Overslaan en naar de inhoud gaan

GHSHE 240226 mishandeling met koevoet; verwijzing naar schadestaatprocedure nu schadebegroting thans niet mogelijk blijkt

GHSHE 240226 mishandeling met koevoet; verwijzing naar schadestaatprocedure nu schadebegroting thans niet mogelijk blijkt
- geïntimeerden veroordeeld in kosten beide instanties: € 39.179,64 (rb) + € 8.696,82 (hof); terugbetaling proceskostenveroordeling eerste aanleg € 23.760,50 
 

in vervolg op: 
GHSHE 220425 hoofdelijke aansprakelijkheid voor mishandeling met koevoet; volgt mondelinge behandeling ter bespreking van schade
- geen verjaring; tijdig gestuit; voor rechtsverwerking is meer nodig dan enkel tijdsverloop of enkel stilzitten

6De verdere beoordeling

Schadebegroting in deze procedure of verwijzing naar de schadestaatprocedure?

6.1.

Het hof verwijst naar het tussenarrest en hetgeen daarin is overwogen. Op basis daarvan heeft het hof in het dictum onder 4.1 een mondelinge behandeling gelast voor het doel zoals in rechtsoverweging 3.71 van het tussenarrest is overwogen. Verder heeft het hof in het dictum onder 4.3 bepaald dat eventuele nadere stukken - uitsluitend met het oog op het doel van de mondelinge behandeling - door partijen uiterlijk 14 dagen voor de datum van de mondelinge behandeling in het geding moeten worden gebracht. De gelaste mondelinge behandeling is vervolgens bepaald op 14 november 2025.

6.2.

Over het doel van de gelaste mondelinge is in rechtsoverweging 3.71 overwogen, zakelijk weergegeven, dat dit het bespreken met partijen van de aard en ernst van de schade betreft, in het licht van de aanwezige deskundigenberichten en de verdere stukken in het geding en de implicaties van een en ander voor de omvang van de aanspraken van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op schadevergoeding. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gewezen op het rapport van [XX] (rechtsoverweging 3.70) en de wijze waarop daarin aan de hand van diverse schadeposten het schadebedrag is berekend en hoe die berekening zich verhoudt tot de aanspraken van ieder van de [appellanten] op vergoeding van de door ieder van hen persoonlijk geleden schade. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de mondelinge behandeling zal kunnen worden gebruikt om te bezien of een minnelijke regeling mogelijk is dan wel te bezien of nadere bewijsverrichtingen aan de orde zijn en aan de zijde van welke partij.

6.3.

Naar aanleiding van het verzoek van [geïntimeerden] van 11 november 2025 tot verdaging van de mondelinge behandeling hebben de [appellanten] het hof bij per e-mail verzonden brief van hun advocaat, gedateerd 11 november 2025, laten weten begrip te hebben voor dat verzoek. Voorts hebben zij daarin onder meer het volgende te kennen gegeven:

“Aangezien niet te verwachten is dat op enige comparitie overeenstemming respectievelijk een minnelijke regeling zal worden bereikt – hetgeen ook al blijkt uit de aankondiging van [geïntimeerde sub 2] cassatie te zullen instellen – stellen cliënten voor te[r, correctie hof] voorkoming van verdere vertraging niet een nieuwe comparitie te plannen maar direct tot benoeming van een deskundige (zoals een actuarieel rekenbureau) over te gaan om de arbeidsvermogensschade van cliënten te begroten. Daarbij kan het aan de deskundige worden overgelaten of en zo ja welke aanvullende stukken hij nodig acht ten behoeve van die begroting.”

6.4.

Zoals blijkt uit hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.71 van het tussenarrest was het doel van de gelaste mondelinge behandeling niet beperkt tot het bezien of (‘overeenstemming’ respectievelijk) een minnelijke regeling zou kunnen worden bereikt. Dat doel omvatte immers uitdrukkelijk mede het bespreken van de schadeomvang en de daarop betrekking hebbende stukken die zich al in het dossier bevinden (waaronder in ieder geval het rapport- [XX] en hetgeen daaruit blijkt over de gestelde aanspraken tot schadevergoeding van ieder van de [appellanten] waarbij het hof ook wijst op hetgeen over het rapport- [XX] is overwogen in rechtsoverweging 3.70 van het tussenarrest). Daarnaast is het bezien of nadere bewijsverrichtingen nodig zijn als doel genoemd. Hetgeen namens de [appellanten] is uiteengezet in de brief van 11 november 2025 miskent dit alles.

6.5.

Verder stelt het hof vast dat de [appellanten] binnen de termijn die daarvoor was opgenomen in het dictum onder 4.3 geen nadere (onderliggende) stukken in het geding hebben gebracht, en dus ook geen stukken die nader licht werpen op de schadeposten en de begroting daarvan, terwijl dat naar het oordeel van het hof voor de hand had gelegen in het licht van wat is overwogen in de rechtsoverwegingen 3.70 en 3.71 van het tussenarrest. De keuze van de [appellanten] om niet binnen de daarvoor bepaalde, ruime, termijn dergelijke nadere (onderliggende) stukken in het geding te brengen acht het hof niet bijdragend aan een doelgericht verloop van de gelaste mondelinge behandeling. Daaraan doet niet af dat de gelaste mondelinge behandeling uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden. Het hof tekent hierbij aan dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de schadevorderingen die de inzet vormen van deze procedure, bij de [appellanten] ligt; dat geldt ook ten aanzien van de omvang van de gestelde schade.

6.6.

Op grond van artikel 612 Rv, welk artikel ook in hoger beroep toepasselijk is, begroot de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt de schade, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting niet mogelijk is, spreekt de rechter een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit, zo volgt verder uit artikel 612 Rv. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beslissen of hij in het geding waarin is geoordeeld dat grond bestaat voor aansprakelijkheid van de aangesproken partij(en) ook tot begroting van de schade over zal gaan of dat hij partijen voor dat doel naar de schadestaatprocedure verwijst.

6.7.

Op grond van wat in het tussenarrest is overwogen, staat in deze zaak vast dat ieder van [geïntimeerden] tegenover ieder van de [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld en [geïntimeerden] uit dien hoofde tegenover ieder van de [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van dat onrechtmatig handelen. Ook is op grond van wat in het tussenarrest is overwogen de mogelijkheid van door ieder van de [appellanten] geleden schade aannemelijk.

6.8.

Het hof acht begroting van de schade thans niet mogelijk omdat het hof zich onvoldoende voorgelicht acht om daartoe over te gaan. In dat verband acht het hof zich ook onvoldoende voorgelicht om zonder nader overleg met partijen, mede met het oog waarop de eerder op 14 november 2025 geplande mondelinge behandeling was gelast, over te gaan tot benoeming van een deskundige zoals voorgesteld namens de [appellanten] in de in rechtsoverweging 6.3 genoemde brief van hun advocaat van 11 november 2025. Benoeming van een deskundige (zoals een actuarieel rekenbureau) om de arbeidsvermogensschade van cliënten te begroten, zoals in die brief voorgesteld, kan eerst aan de orde zijn wanneer de uitgangspunten voor een dergelijke berekening vast staan. Die uitgangspunten staan echter niet vast en zij kunnen naar het oordeel van het hof ook niet (toereikend) worden bepaald zonder de hiervoor bedoelde nadere (onderliggende) stukken en zonder nader overleg daarover met partijen zoals het hof voornemens was te voeren tijdens de op 14 november 2025 geplande mondelinge behandeling. In het licht daarvan en mede gelet op hetgeen hiervoor verder is overwogen, ziet het hof thans reden om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Het hof zal daartoe overgaan op de wijze zoals hierna in het dictum van dit arrest is bepaald waarbij voor recht zal worden verklaard dat ieder van [geïntimeerden] hoofdelijk aansprakelijk is tegenover ieder van de [appellanten] op grond van onrechtmatige daad voor de schade die daarvan voor ieder van de [appellanten] het gevolg is.

Resterende beslispunten

6.9.

[appellant sub 2] vordert in dit geding de veroordeling van [geïntimeerden] tot, kort gezegd, afgifte van een belastinggarantie conform de tekst onder 38 van de inleidende dagvaarding (petitum inleidende dagvaarding onder 2); het hof verstaat dat is bedoeld te verwijzen naar de tekst onder 34 van de inleidende dagvaarding. Zoals hiervoor is overwogen, zal de zaak voor de begroting van de schade worden verwezen naar de schadestaatprocedure. De vordering tot afgifte van een belastinggarantie hangt naar het oordeel van het hof zozeer samen met het uiteindelijke oordeel over de omvang van de schade van [appellant sub 2] dat in de rede ligt dat een beslissing daarover ook wordt genomen in de schadestaatprocedure zodat de zaak ook voor dat doel daarnaar zal worden verwezen.

6.10.

Verder vorderen de [appellanten] in dit geding de veroordeling van [geïntimeerden] tot, kort gezegd, tot betaling van een bedrag van € 50.927,03 aan kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand althans een in goede justitie te betalen bedrag. Ook ten aanzien van dit deel van de vordering van de [appellanten] ligt naar het oordeel van het hof in de rede dat erop wordt beslist in de schadestaatprocedure zodat de zaak ook voor dat doel daarnaar zal worden verwezen.

Tot slot

6.11.

[geïntimeerden] heeft in dit geding te gelden als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt immers dat [geïntimeerden] hoofdelijk tegenover ieder van de [appellanten] aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, waarbij het beroep van [geïntimeerden] op eigen schuld van de [appellanten] in overwegende mate is afgewezen. Aan een en ander doet niet af dat het hof reden ziet voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het hof zal [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties veroordelen.

6.12.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

  • -

    Explootkosten € 101,89

  • -

    Griffierecht € 1.565,00

  • -

    Salaris advocaat/gemachtigde € 21.994,50 (5,5 punten maal tarief VIII)

  • -

    Kosten deskundigen € 15.518,25

Totaal € 39.179,64

6.13.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

  • -

    Explootkosten € 129,82

  • -

    Griffierechten € 1.780,00

  • -

    Salaris advocaat € 6.609,00 (1,5 punten maal tarief VIII)

  • -

    Nakosten € 178,00 (plus de kosten van een eventuele betekening)

Totaal € 8.696,82

Beide totaalbedragen zijn te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals in het dictum zal zijn bepaald.

6.14.

In het bestreden vonnis zijn de [appellanten] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] In hoger beroep vorderen zij de veroordeling van [geïntimeerden] tot terugbetaling daarvan. Het gaat om een bedrag van in totaal € 23.760,50. De uitkomst van dit hoger beroep is een andere dan die van de procedure bij de rechtbank en wel zodanig dat [geïntimeerden] als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen hebben te gelden (zie hiervoor rechtsoverweging 6.11). Gelet daarop komt de vordering tot terugbetaling voor toewijzing in aanmerking.

7De uitspraak

Het hof:

7.1.

vernietigt het bestreden vonnis,

en opnieuw rechtdoende:

7.2.

verklaart voor recht dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tegenover ieder van de [appellanten] op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk aansprakelijk zijn, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, voor de schade die daarvan voor ieder van de [appellanten] het gevolg is en verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure voor het vaststellen van die schade;

7.3.

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van beide instanties aan de zijde van de [appellanten] , zijnde wat betreft de procedure bij de rechtbank een bedrag van € 39.179,64 en wat betreft de procedure in hoger beroep een bedrag van € 8.696,82, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest;

7.4.

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tot terugbetaling aan de [appellanten] van het door de [appellanten] aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] betaalde bedrag aan kosten voor de procedure in eerste aanleg ter grootte van € 23.760,50 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:448