en progressie van discusdegeneratie en dus mogelijk ook van lage rugpijn maar andere factoren kunnen daarbij ook een rol spelen. Geschat wordt dat 37% van de lage rugklachten te maken heeft met arbeid-gerelateerde risicofactoren. Dit risico wordt hoger geschat bij mannen die vaker zware lichamelijke arbeid verrichten. Om die reden kan men zeggen dat de werkzaamheden van [appellant] mogelijk waarschijnlijk hebben - bijgedragen tot zijn rugklachten.
Vraag 7: Hoe waarschijnlijk vindt u het dat [appellant] de klachten ook zou hebben gekregen, als hij de werkzaamheden zoals genoemd in het tussenvonnis van 16 december 2022 niet had verricht? Kunt u uw antwoord zoveel mogelijk uitdrukken in een waarschijnlijkheidspercentage (zeer waarschijnlijk - waarschijnlijk - mogelijk waarschijnlijk - zeer onwaarschijnlijk) en dit motiveren, mede onder verwijzing naar de literatuur? Kunt u (indien van toepassing) aangeven op welke termijn en in welke omvang de klachten dan hadden kunnen ontstaan?
Antwoord: De consequentie van de beantwoording van vraag 6 is dat [appellant] mogelijk waarschijnlijk ook nek- en rugklachten had kunnen krijgen zonder de uitgevoerde werkzaamheden. Zoals gezegd kunnen zowel de nek- als rugklachten door een veelheid van factoren ontstaan naast overbelasting door zware fysieke arbeid zodat ook hier mogelijk waarschijnlijk het best te onderbouwen antwoord is. (...)"
4.8
Bij eindvonnis van 6 september 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen [appellant] deels toegewezen, in die zin dat Matrans is veroordeeld om:
-
aan [appellant] 20% van de materiële en immateriële schade te vergoeden, die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden door zijn nek- en rugklachten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 mei 2013, nader op te maken bij staat;
-
aan [appellant] een bedrag van € 28.036,19 (zijnde een voorschot op de schadevergoeding en de helft van de kosten van de deskundige) te betalen.
Daarnaast heeft de kantonrechter de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en heeft zij [appellant] bevolen om een bedrag van € 383,24 rechtstreeks aan de deskundige te betalen.
De kantonrechter heeft dit oordeel - samengevat - gemotiveerd als volgt.
Het causaal verband tussen de gezondheidsklachten van [appellant] en de werkomstandigheden is te onbepaald om de arbeidsrechtelijke omkeringsregel te hanteren. Matrans heeft haar zorgplicht tegenover [appellant] geschonden en de kans dat de gezondheidsklachten van [appellant] hierdoor zijn veroorzaakt is niet zeer klein. Gezien de omstandigheden van deze zaak oordeelt de kantonrechter dat Matrans proportioneel aansprakelijk is voor de schade van [appellant] . Matrans is voor 20% aansprakelijk voor de schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden door de nek- en rugklachten. De kantonrechter ziet geen kans om de schade nu te begroten omdat het partijdebat daar niet over is gegaan, en verwijst partijen naar de schadestaatprocedure. Het gevorderde voorschot van € 20.000,- is toewijsbaar omdat alleen al (20% van) de geleden inkomensschade naar schatting inmiddels al € 32.000,- bedraagt. Omdat beide partijen voor een deel in het ongelijk zijn gesteld, dienen partijen de eigen proceskosten te betalen en moeten zij elk de helft van de kosten van de deskundige betalen, aldus de kantonrechter.
5Vordering in hoger beroep
5.1
[appellant] vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, met veroordeling van Matrans in de kosten van beide instanties.
5.2
Samengevat zien de bezwaren (grieven) van [appellant] op het volgende. De kantonrechter had de arbeidsrechtelijke omkeringsregel moeten toepassen voor de bij [appellant] gediagnostiseerde gezondheidsschade in de vorm van nek-, schouder- en rugklachten (grief 1). Dat betekent dat [appellant] is geslaagd in zijn bewijslast en dat Matrans gezien de vastgestelde blootstelling en zorgplichtschending, volledig aansprakelijk is voor alle door [appellant] als gevolg van zijn nek-, schouder- en rugklachten geleden en nog te lijden schade (grief 2). Aldus had de kantonrechter volgens [appellant] niet over mogen gaan tot toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid (grief 3). In de zaak van [appellant] staat de kans dat de fysieke overbelasting bij Matrans de gezondheidsschade heeft veroorzaakt, tegenover de kans van een onbekende niet nader te duiden oorzaak, de kans van "het grote niet weten". Voor die situatie is het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid niet in het leven geroepen. Voor die causaliteitsonzekerheid dient de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Als de werknemer over de drempel van die causaliteitsonzekerheid heen is - in de zin dat de kans dat de werkzaamheden de schade kan hebben veroorzaakt aannemelijk is en niet te onzeker of te onbepaald - dan dient het causaal verband volledig te worden aangenomen. Daarnaast (aldus grief 4) heeft de kantonrechter het percentage voor de proportionele aansprakelijkheid veel te laag vastgesteld door een percentage van 37% als uitgangspunt te nemen, en dat ten onrechte nog naar beneden (20%) te corrigeren (grief 5). Het deskundigenbericht geeft juist aanleiding - vanwege de afwezigheid van andere mogelijke risicofactoren in de concrete situatie van [appellant] - om het percentage vast te stellen op meer dan 50, aldus [appellant] .
5.3
Matrans heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de grieven van [appellant] en incidenteel hoger beroep tegen het eindvonnis ingesteld. Het incidenteel appel strekt ertoe dat Matrans niet, dan wel tot een door het hof in goede justitie te bepalen mate, zijnde minder dan 20%, aansprakelijk is voor de schade van [appellant] . Volgens Matrans moet [appellant] voorts worden veroordeeld in de kosten van het geding, zowel in eerste als in tweede instantie, inclusief de kosten van de deskundige.
6Beoordeling in hoger beroep
6.1
Tegen de verwerping door de rechtbank van het verjaringsverweer van Matrans is geen incidentele grief gericht zodat het hof uit gaat van dat oordeel (waarmee het hof zich overigens kan verenigen).
6.2
[appellant] voert in appel aan dat de kantonrechter de arbeidsrechtelijke omkeringsregel had moeten toepassen ten aanzien van het bestaan van causaal verband tussen de werkzaamheden die hij heeft uitgevoerd vanaf 31 december 1996 en de bij hem ontstane klachten aan nek/schouder en rug. [appellant] stelt dat voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in zijn geval aanleiding bestaat nu het verband tussen de ontstane gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden niet te onzeker of onbepaald is. Het hof is het daarmee eens en licht tot oordeel toe als volgt.
6.3
Partijen hebben op zich geen bezwaren gericht tegen de maatstaf die de kantonrechter heeft aangelegd ten aanzien van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, als vervat in rov. 4.10 van het tussenvonnis van 15 juli 2022. Deze maatstaf, die het hof overneemt, luidt als volgt:
"(...) 4.10. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is het aan de werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade moet in beginsel worden aangenomen als de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt, en zo nodig bewijst, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt (Hoge Raad 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA8369, Hoge Raad 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6 166 en Hoge Raad 9 januari 2009. ECLI:NL:HR:2009:BF8875). De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat, als de zojuist genoemde feiten komen vast te staan, de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is (ECLI:NL:HR:2013:BZI717)."
6.4
Met de kantonrechter (rov. 4.11 van voornoemd tussenvonnis) is het hof verder van oordeel dat het op de weg van [appellant] lag om te stellen (en zonodig te bewijzen) welke werkzaamheden hij heeft verricht vanaf 31 december 1996. Het hof kan zich in dit verband verenigen met het oordeel van de kantonrechter dat Matrans hoe dan ook aansprakelijk is voor de schade die [appellant] mogelijk heeft geleden in die bewuste (arbeids)periode, dat wil zeggen vanaf 31 december 1996 (rov. 4.8 van voornoemd tussenvonnis).
6.5
Nadat [appellant] in eerste aanleg een overzicht had gegeven van zijn werkzaamheden in de voornoemde periode en Matrans daarop had gereageerd, heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 16 december 2022 de inhoud van die werkzaamheden, alsmede de frequentie en de methodiek daarvan vastgesteld (zie rov. 2.2 tot en met 2.39). Het hof stelt vast dat tegen deze uitvoerig gemotiveerde feitelijke vaststelling geen grieven of andere bezwaren zijn gericht. Ter zitting heeft de advocaat van Matrans desgevraagd bevestigd dat zij geen incidenteel appel heeft bedoeld in te stellen tegen de werkzaamheden als vastgesteld in dit tussenvonnis (zie ook hetgeen hierna is overwogen ten aanzien van het incidenteel appel). Het hof gaat dan ook uit van deze vastgestelde feitelijke werkzaamheden, alsmede van de frequentie en methodiek daarvan. Het deskundigenrapport van [deskundige 2] is daarop vervolgens gebaseerd, gelet op de vraagstelling door de kantonrechter (die voortbouwt op het vonnis van 16 december 2022) en de beantwoording daarvan in het rapport. Matrans heeft op dit punt overigens ook geen bezwaren gericht tegen de wijze waarop de deskundige deze (door de kantonrechter vastgestelde) werkzaamheden in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof neemt de bevindingen van de deskundige over en maakt deze tot de zijne. Dit alles betekent dat, voor zover Matrans in haar processtukken niettemin uit gaat van andere werkzaamheden of van werkzaamheden met een andere frequentie of andere methodiek dan door de deskundige in zijn overwegingen zijn betrokken, het hof daaraan voorbij gaat.
6.6
De deskundige heeft ten aanzien van de nek/schouderklachten geoordeeld dat de werkzaamheden van [appellant] daaraan mogelijk waarschijnlijk hebben bijgedragen. Hetzelfde geldt volgens de deskundige voor de rugklachten. Voor wat betreft de rugklachten noemt de deskundige een percentage van 37%, waarbij hij nog opmerkt dat dit bij mannen die vaker zware lichamelijke arbeid verrichten (zoals [appellant] , hof) hoger ligt. Hetzelfde geldt volgens de deskundige voor andere mogelijke oorzaken dan de werkzaamheden, ook daarvoor geldt dat deze mogelijk waarschijnlijk aan de gezondheidsklachten hebben bijgedragen. Met Matrans (pleitnotities mr. Ooijkaas op p. 8) is het hof van oordeel dat uit deze bevindingen blijkt dat de kans dat de gezondheidsschade van [appellant] door de werkzaamheden is veroorzaakt even groot is als de kans dat zij niet door het werk maar door andere factoren is veroorzaakt; dat wil zeggen een verhouding van fifty-fifty (50%-50%). Nu daarmee vaststaat dat de gezondheidsklachten kunnen zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden, treedt het vermoeden in werking dat de gezondheidsschade van [appellant] is veroorzaakt door de omstandigheden waarin hij zijn werkzaamheden heeft verricht. Voor dit vermoeden is alleen geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Anders dan Matrans, is het hof van oordeel dat de hiervoor genoemde kans van 50% dat de gezondheidsschade door de werkzaamheden is veroorzaakt voldoende is voor het in werking treden van de - hiervoor besproken - arbeidsrechtelijke omkeringregel. Een kans van 50% dat [appellant] door zijn zware werkzaamheden, mede gelet op de frequentie en methodiek daarvan (als door de kantonrechter vastgesteld), gezondheidsschade aan zijn nek/schouders en rug heeft opgelopen, kan naar het oordeel van het hof niet als te onzeker of te onbepaald worden gekwalificeerd.
6.7
Mede gelet op het beschermingskarakter van de norm die Matrans als werkgever heeft geschonden ter voorkoming van letselschade (waarover later meer), is op grond van het voorgaande (rov. 6.5) het vermoeden gerechtvaardigd dat de schade van [appellant] aan zijn nek/schouders en rug is veroorzaakt door de fysiek zware omstandigheden waarin hij zijn werkzaamheden heeft verricht. Aldus is het aan Matrans om dit vermoeden te weerleggen. Het hof is van oordeel dat Matrans daar niet in is geslaagd en licht dit toe als volgt.
6.8
Matrans heeft erop gewezen dat sociaal-economische status, beroepsomstandigheden, psychologische en leefstijlkenmerken zoals lage opleiding, alleen wonen, werkeloosheid, roken, alcoholgebruik, overgewicht, psychiatrische klachten en dergelijke (zoals ook het naar beneden kijken op een tablet of smartphone) ook factoren zijn die bij [appellant] hebben bijgedragen aan het krijgen van chronische pijn in de nek, schouders en rug. Het hof is echter van oordeel dat Matrans geen, dan wel onvoldoende objectiveerbare gegevens in het geding heeft gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat deze (niet-werkgerelateerde) factoren bij [appellant] een zodanig grote rol hebben gespeeld in de periode tot aan zijn uitval op 21 mei 2013 wegens arbeidsongeschiktheid, dat het hiervoor bedoelde vermoeden is weerlegd. Het blijft wat dit verweer van Matrans betreft bij algemene, niet onderbouwde stellingen. Dat [appellant] in de bedoelde periode psychologische en/of leefstijlkenmerken had die een (voldoende) sterke aanwijzing opleveren dat hij de klachten daardoor heeft ontwikkeld, is evenmin aannemelijk geworden. [appellant] woonde in de bedoelde periode immers niet alleen en hij was niet werkloos. Bovendien is niet gebleken is dat bij hem toentertijd sprake was van overgewicht, alcoholgebruik of psychiatrische klachten, dan wel van (enig overmatig) gebruik van een tablet of een smartphone. Dat [appellant] ongeveer vijf sigaretten per dag rookte legt als zodanig onvoldoende gewicht in de schaal, ook omdat dit naar ervaringsregels niet als zwaar roken kan worden gekenmerkt (en de deskundige dit ook niet als zwaarwegend aanmerkt).
6.9
Dat [appellant] een lage opleiding, een gemiddeld laag inkomen en een relatief lage positie op de arbeidsmarkt heeft en dat hij daardoor (mogelijk) een lage sociaal-economische status heeft, legt - in zijn algemeenheid - evenmin voldoende gewicht in de schaal. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat zijn vader en zijn broer ook bepaalde rugklachten hebben ontwikkeld (waardoor mogelijk sprake zou zijn van een genetische aanleg voor dergelijke klachten). De vader heeft immers eveneens langere tijd voor Oceana c.q. de (rechtsvoorganger van) Matrans gewerkt en aldaar, onder vergelijkbare omstandigheden als bij [appellant] (hetzelfde team), zware fysieke werkzaamheden in hetzelfde team verricht, en ook de broer heeft zware werkzaamheden verricht, zowel in de haven als in de bouw. Aldus kan (bij gebreke van genoegzaam verifieerbare gegevens die daarop zouden wijzen, hetgeen op de weg lag van Matrans) niet worden aangenomen dat de bedoelde gezondheidsklachten bij hen (vooral) door genetische aanleg zijn ontstaan. Bovendien is de betreffende - oudere - broer (anders dan [appellant] ), zoals ter zitting onbetwist is aangevoerd, nog steeds werkzaam (in zijn aannemingsbedrijf) en is niet gesteld of gebleken dat hij wezenlijke fysieke beperkingen ondervindt in zijn huidige dagelijks leven.
6.10
Verder is evenmin gebleken dat bij [appellant] , voor diens uitval in 2013, sprake was van een trauma, van infecties of van een systeemziekte als diabetes (nog weer andere factoren die volgens de deskundige een rol kunnen spelen bij het ontstaan van aspecifieke rugklachten). De stelling van Matrans dat [appellant] psychische klachten heeft en dat die voor zijn eigen rekening komen, slaagt ook niet. Dat [appellant] tijdens zijn werkzaamheden bij Matrans psychische klachten had, blijkt namelijk nergens uit. Dat hij na afloop van zijn dienstverband met Matrans psychische klachten heeft ontwikkeld, waarvoor hij al dan niet hulp heeft moeten zoeken, zou hooguit een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de (omvang van de) schadeposten, hetgeen pas na dit arrest aan de orde komt. Hetzelfde geldt voor de gestelde weigering een nekkraag o.i.d. te dragen en voor de stelling dat [appellant] vanaf 2013 voor Matrans weinig tot geen fysieke arbeid meer verricht zodat een verergering van de klachten niet door zware arbeid in die periode kan zijn veroorzaakt. Voor het feit dat [appellant] , na zijn uitval, op medisch voorschrift pijnstillende middelen, zoals fentanyl, is gaan gebruiken die (mogelijk) als drugs gekwalificeerd moeten worden, geldt dit alles overigens ook.
6.11
Matrans heeft de door haar aangevoerde (alternatieve) verklaringen voor het ontstaan van de nek/schouder- en rugklachten van [appellant] bovendien niet onderbouwd door objectiveerbare gegevens, zoals rapportages van geneeskundige aard. Dit had op haar weg gelegen, te meer gelet op de door [appellant] overgelegde rapportage van de bedrijfsarts/medisch adviseur [bedrijfsarts] (hierna: [bedrijfsarts] ). In zijn rapportage (als hiervoor geciteerd in rov. 3.22) heeft [bedrijfsarts] op basis van zijn medische deskundigheid en bestudering van het medisch dossier van [appellant] , onder meer het volgende geconcludeerd. Volgens [bedrijfsarts] zijn behalve de normale leeftijdgerelateerde veroudering van de wervelkolom geen andere (mogelijk) oorzakelijke factoren gedocumenteerd of waarschijnlijk en leidt toepassing van de zogeheten NCVB-richtlijnen (als opgesomd op p. 7 van zijn rapport) tot de conclusie dat de nek-/rugklachten van [appellant] arbeidsgerelateerd zijn. Het hof is van oordeel dat (ook) de rapportage van [bedrijfsarts] , waarvan de conclusies ter zitting met partijen zijn besproken, voldoende gemotiveerd, begrijpelijk en overtuigend zijn. De enkele, niet nader onderbouwde opmerking aan de zijde van Matrans dat die conclusies -te kort door de bocht- zijn, volstaat in dit verband niet om het hiervoor bedoelde bewijsvermoeden te kunnen weerleggen-. Het hof voegt hieraan toe dat de conclusies van [bedrijfsarts] de conclusies van [deskundige 2] duidelijk versterken, in die zin dat het vermoeden is gerechtvaardigd dat de bedoelde klachten werkgerelateerd zijn.
6.12
Matrans heeft voorts aangevoerd dat de nek/schouder- en rugklachten van [appellant] (indien al arbeidsgerelateerd) geheel of gedeeltelijk zijn veroorzaakt door zijn werkzaamheden bij Oceana (waarvoor Matrans niet aansprakelijk is). Dit verweer wordt door het hof gepasseerd omdat het geen enkele steun vindt in het rapport van de deskundige [deskundige 2] (die een dergelijk verband niet legt), en met zoveel woorden wordt weerlegd in het rapport van de deskundige [bedrijfsarts] . Volgens [bedrijfsarts] , die het medisch dossier heeft bestudeerd, waren de klachten [appellant] in 1996 (en 2008) kortdurend en aspecifiek. Bij nek- en rugklachten is het volgens [bedrijfsarts] niet vreemd dat dergelijke klachten af en toe optreden. Van enige preëxistente klachten voor aanvang dienstverband blijkt geen sprake te zijn, aldus [bedrijfsarts] . Daar komt bij dat [appellant] bij memorie van grieven (onbetwist) heeft aangevoerd dat hij bij indiensttreding bij Matrans c.q. Unilash (en dus na afloop van zijn werkzaamheden bij Oceana) een medische keuring heeft ondergaan en dat daarbij geen gezondheidsklachten en/of aandoeningen zijn vastgesteld. Ten overvloede overweegt het hof dat ook als de nek/schouder- en rugklachten ook zouden (kunnen) zijn veroorzaakt door de werkzaamheden bij Oceana (die van soortgelijke aard waren als de werkzaamheden bij Matrans), Matrans naast Oceana hoofdelijk aansprakelijk is voor de onderhavige gezondheidsschade van [appellant] op grond van het bepaalde in art. 6:6-14 en art. 6:102 BW. Deze wettelijke regels beogen zoveel mogelijk te voorkomen dat een slachtoffer - als [appellant] - tussen wal en schip raakt tussen twee (of meer) aansprakelijke schuldenaars voor dezelfde schade, die naar elkaar verwijzen. Dit verweer gaat dus hoe dan ook jegens [appellant] niet op.
6.13
De conclusie van al het voorgaande is dat vaststaat dat de arbeidsomstandigheden bij Matrans de oorzaak zijn van de nek/schouder- en rugklachten van [appellant] en niet enige genoemde alternatieve oorzaken (of een combinatie daarvan). De gezondheidsschade is naar het oordeel van het hof evident geleden in de uitoefening van de werkzaamheden van [appellant] als sjorder, immers de door Matrans geschonden zorgplicht past bij de ontwikkelde gezondheidsschade als voormeld.
6.14
Matrans heeft evenmin voldoende gesteld, noch enig bewijs geleverd dat zij (wél) aan haar zorgplicht heeft voldaan. Matrans heeft incidenteel appel ingesteld tegen het oordeel van de kantonrechter, als vervat in rov. 2.18 tot en met 2.23 van het eindvonnis, dat zij tegenover [appellant] haar zorgplicht als werkgever heeft geschonden. Het incidenteel appel van Matrans kan echter niet slagen, want het hof is het eens met het desbetreffende oordeel en maakt dit geheel tot het zijne. Matrans heeft haar betoog in incidenteel appel bovendien gebaseerd op een beschrijving van werkzaamheden ("werkzaamheden 1 tot en met 12") die voor een belangrijk deel afwijkt van de werkzaamheden van [appellant] zoals deze door de kantonrechter feitelijk zijn vastgesteld in het tussenvonnis van 16 december 2022 en tegen welke overwegingen van de kantonrechter Matrans geen beroep heeft ingesteld. Daarbij grijpt Matrans tevens deels terug op haar (eerdere) akte van 7 september 2022. Zo heeft zij bijvoorbeeld wederom gesteld dat [appellant] in het geheel niet dan wel (na het vertrek van zijn vader) slechts zeer incidenteel heeft verricht, terwijl de kantonrechter in voornoemd tussenvonnis in rov. 2.28 al heeft uitgemaakt dat [appellant] van 1997 tot 2011 wekelijks een of twee uur meehielp met systeemsjorren (werkzaamheid 8). Het hof gaat aan dit alles voorbij, gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen en beslist in rov. 6.4.
6.15
Voor zover Matrans - ter onderbouwing van haar stelling dat zij (wel) aan haar zorgplicht heeft voldaan - een bezwaar heeft gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter (in rov. 2.21 van het eindvonnis) dat de Arbeidsinspectie in 2007 heeft geconstateerd dat het in strijd is met het Arbeidsomstandighedenbesluit dat Matrans in de periode 1997 tot 2005 geen onderzoek heeft gedaan naar de fysieke belasting van het werk van [appellant] , geldt het volgende. Zoals [appellant] terecht heeft betoogd (memorie van antwoord in incidenteel appel onder 50) heeft de Arbeidsinspectie Matrans wel degelijk gewezen op een overtreding van de het Arbeidsomstandighedenbesluit omdat Matrans de fysieke belasting niet had beoordeeld en werknemers niet over de fysieke belasting had voorgelicht. Dat die waarschuwing niet zag op de beoordeling van de fysieke belasting bij het sjorren van stukgoed, blijkt niet uit de bewuste brief van de Arbeidsinspectie van 20 december 2007 (prod. 16 bij inleidende dagvaarding). In die brief wordt in zijn algemeenheid gesproken over "sjor-, stacker- en stuff- en stripwerkzaamheden" waarvoor een beoordeling moet plaatsvinden die door een gecertificeerde arbodienst moet worden getoetst. Dat hierbij niettemin een vrijstelling zou zijn gegeven voor stukgoedsjorren is niet aannemelijk gemaakt. Overigens heeft Matrans ook thans geen onderzoek in het geding gebracht waaruit blijkt dat de fysieke belasting bij het sjorren wel op enig moment op de voorgeschreven wijze is beoordeeld in de periode dat [appellant] werkzaam was bij Matrans. Daar komt nog bij dat vast is komen te staan dat [appellant] zich niet alleen bezig hield met het sjorren van stukgoed, maar ook wekelijks gedurende een of twee uur meehielp met systeemsjorren. Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat uit niets blijkt welk onderzoek Matrans heeft gedaan naar de fysieke belasting die het zware werk van [appellant] met zich bracht en welke maatregelen zij heeft genomen ter voorkoming van het optreden van gezondheidsschade. Daarmee heeft zij haar zorgplicht geschonden in het kader van artikel 5.2 en 5.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
6.16
Matrans is (niet voor 20%, maar) voor het geheel aansprakelijk voor de schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden door zijn nek/schouder- en rugklachten, nu vast is komen te staan dat deze door het werk bij Matrans zijn veroorzaakt en Matrans niet heeft aangetoond dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het eindvonnis van de kantonrechter kan dus niet in stand blijven, en het hof komt verder niet toe aan toepassing van de leer van de proportionele aansprakelijkheid. Het daarover - in appel - gevoerde partijdebat blijft dan ook buiten beschouwing. Tot slot verenigt het hof zich met het oordeel van de kantonrechter in rov. 2.15 van het eindvonnis dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de heupklachten van [appellant] en zijn werkzaamheden bij Matrans. Het hof neemt dit oordeel, waartegen ook geen (voldoende ontwikkelde) grieven zijn gericht, over.
Slotoverwegingen
6.17
Het hof komt tot de conclusie dat de nek/schouder- en rugklachten van [appellant] zijn veroorzaakt door de zware fysieke werkzaamheden die hij voor Matrans heeft verricht en dat Matrans voor de daaruit voortvloeiende schade (geheel, en niet proportioneel) aansprakelijk is, omdat deze gezondheidsschade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden, en Matrans niet heeft aangetoond dat zij aan haar zorgplicht als werkgever heeft voldaan in de zin van art. 7:658 lid 2 BW. Het vonnis waarvan beroep kan dan ook niet in stand blijven. Het hof zal, anders dan de rechtbank, de zaak niet verwijzen naar de schadestaatprocedure omdat het hof het mogelijk acht (in de zin van art. 612 Rv.) om de schade al in deze procedure te begroten. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om [appellant] in de gelegenheid te stellen zijn schadeposten uiteen te zetten en te onderbouwen, waar mogelijk aan de hand van objectiveerbare en verifieerbare gegevens. Matrans zal vervolgens bij akte hierop kunnen reageren en daarbij eveneens desgewenst kunnen reageren op de in het proces-verbaal van de zitting vermelde producties A tot en met D van [appellant] , waar het hof tot dusverre niet aan toegekomen is.
6.18
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. Gerechtshof Den Haag 29 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2970
