Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 180326 wg-er aansprakelijk voor artrose, CTS en tennisarmen monteur golfplaten; omkeringsregel van toepassing

RBMNE 180326 wg-er aansprakelijk voor artrose, CTS en tennisarmen monteur golfplaten; omkeringsregel van toepassing

2De kern van de zaak

2.1.

[eiser] was tot 1 februari 2020 in dienst van [gedaagde] als monteur buitendienst. In mei 2017 heeft [eiser] zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege hand-, pols en elleboogklachten. De klachten zijn gediagnosticeerd als artrose, carpaletunnelsyndroom aan beide zijden en tennisarmen. Partijen verschillen van mening over de vraag of [eiser] gezondheidsschade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden en of [gedaagde] daarvoor aansprakelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] aansprakelijk is en dat het gevraagde voorschot van € 20.000 kan worden toegewezen.

3De beoordeling

[gedaagde] is aansprakelijk voor de schade van [eiser]

3.1.

Op grond van artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is een werkgever jegens een werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij zijn zorgplicht als bedoeld in lid 1 van dat artikel is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde zorgplicht houdt in dat de werkgever díe maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn functie schade lijdt.

De arbeidsrechtelijke omkeringsregel is van toepassing

3.2.

Het is in het kader van de toepassing van artikel 7:658 BW aan de werknemer om te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Wanneer hij echter in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen als de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel is nodig dat de werknemer stelt en zo nodig bewijst dat i) hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, én ii) hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.

3.3.

Deze in de rechtspraak ontwikkelde arbeidsrechtelijke omkeringsregel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden kan worden gerechtvaardigd door dat wat in het algemeen bekend is over de ziekte en haar oorzaken, alsmede door de schending door de werkgever van een veiligheidsnorm die beoogt schade te voorkomen. Voor het vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer door deze omstandigheden is veroorzaakt is echter geen plaats als het verband tussen de gezondheidsschade en de gevaarlijke omstandigheden te onzeker of te onbepaald is.1

Ad i) Er is sprake van blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden

3.4.

De kantonrechter zal allereerst beoordelen of is voldaan aan de voorwaarde, dat [eiser] is blootgesteld aan voor de gezondheid (potentieel) schadelijke omstandigheden.

3.5.

De stelling van [eiser] is dat aan deze voorwaarde is voldaan. Hij moest voor zijn werk bij [gedaagde] golfplaten plaatsen, waarvoor hij veel knijp- en grijpkracht moest uitoefenen met zijn handen, zwaar moest tillen, hij werd blootgesteld aan trillingsbelasting voor zijn handen en armen door elektrisch aangedreven handgereedschap en hij werkte in ongunstige lichaamshoudingen.

3.6.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij onder (potentieel) schadelijke werkomstandigheden moest werken, verwijst [eiser] naar de rapportage van 26 oktober 2020 van de heer [A] , MSc (hierna: [A] ) van Bureau Beroepsziekten FNV. [A] heeft in het rapport een beschrijving van de arbeidsomstandigheden opgenomen zoals beschreven door [eiser] en heeft deze aangevuld met de beschrijving die is opgenomen in het arbeidsdeskundige rapport van [B] (hierna: [B] ), arbeidsdeskundige, van 24 oktober 2017. De omschrijving is als volgt:

“ □ Aard van de werkzaamheden bij aansprakelijk geachte werkgever

De werkzaamheden van de heer [eiser] bestonden uit het op locatie monteren en herstellen van stalen panelen in glad- of golfprofiel aan staalconstructies. De omvang van de constructies varieert van enkele meters tot tientallen meters, veelal is er sprake van aanzienlijke hoogte (6 tot 23 meter komt voor). De heer [eiser] werkte voornamelijk alleen en werd als monteur met name ingezet voor herstelwerkzaamheden. Bij werken op grote hoogtes en bij grote onderdelen ging er een andere medewerker met hem mee. Het betreft in hoofdzaak uitvoeren van (montage )werk. Bij het bevestigen of herstellen gebruikte de heer [eiser] diverse aangedreven handgereedschappen, tilhulpen en hoog- of schaarwerkers. Op plaatsen die slecht bereikbaar waren werkte men incidenteel met een kleine ladder. De meest kenmerkende lichamelijke belasting tijdens de werkzaamheden zijn (bevestigd door het arbeidsdeskundig onderzoek van [B] d.d. 24-10-2017): Hand/vingergebruik zoals knijpen/ grijpen (gebruik gereedschappen, vastpakken/geleiden plaatdelen waarbij diverse grepen en benodigde krachtinspanningen nodig waren), schroefbewegingen (repeterend bij de montage van panelen, ging vaak elektrisch), tillen/dragen (zware gereedschappen, handmatig transport van onderdelen van diverse afmetingen en gewichten overwegend tussen de 5 en 25kg, incidenteel zwaarder. Er wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van hulpmiddelen.), trillingsbelasting (gebruik schiethamer, bevestigen panelen), boven schouderhoogte werken (bevestigen), duwen/trekken (aandrukken panelen tot 10kgf door duwen met lichaamsgewicht), gebogen/getordeerd actief zijn, reiken van werkplek naar de wanden, regelmatig >50cm. Werkzaamheden zoals metaalknippen, tillen van metalen platen (40-100kg), staalschroeven, staalschieten en betonboren werden op dagelijkse basis veel uitgevoerd. Hierdoor zijn de gewrichten van de heer [eiser] langdurig aan belastende en risicodragende omstandigheden blootgesteld.

3.7.

[A] komt in zijn rapport tot de conclusie dat de werkgever van [eiser] geen adequaat arbeidsomstandighedenbeleid voerde zoals bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet), zoals die ten tijde van zijn dienstverband gold. Op verschillende punten schoot volgens [A] het beleid tekort, waardoor [eiser] zijn werk moest verrichten onder omstandigheden die voor zijn gezondheid schadelijk konden zijn. Het gaat volgens [A] om de volgende punten:

“ □ Organisatie van de werkzaamheden

De werkzaamheden van [eiser] waren repeterend van aard en werden onvoldoende afgewisseld met andersoortige arbeid of pauzes. Dit is in strijd met Artikel 3 lid 1 sub d van de Arbeidsomstandighedenwet. De werkzaamheden van [eiser] waren vanwege de te zwaar te handelen voorwerpen en de ongunstige lichaamshoudingen gevaarzettend voor de gezondheid. Deze gevaren werden door de werkgever onvoldoende voorkomen of beperkt, bijvoorbeeld door afwisseling met andersoortige arbeid of aanpassing van arbeidstijden en pauzeregeling of inzet van geschikte hulpmiddelen. De arbeid was dus niet zodanig georganiseerd en de arbeidsplaats niet dusdanig ingericht en de werkmethode was niet

dusdanig dat de fysieke belasting geen gevaar met zich meebracht voor de gezondheid van [eiser] . Deze gang van zaken is in strijd met Artikel 5.2 van het Arbobesluit. Ook werden de gevaren niet zoveel als mogelijk beperkt. Dit is in strijd met artikel 5.3 van het Arbobesluit. Tot slot was de werkplek niet ingericht volgens de ergonomische beginselen. Dit is in strijd met artikel 5.4 van het Arbobesluit.

□ Wettelijke/ gezondheidskundige normen

Diverse handmatig te hanteren lasten zoals (golf)panelen, stalen balken, loopdeuren, borstweringen, etc. overschreden de gezondheidskundige norm van 23kg (NIOSH 1981, Waters et al. 1993). Dit is in strijd met Artikel 5.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De werkgever heeft onvoldoende organisatorische maatregelen genomen, zoals bedoeld in de Europese Richtlijn 90/269/EEG, Artikel 3, lid 1 en 2 en Artikel 4, om zoveel mogelijk te voorkomen dat [eiser] lasten manueel moest hanteren.

□ Hand-arm trillingen:

De grenswaarde, voor blootstelling aan hand-armtrillingen die door de lidstaten van de Europese Unie wordt gehanteerd en in geen geval mag worden overschreden, is gesteld op 5m/s2 (Iping (1) 2004). Indien de blootstelling de waarde van 2,5m/s2 overschrijdt, moet de werkgever een programma van technische en/ of organisatorische maatregelen opstellen en uitvoeren om de blootstelling aan trillingen en de daarmee gepaard gaande risico's tot een minimum te beperken. De gemiddelde trillingssterkte van de gehanteerde klopboor ‘Hilti TE 30 SDS-Plus' bedraagt 16.8m/s2 (Iping 2002). De maximale tijd van blootstelling is afhankelijk van de vibratiewaarde:

5 m/s2: 8 uur

10m/s2: 2 uur

20m/s2: ½ uur

Het gebruik van de Hilti TE 30 SDS-Plus zou dus maximaal 1 uur mogen bedragen. Hoe vaak de heer [eiser] een trillend handgereedschap moest hanteren was erg verschillend. Er waren dagen bij waarbij hij de hele dag dezelfde gereedschap moest gebruiken, terwijl hij andere dagen geen trillend handgereedschap hoefde te gebruiken.

De dagen dat de heer [eiser] langere tijd trillend handgereedschap moest gebruiken waren in strijd met artikel 6.1 1a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Handgereedschap waar de werkgever een programma van technische en/ of organisatorische maatregelen voor moest opstellen en uitvoeren om de blootstelling aan trillingen en de daarmee gepaard gaande risico’s tot een minimum te beperken waren bijvoorbeeld: een handkettingzaag (Stihl MS 271 Benzine kettingzaag 2600 W, trillingssterkte: 4,5m/s2) en een decoupeerzaag (Makita 4351T, trillingssterkte: 4,5m/s2).

□ Arbeidstijden

Wettelijke richtlijnen schrijven voor dat de werknemer van 18 jaar of ouder ten hoogste 9 uren per dienst, 45 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht (Artikel 5:7 Arbeidstijdenwet 1996).

Wanneer een werknemer van 18 jaar of ouder, meer dan 5,5 uur arbeid per dienst verricht, dient de arbeid te worden afgewisseld door een pauze. De werkgever heeft onvoldoende organisatorische maatregelen genomen om te zorgen dat [eiser] voldoende en op tijd pauze heeft kunnen nemen, zoals bedoeld in de Pauzeregeling, Artikel 5.10 lid 1, 2c, 3, 4 en 6 van de Arbeidstijdenwet (1996).

□ Klimaat

Tijdens de winterperiode werkte de heer [eiser] in koude omstandigheden met veel wind, regen en koude zonder voldoende beschermingsmiddelen. Dit is in strijd met artikel 6.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

□ Risico Inventarisatie en Evaluatie

De werkgever heeft er niet voor gezorgd dat [eiser] kennis kon nemen van de Risico Inventarisatie en Evaluatie en het daarbij behorende Plan van Aanpak, zoals bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet, Artikel 5.5.

□ Voorlichting en Onderricht

De heer [eiser] heeft van de werkgever nooit doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht ontvangen over de aan de te verrichten werkzaamheden verbonden risico’s, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen ofte beperken, zoals bedoeld in Artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet. De werkgever moet de werknemers doeltreffend (laten) informeren over de arbeidsomstandigheden, waarbij het onderricht is aangepast aan de verschillende taken van de werknemers. De werkgever moet ervoor zorgen dat werknemers op de hoogte zijn van de doelen en werking van de arbeidsmiddelen en hoe zij deze moeten gebruiken. Ook moet hij erop toezien dat instructies en veiligheidsvoorschriften worden opgevolgd en persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste wijze worden gebruikt (Arbowet, art. 8 lid 1,2 en 3).

Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij sprake is van het handmatig hanteren van lasten dient doeltreffende voorlichting en onderricht gegeven te worden over de wijze waarop lasten gehanteerd worden en de aan het handmatig hanteren van lasten verbonden gevaren voor hun veiligheid en gezondheid en de te nemen maatregelen om deze gevaren zoveel mogelijk te beperken. Aan de betrokken werknemers dient adequate informatie te worden verstrekt over het gewicht van de te hanteren last en, wanneer het gewicht van de last niet gelijk verdeeld is, over het zwaartepunt of de zwaarste kant van de last (artikel 5.5. Arbobesluit).

Ook uit de rechtspraak blijkt dat de instructieverplichting van de werkgever van belang is en dat deze gericht dient te zijn op alle werkzaamheden, dat deze duidelijk en gedetailleerd dient te zijn en dat herhaling van de instructies noodzakelijk is (HR, 16 januari 1998; JAR 55 [onderneming] / [achternaam] ). Daarnaast vereist art. 7:658 BW dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (HR 11 april 2008, LJN BC 9225, NJ 2008/465). Ook dit heeft de werkgever nagelaten.

□ Re-integratie

Wettelijke richtlijnen schrijven voor dat de werkgever, binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemers voert. Onderdeel van dit beleid is in ieder geval: het begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun werk te verrichten (Artikel 4 Arbeidsomstandighedenwet). De heer [eiser] is na zijn uitval onvoldoende begeleid.

De werkgever heeft niet uit eigen beweging adequate pogingen ondernomen om [eiser] door middel van een goed onderbouwd re-integratieplan te re-integreren in een passende functie. Dit is in strijd met de Wet Uitbreiding Loondoorbetalingverplichting bij Ziekte (WULBZ).

□ Preventie

De werkgever heeft de arbeid niet zodanig georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. De werkgever had gevaren en risico’s voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk moeten voorkomen of beperken (Artikel 3 Arbeidsomstandighedenwet). De werkgever had de volgende maatregelen kunnen treffen om het ontstaan van een beroepsziekte te voorkomen:

Uit arbocatalogus 5xbeter (15-09-2020): Betere voorlichting aan werknemers, minimaal 1x per 2 jaar op doeltreffende wijze over:

De aard van het werk en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s;

Het uitvoeren van een goede werktechniek bij het tillen en dragen, duwen en trekken, werkhoudingen en repeterende handelingen;

Maatregelen die getroffen kunnen worden om de gezondheidsrisico’s van lichamelijke belasting te verlagen.

Om zwaar tillen, duwen en trekken te voorkomen had de werkgever er zorg voor moeten dragen dat de werkstukken met een machine getild konden worden. Met behulp van een machine kan het werkstuk gedraaid, gekeerd en geheven worden. Hierdoor kan de werknemer voortdurend in de ergonomisch optimale werkhouding staan. De medewerker hoeft niet meer te heffen, tillen, buigen en draaien.

De werkgever dient binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemers te voeren. Onderdeel van dit beleid is in ieder geval het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van ziekte van werknemers (Artikel 4 Arbeidsomstandighedenwet). De werkgever van [eiser] heeft dit onvoldoende gedaan.

De werkgever heeft [eiser] niet periodiek in de gelegenheid gesteld een onderzoek te ondergaan gericht op de risico’s die de arbeid voor de gezondheid met zich mee brengt zoals bedoeld in Artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet.

3.8.

Gelet op het bovenstaande blijkt uit het rapport van [A] dat [eiser] is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden. Het komt er op neer dat:

  • -

    De werkzaamheden te repeterend waren en te weinig afgewisseld werden met andersoortige arbeid en pauzes;

  • -

    De werkzaamheden gevaarzettend waren voor de gezondheid vanwege de te zwaar te handelen voorwerpen en de ongunstige lichaamshoudingen;

  • -

    Diverse handmatig te hanteren lasten zoals (golf)panelen, stalen balken, loopdeuren, borstweringen, etc. de gezondheidskundige norm van 23 kg overschreden;

  • -

    [eiser] op sommige dagen te lang werd blootgesteld aan hand-armtrillingen;

  • -

    [eiser] niet voldoende en op tijd pauze heeft kunnen nemen;

  • -

    [gedaagde] te weinig tilhulpmiddelen ter beschikking heeft gesteld.

3.9.

[gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat in het rapport van [A] alleen maar wordt uitgegaan van wat [eiser] heeft aangegeven en dat dit afwijkt van wat er is opgenomen in het rapport van arbeidsdeskundige [B] . Volgens [gedaagde] moet het rapport van [B] als uitgangspunt dienen omdat dit rapport de volledige instemming had van zowel [gedaagde] als [eiser] . [gedaagde] stelt ook dat het UWV, in het kader van de aangevraagd WIA-uitkering, onderzoek heeft verricht naar de werkzaamheden van [eiser] , zijn functie en de daarbij behorende belasting. Uit het arbeidsdeskundig rapport van het UWV blijkt volgens [gedaagde] niet dat er sprake was van (forse) overschrijdingen van wettelijke normen in verband met belastbaarheid. [gedaagde] heeft een hele opsomming gegeven van punten die in het rapport van [A] staan en die niet zouden stroken met het rapport van [B] en van het UWV.2

3.10.

Wat betreft het verweer van [gedaagde] overweegt de kantonrechter als volgt. Allereerst heeft [A] in zijn rapport het rapport van [B] tot uitgangspunt genomen. Dus het is niet zo, zoals [gedaagde] betoogt, dat [A] alleen maar is uitgegaan van wat [eiser] heeft verteld aan hem. [A] heeft ook [gedaagde] aangeschreven met het verzoek om zoveel mogelijk bedrijfsinformatie te verstrekken ter beoordeling van de arbeidsomstandigheden van [eiser] , maar [gedaagde] heeft daar geen gehoor aan gegeven. Als de arbeidsomstandigheden daadwerkelijk anders waren dan in het rapport van [A] is opgenomen, dan had [gedaagde] dat kunnen en moeten onderbouwen door bedrijfsinformatie over de arbeidsomstandigheden aan [A] te verstrekken. Dat heeft [gedaagde] dus nagelaten.

3.11.

Daarnaast is het rapport door [B] opgesteld met een ander doel, namelijk om de arbeids- en re-integratiemogelijkheden van [eiser] bij [gedaagde] te beoordelen. En niet om te beoordelen, zoals [A] heeft gedaan, onder welke arbeidsomstandigheden [eiser] zijn werk moest verrichten. Dat het rapport van [A] enigszins afwijkt van het rapport van [B] is daardoor te verklaren. [eiser] heeft nog aangevoerd dat hij onder druk akkoord is gegaan met het rapport van [B] . Of dat zo is, kan in het midden blijven. Het rapport van [B] is namelijk hoe dan ook meegenomen door [A] in zijn rapport. Bovendien is de kantonrechter het met [eiser] eens dat ook op basis van het rapport van [B] de conclusie kan worden getrokken dat [eiser] zijn werk heeft moeten verrichten onder potentieel schadelijke omstandigheden. Uit de omschrijving van de werkzaamheden door [B] blijkt namelijk (ook) dat er sprake was van voor het lichaam (zeer) belastende werkhoudingen, bewegingen en trillingsbelasting. Zo stelt [B] onder andere dat er sprake is van:

  • -

    matige tot op momenten zware lichamelijke inspanning;

  • -

    voortdurend hand- en vingergebruik, bij zowel gebruik van gereedschappen als vastpakken en geleiden van de plaatdelen met diverse grepen en met benodigde krachtintspanning:

  • -

    overwegend staand werk en bukken en op schouderhoogte werken (bevestigen);

  • -

    handmatig transport van onderdelen van diverse afmetingen met gewichten tussen de 5 en 25 kg, incidenteel zwaarder;

  • -

    werken in getordeerde en gebogen houdingen en repeterende schroefbewegingen bij de montage van de panelen.

3.12.

Het rapport van het UWV is net als het rapport van [B] , opgesteld met een ander doel. Namelijk om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen en om te beoordelen of [eiser] in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering. Daarbij is de kenmerkende belasting van [eiser] in die functie beschreven, deels naar aanleiding van een gesprek met [eiser] en deels afkomstig uit het arbeidsdeskundig rapport van [B] . In het rapport van het UWV is verder geen conclusie getrokken omtrent de vraag of de belastbaarheid conform de geldende normen was. Dat is ook niet nodig om te kunnen beslissen of iemand recht heeft op een WIA-uitkering.

3.13.

De punten die [gedaagde] heeft opgesomd in de conclusie van antwoord komen er voornamelijk op neer dat een bepaalde beschrijving van werkzaamheden in het rapport van [A] niet is opgenomen in de rapporten van [B] en van het UWV, waaruit [gedaagde] de conclusie trekt dat die beschrijving dan niet juist is. Maar zoals hiervoor is overwogen zijn de rapporten van [B] en het UWV met een ander doel opgesteld. Dus het enkele feit dat, als voorbeeld, niet is aangegeven in die rapporten “dat er vaak en langdurig boven schouderhoogte gewerkt werd”, betekent niet dat dit niet gebeurde. En zeker niet dat, zoals [gedaagde] stelt, ‘dit pertinent onjuist is en niet strookt met de feiten’.

3.14.

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het verweer van [gedaagde] niet slaagt.

3.15.

Omdat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiser] onder (potentieel) schadelijke werkomstandigheden moest werken, heeft [eiser] voorshands aannemelijk gemaakt dat hij tijdens zijn werkzaamheden is blootgesteld aan risico’s voor de gezondheid. Aan de eerste voorwaarde voor toepassing van de omkeringsregel heeft [eiser] dus voldaan.

Ad ii) Klachten kunnen zijn veroorzaakt door werkomstandigheden

3.16.

Vervolgens moet worden beoordeeld of is voldaan aan de tweede voorwaarde voor toepassing van de omkeringsregel, namelijk dat [eiser] aan gezondheidsklachten lijdt die door de blootstelling aan gevaarlijke werkomstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. De relatie tussen de blootstelling en de klachten moet aannemelijk zijn.

3.17.

De stelling van [eiser] is dat hij als gevolg van de fysiek zware arbeidsomstandigheden tijdens zijn dienstverband bij [gedaagde] lichamelijke gezondheidsschade ontwikkeld in de vorm van hand-, pols- en elleboogklachten. Deze klachten zijn gediagnosticeerd als artrose, carpaal tunnelsyndroom beiderzijds en tennisarmen. Ook stelt hij gehoorschade te hebben opgelopen en psychische klachten te hebben gekregen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] verwezen naar het rapport van [A] , een aanvullend rapport van [A] over gehoorschade (van 3 februari 2025) en naar de medische adviezen van [C] .

Het (eerste) rapport van [A]

Artrose, carpaal tunnelsyndroom (CTS) en tennisarmen

3.18.

In zijn rapportage heeft [A] de mogelijke relatie tussen de gezondheidsklachten van [eiser] en zijn werkzaamheden voor [gedaagde] onderzocht en beoordeeld aan de hand van de registratierichtlijnen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (hierna: NCvB). De conclusie is als volgt:

- Er is sprake van zes risicofactoren uit de registratierichtlijn D018 van het NCvB, waardoor de CTS van [eiser] op basis van de richtlijn van het NCvB als beroepsziekte wordt aangemerkt.

- Op grond van het Saltsa-rapport (dat is opgenomen in de richtlijn D022 voor

aspecifieke klachten aan de bovenste ledematen van het NCvB) wordt de gezondheidsschade van [eiser] bestaande uit hand- pols- en elleboogklachten als arbeidsgerelateerd aangemerkt.

3.19.

Wat betreft het carpaal tunnelsyndroom (hierna: CTS) heeft [eiser] verwezen naar pagina 10 van het rapport, waar [A] beschrijft dat aan de hand van de registratierichtlijn D018 van het NCvB de relatie tussen CTS en arbeidsgerelateerde risicofactoren kunnen worden vastgesteld. CTS kan volgens de richtlijn als beroepsziekte worden gekenmerkt wanneer minimaal twee fysieke risicofactoren aanwezig zijn of één fysieke risicofactor aanwezig is in combinatie met ten minste één niet-fysieke (psychosociale) risicofactor. [A] komt tot de conclusie dat er voldaan is aan de voorwaarden en dat de CTS in het geval van [eiser] een beroepsziekte is ofwel het waarschijnlijk is dat het werk in overwegende mate de aandoening heeft veroorzaakt.

3.20.

[A] heeft ook gebruik gemaakt van de literatuur om de causale relatie tussen de gezondheidsschade van [eiser] en zijn werkzaamheden bij [gedaagde] te onderzoeken en te beoordelen. De toets is gedaan aan de hand van het door de Nederlandse Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek (hierna: TNO) opgestelde document ‘checklist fysieke belasting’. Daaruit blijkt dat [eiser] in zijn werkzaamheden bij [gedaagde] bovenmatig is belast bij de taken tillen/dragen, hand- en armtaken en werkhoudingen. Ten aanzien van de hand-arm taken blijkt uit de checklist fysieke belasting van TNO dat voornamelijk veel kracht zetten met de handen, knijpkracht leveren en het uitoefenen van de handtaken gedurende meer dan 5 uur per dag, zeer belastend is voor het lichaam. Volgens de checklist zijn de werkhoudingen van [eiser] (ook) te belastend geweest voor zijn fysieke gezondheid. Wat betreft de hand-arm taken heeft [A] het beoordelingsformulier HARM (Hand-Armtaken Risicobeoordelings Methode) ingevuld voor de situatie van [eiser] en daar is een score uitgekomen van 50. Dat betekent dat er een verhoogd risico is op klachten aan arm, nek of schouder voor een deel van de werknemers. Om alle werknemers zo goed mogelijk te beschermen is het belangrijk om maatregelen te nemen die het risico omlaag brengen. Uit de uitkomsten van het zogenoemde werkhoudingsinstrument (hierna: WHI), ontwikkeld door TNO, blijkt dat er sprake is van voor het lichaam belastende werkhoudingen. Voor rompbuiging, bovenarmheffing en pols geldt dat deze als rood worden beoordeeld en geknield werken, staand werken, rompdraaiing en extreme houdingen zijn oranje. Een rode beoordeling betekent dat er een sterk behoorlijk verhoogd risico is op het ontstaan van klachten aan het bewegingsapparaat. Bij een oranje beoordeling is er een verhoogd risico op klachten aan het bewegingsapparaat.

Medische adviezen [C]

3.21.

[C] komt in zijn medisch advies van 31 maart 2022 tot de conclusie dat uit het medisch dossier van [eiser] blijkt dat sprake is van gezondheidsschade in de vorm van chronische pijnklachten aan handen/polsen en ellebogen bij artrose beiderzijds en een CTS rechts. Daarnaast is er sprake van recidiverende tendomyogene pijnklachten aan de linker heup en een reactieve aanpassingsstoornis. Toepassing van de registratierichtlijnen van het NCvB leidt naar het oordeel van [C] tot de conclusie dat de artrose en CTS in

overwegende mate door het werk van [eiser] bij [gedaagde] zijn veroorzaakt. Hierbij is er volgens hem dus sprake van een beroepsziekte.

3.22.

In zijn aanvullend medisch advies van 14 april 2025 heeft [C] de nieuwe medische documentatie, o.a. van de KNO-arts en van meerdere plastisch chirurgen besproken. Daaruit volgt nogmaals het chronisch overbelastingsbeeld aan beide armen, met recidief CTS rechts en mogelijk ook links. Verder herhaalt [C] o.a. dat de elleboogklachten onderdeel zijn van het algehele overbelastingbeeld van de bovenste extremiteiten.

3.23.

[gedaagde] heeft wat betreft het causaal verband tussen de klachten van [eiser] en de werkomstandigheden gezegd dat het een feit van algemene bekendheid is dat de oorzaken van - bijvoorbeeld - artrose gelegen kunnen zijn in erfelijke aanleg, vroeger opgelopen blessures/beschadigingen, te veel en te intensief sporten, zwaar lichamelijk werk of het gevolg is van andere ziektes van de gewrichten (zoals reuma en jicht). Dat geldt volgens [gedaagde] ook voor het carpaal tunnelsyndroom. Met andere woorden: volgens [gedaagde] is er geen monocausale oorzaak, zeker omdat dergelijke beperkingen ook met enige regelmaat worden geconstateerd bij mensen die geen fysieke arbeid verrichten en er sprake is van ouderdomsverschijnselen en slijtage. De kantonrechter overweegt dat uit de rapportage van [A] en de medische adviezen niet blijkt dat de artrose en de CTS in dit geval ook een ander oorzaak hebben dan de werkomstandigheden bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft verder ook op geen enkele wijze onderbouwd dat er een andere oorzaak zou kunnen zijn voor de klachten van [eiser] , anders dan er op te wijzen dat over het algemeen geldt dat er een andere oorzaak kan zijn. Dat is niet voldoende om de conclusie van [A] en [C] dat de klachten veroorzaakt kunnen zijn door de werkomstandigheden, te ontkrachten.

3.24.

[gedaagde] wijst er verder op dat [C] in zijn medisch advies van 31 maart 2022 heeft gezegd dat een causaal verband tussen het CTS en de werkzaamheden mogelijk is, maar dat een volledig medisch causaal verband niet vaststaat. [gedaagde] miskent daarmee dat een medisch causaal verband ook niet hoeft te worden aangetoond door [eiser] . Er is sprake van een juridisch causaal verband als [eiser] aannemelijk kan maken dat zijn klachten door zijn werkzaamheden bij [gedaagde] kunnen zijn veroorzaakt. Voor een medisch causaal verband is veel meer zekerheid vereist en de lat ligt daarbij veel hoger dan

aannemelijk maken dat de klachten kunnen zijn veroorzaakt door de werkzaamheden. Het is voor de toepassing van de omkeringsregel voldoende dat de klachten kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. En dat blijkt uit het medisch advies van [C] .

3.25.

Op basis van het rapport van [A] en de medische adviezen van [C] kan worden geconcludeerd dat de artrose, het CTS en de tennisarmen klachten zijn die kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden van [eiser] bij [gedaagde] .

Psychische klachten

3.26.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van de uitval op het werk financiële problemen heeft gekregen, en in samenhang met zijn gezondheidssituatie en het verbreken van de relatie door zijn partner, dit ervoor heeft gezorgd dat [eiser] psychische klachten heeft ontwikkeld. Er is geen psychiatrische diagnose gesteld. [A] en [C] hebben zich niet uitgelaten over de psychische klachten van [eiser] . De kantonrechter kan daarom niet beoordelen of de psychische klachten het gevolg kunnen zijn van de werkomstandigheden bij [gedaagde] .

Gehoorschade

3.27.

[eiser] heeft ook nog aangevoerd dat hij gehoorschade heeft opgelopen door de werkomstandigheden bij [gedaagde] . Dat volgt uit het aanvullende rapport van [A] van 3 februari 2025. De eigen medisch adviseur van [eiser] , [C] , heeft echter in zijn aanvullend medisch advies van 14 april 2025 geconcludeerd “Ten aanzien van de gehoorschade, zie ik onvoldoende mogelijkheden een causaal verband met het werk afdoende te onderbouwen”. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het onvoldoende vast dat de gehoorklachten kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. Wat daarbij ook meespeelt is dat [A] de gehoorschade heeft onderzocht zeven jaar nadat [eiser] voor het laatst werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . Het is daardoor mogelijk dat de klachten aan zijn gehoor een andere oorzaak hebben. [C] geeft in zijn aanvullende medische advies namelijk ook aan dat volgens de KNO-arts [eiser] een voorgeschiedenis kent van oorontstekingen en dat het linkeroor ouderdomsdoofheid toont. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd dat de klachten aan zijn gehoor klachten zijn die kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden van [eiser] bij [gedaagde] .

3.28.

De conclusie van de kantonrechter is dat ook aan de tweede voorwaarde voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregeling is voldaan. De artrose, CTS en tennisarmen zijn namelijk klachten die kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden van [eiser] bij [gedaagde] . Dat betekent dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregeling van toepassing is.

[gedaagde] is tekortgeschoten in haar zorgplicht

3.29.

Het oordeel dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is, brengt met zich mee dat het op de weg van [gedaagde] ligt om feiten en omstandigheden met betrekking tot de werksituatie van [eiser] te stellen en te bewijzen die maken dat zij de op haar rustende zorgplicht is nagekomen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vraag of een werkgever op grond van de op hem rustende zorgplicht die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, beantwoord dient te worden aan de hand van de in de betrokken periode geldende maatstaven. Als concrete voorschriften ontbreken, dient aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te worden beoordeeld of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Daarbij is onder meer van belang of het gevaar dat zich heeft gerealiseerd, kenbaar was op het moment dat de veiligheidsmaatregelen getroffen werken.3

3.30.

Uit de passages uit het rapport van [A] , zoals geciteerd onder 3.7 van dit vonnis, blijkt dat de conclusie van [A] is dat [gedaagde] haar zorgplicht tegenover [eiser] heeft geschonden. Het komt er – kort gezegd – op neer dat:

  • -

    De werkzaamheden van [eiser] gevaarzettend waren voor de gezondheid vanwege de zwaar te hanteren voorwerpen en de ongunstige lichaamshoudingen, welke gevaren onvoldoende werden voorkomen of beperkt door afwisseling met andersoortige arbeid, meer pauze of inzetten van geschikte tilhulpmiddelen (strijd met artikel 3 lid 1 Arbowet).

  • -

    De arbeid niet zodanig georganiseerd was dat de daarmee gepaard gaande fysieke belasting geen gevaar voor de gezondheid opleverde (strijd met artikel 5.2 Arbobesluit).

  • -

    De gevaren voor fysieke gezondheid niet zoveel als mogelijk werden beperkt (strijd met artikel 5.3 Arbobesluit).

  • -

    De handmatig te hanteren lasten de gezondheidskundige norm van 23 kilogram overschreden (strijd met artikel 5.2 Arbobesluit). Volgens [A] had het tillen met machine gekund en had [gedaagde] de voor de pols belastende werkzaamheden regelmatig kunnen afwisselen met andersoortige arbeid minder belastend voor de pols.

  • -

    De grenswaarde voor hand- en armtrillingen is overschreden, niet continu maar wel maar wel met enige regelmaat (strijd met art. 6.11a Arbobesluit).

  • -

    Sprake was van onvoldoende bescherming tegen de koude weersinvloeden (strijd met artikel 6.1 Arbobesluit).

  • -

    [eiser] onvoldoende voorlichting en onderricht heeft ontvangen met betrekking tot de door hem uit te voeren werkzaamheden. [eiser] heeft geen tilinstructies ontvangen en hij is niet voorgelicht over de aan de arbeid verbonden gezondheidsrisico’s (strijd met artikel 5.5 Arbobesluit en artikel 8 Arbowet).

  • -

    [eiser] na zijn uitval onvoldoende begeleid is.

  • -

    [gedaagde] volgens [A] ook nog andere maatregelen had kunnen treffen zoals beleid voeren ter voorkoming van ziekte en [eiser] periodiek in gelegenheid stellen om onderzoek te ondergaan gericht op risico’s die de arbeid voor de gezondheid met zich meebrengt.

3.31.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij niet tekort is geschoten in haar zorgplicht. Zo stelt [gedaagde] dat zij een zuignap ter beschikking heeft gesteld aan [eiser] als tilhulpmiddel. Ter zitting heeft [eiser] gesteld dat hij niet vanaf het moment dat hij bij [gedaagde] kwam werken de beschikking had over een zuignap. Bovendien heeft [eiser] toegelicht dat de zuignap er voor zorgde dat het makkelijker was om de platen te verplaatsen met de zuignap, maar dat het door de zuignap niet lichter werd om de platen te verplaatsen. [gedaagde] heeft dat niet betwist. [eiser] heeft wel erkend dat het werk bij [gedaagde] iets lichter is geworden in de laatste periode van zijn dienstverband, omdat er meer machines werden ingezet om de platen en panelen te tillen. Volgens [eiser] konden die machines echter niet bij elke klus ingezet worden omdat er binnen vaak geen ruimte voor de machine was. Ook dat heeft [gedaagde] niet betwist. [gedaagde] heeft dus onvoldoende betwist dat de werkzaamheden van [eiser] gevaarzettend waren voor de gezondheid en deze gevaren onvoldoende werden voorkomen of beperkt door het inzetten van geschikte tilhulpmiddelen. Meer in het algemeen is de kantonrechter dan ook van oordeel dat [gedaagde] de stelling van [eiser] dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 Arbowet en artikel 5.2 en 5.3 Arbobesluit, niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden.

3.32.

[gedaagde] betwist ook dat zij nooit doeltreffende voorlichting en/of onderricht heeft verstrekt over de aan de te verrichten werkzaamheden verbonden risico’s, etc. [gedaagde] verwijst naar het door [eiser] in 2015 behaalde VCA-certificaat. Volgens [gedaagde] is onder andere de tilbelasting als veiligheidsonderwerp aan bod gekomen. [gedaagde] stelt dat hij aan zijn instructieverplichting voldaan heeft in die zin dat hij aan [eiser] en andere collega’s duidelijke en gedetailleerde instructies heeft verstrekt en bij herhaling instructies heeft verstrekt gericht op alle soorten werkzaamheden. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de instructieverplichting van de werkgever belangrijk is en dat deze gericht dient te zijn op alle werkzaamheden, dat deze duidelijk en gedetailleerd dient te zijn en dat herhaling van instructies noodzakelijk is.4 [gedaagde] stelt weliswaar dat hij daaraan voldaan heeft, maar heeft dat verder niet onderbouwd. Daarnaast vereist art. 7:658 BW dat de werkgever toezicht houdt op de behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.5 [gedaagde] stelt dat hij dat deed, maar ook dat is niet onderbouwd. [gedaagde] stelt ook nog dat [eiser] kennis heeft kunnen nemen van de risico-inventarisatie en evaluatie en het daarbij behorende plan van aanpak. Deze is persoonlijk aan [eiser] overhandigd volgens [gedaagde] en een exemplaar van de risico-inventarisatie en evaluatie is ook voorhanden in iedere werkbus en schaftkeet van [gedaagde] BV, en ook bij [gedaagde] BV zelf. [gedaagde] heeft de risico-inventarisatie als productie toegestuurd. Of de risico-inventarisatie daadwerkelijk verstrekt is aan [eiser] en in de werkbus en schaftkeet hangt, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Zelfs al zou de risico-inventarisatie en evaluatie echter wel tijdig aan [eiser] zijn verstrekt, dan zijn de schendingen van de Arbowet en het Arbobesluit, zoals genoemd onder 3.31 al voldoende om te kunnen concluderen dat [gedaagde] niet althans onvoldoende. aan haar zorgplicht heeft voldaan.

3.33.

De conclusie van de kantonrechter is dat [gedaagde] , tegenover de bevindingen van [A] over de diverse schendingen van de zorgplicht door [gedaagde] , onvoldoende (concrete) feiten en omstandigheden heeft gesteld en onderbouwd die maken dat de bevindingen van [A] niet kunnen worden gevolgd en dat [gedaagde] niet in haar zorgplicht is tekortgeschoten.

[eiser] is aansprakelijk en de zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure

3.34.

De conclusie is dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van de bovengenoemde werkgerelateerde klachten. De psychische klachten en de gehoorschade kunnen daar niet onder gerekend worden. [eiser] heeft in deze procedure een voorschot gevorderd van € 20.000. [eiser] heeft berekend dat er sprake is van een jaarschade van € 25.321,22 aan verlies aan verdienvermogen. [eiser] ’s laatstgenoten netto maandsalaris was namelijk € 2.575,69 en hij ontvangt sinds mei 2019 een WIA-uitkering van € 597,47 netto. Dat is een verschil van € 1.978,22 per maand en op jaarbasis dus al meer dan € 25.000 (12,8 x € 1.978,22). Het gevorderde voorschot van € 20.000 komt de kantonrechter dan ook niet bovenmatig voor. De kantonrechter wijst het gevorderde voorschot op de schadevergoeding daarom toe.

3.35.

[eiser] heeft ook gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om alle (nader) door hem geleden en nog te lijden materiele- en immateriële schade te vergoeden en de zaak daartoe te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Zoals overwogen is de kantonrechter van oordeel dat het [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden en die is ontstaan door de werkgerelateerde klachten, zoals hiervoor is overwogen. Vervolgens is het de vraag of het mogelijk is om te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Om te kunnen verwijzen naar de schadestaatprocedure moet aan twee vereisten worden voldaan: i) in de hoofdprocedure moet de grondslag voor aansprakelijkheid worden vastgesteld en ii) de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden moet aannemelijk zijn. Dit laatste volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad.6 De grondslag voor de aansprakelijkheid is met dit vonnis vastgesteld. Verder is het aannemelijk dat [eiser] schade heeft geleden en/of zal lijden. Aan beide vereisten is voldaan en dat betekent dat naar de schadestaatprocedure verwezen kan worden.

1HR 7 juni 2013, LJN BZ1721, zie ook: HR 7 juni 2013, LJN BZ1717 SVB-arrest.

2Punt 10 van de conclusie van antwoord van [gedaagde] .

3HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721.

4HR, 16 januari 1998, JAR 55 [onderneming] / [achternaam] .

5HR 11 april 2008, LJN BC 9225, NJ 2008/465.

6ECLI:NL:HR:2023:428, r.o. 3.2.4.

 

Rechtbank Midden-Nederland 18 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1035