Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 101225 val bij balansoefening gymcursus leerkracht; onrechtmatig handelen medecursist komt niet vast te staan

RBROT 101225 val bij balansoefening gymcursus leerkracht; onrechtmatig handelen medecursist komt niet vast te staan

2De feiten

2.1.

In 2021 was zowel [eiseres] als [gedaagde] leerkracht op een basisschool.

2.2.

Om bewegingsonderwijs te mogen geven aan basisschoolleerlingen van groep 3 tot en met 8, was het noodzakelijk de post-HBO cursus Vakbekwaam Bewegingsonderwijs (hierna: de cursus) te volgen. [eiseres] en [gedaagde] volgden de cursus tegelijkertijd aan de Hogeschool Saxion in Enschede.

2.3.

In het kader van de cursus hadden [eiseres] en [gedaagde] samen met andere medecursisten op 28 juni 2021 les in een gymzaal in Hengelo. Tijdens die les was het de bedoeling om in subgroepjes onder begeleiding van medecursisten op een ongeveer 60 cm. hoge bal te blijven staan en al balancerend een afstand af te leggen op een veiligheidsmat. Tot het subgroepje van [eiseres] behoorden [gedaagde] en twee andere medecursisten. Tijdens een uitvoering van de balanceeroefening is [eiseres] gevallen.

2.4.

Als gevolg van de val heeft [eiseres] ernstig orthopedisch letsel opgelopen aan haar linkerbeen (knie en scheenbeen).

2.5.

[eiseres] meent dat [gedaagde] haar onvoldoende heeft ondersteund bij de oefening en dat hij daarmee in strijd heeft gehandeld met vooraf gegeven instructies. Daarom heeft [eiseres] [gedaagde] op 1 februari 2022 aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van haar val. Allianz, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde], heeft naar aanleiding van een in mei 2022 (in haar opdracht) uitgebracht onderzoeksrapport aansprakelijkheid van [gedaagde] afgewezen.

2.6.

Naar aanleiding van een door [eiseres] ingediend verzoek daartoe, heeft er op 14 februari 2023 bij de rechtbank Overijssel een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden (Saxion was in die procedure verweerster). Bij die gelegenheid zijn [eiseres], [gedaagde], de docent van de gymles en vier medecursisten als getuigen door de rechter gehoord.

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden letselschade van [eiseres] als gevolg van het ongeval op 28 juni 2021,

  2. bepaalt dat Allianz ex artikel 7:954 BW gehouden is de nog nader vast te stellen schadevergoeding rechtstreeks aan [eiseres] te betalen,

  3. Allianz en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schade van € 10.000,

  4. Allianz en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 6.541,26 aan buitengerechtelijke incassokosten,

  5. Allianz en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten (inclusief nakosten),

te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Allianz en [gedaagde] voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.

4De beoordeling

De standpunten van partijen

4.1.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] tijdens de balanceeroefening jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. [gedaagde] heeft in strijd met de instructie van de docent gehandeld, enerzijds omdat [gedaagde] [eiseres] niet heeft vastgehouden met de dubbele polsgreep en anderzijds omdat hij, nadat hij [eiseres] had losgelaten, niet actief heeft klaargestaan, niet voldoende bij haar in de buurt is gebleven en niet actief heeft meebewogen. Er is ook sprake van gevaarzetting in de zin van het Kelderluikarrest1. Door het handelen van [gedaagde] is [eiseres] gevallen en heeft zij letsel aan haar been opgelopen. De schade is tot 1 januari 2023 vastgesteld op € 6.001,24 + PM. De schade vanaf 1 januari 2024 (de rechtbank begrijpt: 1 januari 2023) moet nog nader worden vastgesteld: dit kan pas wanneer sprake is van een medische eindsituatie. Hetzelfde geldt voor het verlies van arbeidsvermogen/economische kwetsbaarheid, studievertraging, de wettelijke rente en de overige kosten. Gezien de aard en ernst van het letsel is een smartengeldvergoeding van € 20.000,00 op zijn plaats.

4.2.

Allianz en [gedaagde] betwisten dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. [gedaagde] heeft gehandeld conform de instructies van de docent. [gedaagde] heeft [eiseres] op enig moment op haar eigen verzoek niet meer vastgehouden, omdat zij de balanceeroefening zonder zijn hulp wilde doen. [gedaagde] is tijdens de oefening in haar nabijheid gebleven. Er is ook geen sprake van gevaarzetting, maar van een sport- en spelsituatie en een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Verder is sprake van eigen schuld, omdat [eiseres] zelf heeft aangegeven dat [gedaagde] haar niet meer hoefde te ondersteunen. Verder betwisten Allianz en [gedaagde] het causaal verband tussen het vermeende onrechtmatig handelen en de val. Tot slot betwisten Allianz en [gedaagde] (de hoogte van) de schade.

De instructie van de docent

4.3.

Vast staat dat de docent van de cursus voorafgaand aan de balanceeroefening de instructie heeft gegeven dat de persoon die de oefening uitvoert door twee medecursisten moet worden begeleid en door hen met een dubbele polsgreep moet worden vastgehouden. Ook staat vast dat de docent de instructie heeft gegeven dat een van de medecursisten de uitvoerder van de oefening mag loslaten als de uitvoerder van de oefening dit aangeeft, en dat in dat geval die medecursist de uitvoerder van de oefening wel moet blijven begeleiden en in de buurt moet blijven.

Het eerste verwijt: [gedaagde] heeft [eiseres] niet vastgehouden

4.4.

Het eerste verwijt van [eiseres] is dat [gedaagde] [eiseres] tijdens de uitvoering van de balanceeroefening niet heeft vastgehouden met de dubbele polsgreep. [gedaagde] daarentegen heeft aangevoerd dat hij [eiseres] op enig moment op haar eigen verzoek heeft losgelaten en dat zij aangaf de balanceeroefening zonder zijn hulp te willen doen.

4.5.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] [eiseres] tijdens de balanceeroefening niet heeft vastgehouden althans dat hij haar op enig moment heeft losgelaten. Dit staat dus vast. De stelling van [eiseres] komt erop neer dat [gedaagde] [eiseres] heeft losgelaten zonder dat zij daarom had gevraagd. Met hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd (namelijk dat hij heeft losgelaten op eigen verzoek van [eiseres]), heeft hij deze stelling van [eiseres] betwist. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt het dan op de weg van [eiseres] om haar stelling te bewijzen.

4.6.

Op basis van de getuigenverklaringen (afgelegd tijdens het toedrachtsonderzoek en tijdens het voorlopig getuigenverhoor) is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] daar niet in is geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.7.

Opvallend in de eerste plaats is dat de getuigenverklaringen van [eiseres] zelf geen steun bieden voor haar eigen stelling dat zij [gedaagde] niet heeft gevraagd om haar los te laten. Zo heeft zij tijdens het toedrachtsonderzoek verklaard dat zij niet meer precies weet hoe het voorval exact is gebeurd, dat zij er alleen over kan vertellen op basis van verhalen van anderen en dat “volgens klasgenoten” [naam 1] haar vasthield en [gedaagde] haar had losgelaten, “waarschijnlijk vanuit de gedachte dat ik het allemaal zelf kon”. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [eiseres] verklaard dat zij niet weet of zij tegen [gedaagde] heeft gezegd “dat hij [haar] los kon laten omdat [ze] het zelf wilde proberen”. Tijdens de zitting in de onderhavige procedure heeft zij wederom verklaard dat zij niet meer weet wat er precies is gebeurd.

4.8.

[gedaagde] daarentegen heeft (op het exacte moment van de val van [eiseres] na) wel verklaard in lijn met het door hem in onderhavige procedure gevoerde verweer. Zo heeft hij tijdens het toedrachtsonderzoek verklaard dat [eiseres] in het subgroepje heeft gezegd dat zij de balanceeroefening al vaker had gedaan, dat zij al een aantal succesvolle pogingen op de bal had gedaan onder begeleiding van medecursist [naam 1] en hemzelf, dat [eiseres] vervolgens zei dat zij het een keer zonder hulp ging proberen en dat hij [eiseres] op haar eigen verzoek niet vasthield. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [gedaagde] andermaal verklaard dat [eiseres] tegen hem had gezegd dat zij de oefening zonder begeleider wilde voortzetten en dat ze het zonder hulp wilde proberen.

4.9.

Van de andere getuigen heeft geen van hen expliciet verklaard dat [gedaagde] tijdens de balanceeroefening [eiseres] heeft losgelaten zonder dat zij daarom heeft gevraagd.

4.10.

Wel heeft medecursist [naam 2] tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij [eiseres] niet heeft horen zeggen dat ze het zelf wilde proberen. Hoewel deze verklaring enigszins in lijn ligt met de stelling van [eiseres], heeft [naam 2] niet expliciet verklaard dat [gedaagde] [eiseres] heeft losgelaten zonder dat zij daarom heeft gevraagd. Daar komt nog bij dat de verklaring van [naam 2] van beperkte waarde is, aangezien zij niet tot het subgroepje van [eiseres] behoorde en het daardoor zeer goed mogelijk is dat [naam 2] niet alles heeft gehoord van wat er in dat subgroepje is gezegd.

4.11.

Verder heeft medecursist [naam 1] (die wel tot het subgroepje van [eiseres] behoorde) tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij, voor zover zij zich dat herinnert, niet heeft gehoord dat [eiseres] heeft gezegd dat [gedaagde] haar los kon laten omdat zij het zelf wilde proberen. Op zichzelf sluit deze verklaring aan bij de stelling van [eiseres] dat zij [gedaagde] niet heeft gevraagd om haar los te laten tijdens de balanceeroefening. Ook deze verklaring is echter van beperkte waarde, omdat [naam 1] er in haar verdere verklaring (en ook in haar eerdere verklaring tijdens het toedrachtsonderzoek) blijk van heeft gegeven dat zij zich wat er die dag gebeurd is niet meer tot in detail kan herinneren.

4.12.

Medecursist [naam 3], die ook tot het subgroepje van [eiseres] behoorde, heeft verklaard dat zij [eiseres] voorafgaand aan de balanceeroefening met de bal heeft horen zeggen dat zij deze oefening zelf wel eens wilde uitvoeren. Deze verklaring lijkt meer in lijn te zijn met het verweer van [gedaagde], maar [naam 3] heeft niets expliciets verklaard over het wel of niet loslaten van [eiseres] door [gedaagde]. Hoe dan ook ondersteunt de verklaring van [naam 3] de stelling van [eiseres] niet.

4.13.

Verder heeft medecursist [naam 4] (die niet tot het subgroepje van [eiseres] behoorde) verklaard dat zij niet weet of [eiseres] gezegd heeft dat zij losgelaten wilde worden en dat ze het zelf wilde proberen. Docent [naam 5] heeft überhaupt niets verklaard over wat [eiseres] voorafgaand aan of tijdens de balanceeroefening heeft gezegd.

4.14.

Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat met de getuigenverklaringen de stelling van [eiseres], dat zij [gedaagde] niet heeft gevraagd om haar los te laten tijdens de balanceeroefening, niet is bewezen.

Het tweede verwijt: [gedaagde] stond niet actief klaar, bleef niet in de buurt en bewoog niet actief mee

4.15.

Het tweede verwijt dat [eiseres] maakt, is dat [gedaagde] tijdens de balanceeroefening niet actief klaarstond, niet voldoende in de buurt van [eiseres] is gebleven en niet actief heeft meebewogen toen [gedaagde] [eiseres] had losgelaten. Allianz en [gedaagde] betwisten dit.

4.16.

Ook ten aanzien van deze stelling rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast op [eiseres].

4.17.

Op basis van de getuigenverklaringen is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] niet is geslaagd in het leveren van het bewijs van haar stelling. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.18.

Net als bij het eerste verwijt geldt ook hier dat de getuigenverklaringen van [eiseres] zelf geen steun bieden voor haar stelling dat [gedaagde] niet actief klaarstond, onvoldoende in haar buurt is gebleven en niet actief heeft meebewogen toen hij haar had losgelaten. Tijdens het toedrachtsonderzoek heeft [eiseres] hierover niets verklaard, tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft zij verklaard dat zij niet weet waar [naam 1] en [gedaagde] zich bevonden op het moment dat zij viel en tijdens de zitting in de onderhavige procedure heeft zij – zoals eerder overwogen – verklaard dat zij niet meer weet wat er precies is gebeurd.

4.19.

[gedaagde] heeft tijdens het toedrachtsonderzoek verklaard dat hij direct naast de bal naast [eiseres] stond. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft hij verklaard dat hij naast haar stond toen ze viel, op ongeveer een meter afstand. Een en ander is in lijn met het door hem gevoerde verweer. [eiseres] heeft er nog op gewezen dat [gedaagde] tijdens het voorlopig getuigenverhoor ook nog heeft verklaard dat hij naar [eiseres] is “toegesneld” toen zij viel. Daarmee lijkt [eiseres] zich op het standpunt te stellen dat [gedaagde] zich op ruime afstand van [eiseres] bevond, maar tijdens de zitting heeft de advocaat van [eiseres] verklaard dat dat niet de stelling is. Gelet hierop biedt het gebruik van het woord “toegesneld” door [gedaagde] geen steun voor de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] niet actief klaarstond, niet in haar buurt is gebleven en niet actief heeft meebewogen.

4.20.

Medecursist [naam 1] heeft tijdens het toedrachtsonderzoek verklaard dat zij tijdens de oefening [eiseres] vasthield en met haar meeliep en ondertussen met [naam 3] en [gedaagde] praatte. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft zij dit nogmaals verklaard, waarbij zij er nog aan heeft toegevoegd dat [gedaagde] vanwege het praten met [naam 1] in haar buurt moet hebben gestaan. De verklaringen van [naam 1] lijken daarmee eerder in lijn te zijn met het door [gedaagde] gevoerde verweer. Hoe dan ook ondersteunt de verklaring van [naam 1] de stelling van [eiseres] niet.

4.21.

Medecursist [naam 3] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij het ongeval met eigen ogen heeft zien gebeuren en dat zij op het moment van het ongeval drie à vier meter ervan afstond. Verder heeft zij verklaard dat [naam 1] en [gedaagde] naast [eiseres] stonden om haar te begeleiden en dat zij ([naam 3]) niet meer weet wie ([naam 1] of [gedaagde]) er dichter bij haar stond. Wat hier verder ook van zij, ook deze verklaring ondersteunt de stelling van [eiseres] niet.

4.22.

Medecursist [naam 4] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij het ongeval vanuit haar ooghoeken heeft zien gebeuren, maar dat zij niet heeft waargenomen wie de begeleiders van [eiseres] waren. Zij heeft dus niets verklaard wat de stelling van [eiseres] ondersteunt. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van medecursist [naam 2] en docent [naam 5], omdat zij allebei expliciet hebben verklaard dat zij het ongeval niet hebben zien gebeuren.

4.23.

Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat met de getuigenverklaringen de stelling van [eiseres], dat [gedaagde] niet actief heeft klaargestaan, niet bij haar in de buurt is gebleven en niet actief heeft meebewogen tijdens de balanceeroefening, niet is bewezen.

Geen gelegenheid voor nadere bewijslevering

4.24.

Met de getuigenverklaringen zoals die zijn afgelegd tijdens het toedrachtsonderzoek en tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [eiseres] haar stelling dat [gedaagde] in strijd met de instructie van de docent heeft gehandeld, en daarmee jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, dus niet bewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiseres] gelegenheid te geven om nader bewijs te leveren. Het door haar gedane bewijsaanbod ziet immers specifiek op kwesties die al vast staan (zoals de vraag welke specifieke instructies zijn gegeven en door wie) of niet beslissend zijn voor de beoordeling in deze zaak (zoals de vraag of er eerder balansoefeningen met een bal zijn gedaan). [eiseres] heeft verder ook niet aangegeven wat de al eerder gehoorde getuigen nog nieuw of anders zouden kunnen verklaren en evenmin hoe zij anderszins haar stellingen meent te kunnen bewijzen. Het bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

Afwijzing van de vorderingen

4.25.

Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Aan eventuele toepasselijkheid van de omkeringsregel komt de rechtbank niet toe.

1HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079.

Rechtbank Rotterdam 10 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14502