Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 150726 wederzijdse mishandeling, onrechtmatigheid aangenomen, maar vorderingen over en weer stranden op onderbouwing

RBGEL 150726 wederzijdse mishandeling, onrechtmatigheid aangenomen, maar vorderingen over en weer stranden op onderbouwing

schadeposten SO (VAV als marinier, HH, zwzh, smartengeld) onvoldoende onderbouwd; hersenschudding en beperkingen niet objectiveerbaar; pre-existente ADHD, depressieve klachten en cannabisgebruik doorbreken causaal verband
reconventie: ook terugslaand SO handelt onrechtmatig (disproportioneel), maar schade dader eveneens onvoldoende onderbouwd; conservatoir beslag (verlof € 619.131,80) opgeheven
 

3. De feiten

3.1.

In de avond van 24 december 2020 heeft zich een handgemeen voorgedaan tussen [eiser] en [gedaagde] , in de woning van de toenmalige vriendin van [eiser] , [getuige] (hierna ook: [getuige] ). Daarbij was ook de zoon van [gedaagde] aanwezig.

3.2.

[eiser] heeft diezelfde avond bij de politie aangifte gedaan van zware mishandeling door [gedaagde] . Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

3.3.

Op 30 december 2020 heeft [gedaagde] bij de politie aangifte gedaan van zware mishandeling door [eiser] . Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

3.4.

Op 16 januari 2021 is [eiser] door de politie verhoord als verdachte van (al dan niet zware) mishandeling van [gedaagde] . [eiser] heeft tijdens zijn verhoor onder meer verklaard:

“(…)

Ik zei nogmaals tegen de man [ [gedaagde] – de rechtbank] had hij weg moest gaan, waarop hij tegen mij zei: ‘jij moet helemaal je bek houden’, hierop reageerde ik weer met de woorden: ‘je moet hier niet zo komen praten pik’. Hierop kwam de oudste agressief op mij af. Hij gaf mij een duw en een stoot. Ik heb mij uit zelf verdediging verweerd.
Daarna had ik een paar stoten aan de oudste man gegeven op zijn gezicht, dat geef ik eerlijk toe. Toen ik op een gegevens moment naar benden keek omdat er bloed om mijn jas zat werd ik van achteren vast gepakt, dit deed de jongere man [de zoon van [gedaagde] – de rechtbank]. De manier waarop hij mij vastpakte was eigenlijk gewoon in een nekklem, ik had het idee dat ik gewurgd werd. Ik werd door de jongere man naar de grond geholpen terwijl hij mij nog steeds in een nekklem hield. Terwijl ik op de grond lag werd ik op mijn gezicht getrapt en ook in mijn maag, door de oudste man. De oudste man pakte mijn armen vast zodat ik mij niet kon bewegen en sloeg mij meerder keren in mijn gezicht.

Op een gegeven moment hoorde ik de jongere man tegen zijn vader dat hij moest stoppen. Ik hoorde de oudste man zeggen dat ik hem ook had geslagen en ging toen nog even door met slaan op mijn gezicht. De oudste man stond op een gegeven moment op en trapte mij nog een keer in mijn buik. Na enkele minuten stopten ze en vertrokken ze.

(…)

O: Hierop verklaar jij dat je je uit zelf verdediging heb verweerd?

V: Wat heb jij precies gedaan?

A: Ik heb meerdere malen in zijn gezicht geslagen uit zelf verdediging en door de hele situatie.

V: Deed jij dit met vlakke hand of met gebalde vuist?
A: Met vuist.


V: Weet jij hoe vaak je hem geraakt hebt?

A: Twee a drie keer.

(…)”

3.5.

[eiser] is niet strafrechtelijk vervolgd voor (al dan niet zware) mishandeling van [gedaagde] .

3.6.

[eiser] heeft een medisch adviseur ingeschakeld, de heer [medisch adviseur] (hierna: [medisch adviseur] ). [medisch adviseur] heeft op 28 september 2022 en 18 juli 2023 (inhoudelijk gelijkluidende) adviezen uitgebracht. Daarin staat onder meer:

“(…)

Conclusie en bespreking

Uit de mij ter beschikking staande correspondentie begrijp ik dat uw cliënt [ [eiser] – de rechtbank] betrokken is geweest bij een mishandeling op 24 december 2020 waarbij uw cliënt tegen zijn hoofd werd getrapt. Uw cliënt zou daarbij mogelijk het bewustzijn hebben verloren en er zijn bij uw cliënt klachten opgetreden passend bij wat door de neuroloog […] een postcommotioneel syndroom wordt genoemd. Deze diagnose was ook al gesteld door de huisarts van uw cliënt. Een postcommotioneel syndroom is een geheel van klachten dat kan optreden bij een licht of mild hoofd/hersenletsel en vaak wordt gezien na een hersenschudding.

(…)”

3.7.

Bij vonnis van 12 april 2023 heeft de politierechter in de rechtbank Overijssel [gedaagde] wegens mishandeling van [eiser] veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis. [gedaagde] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

3.8.

Bij arrest van 16 augustus 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) wettig en overtuigend bewezen verklaard dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld door hem – terwijl hij op de grond lag – meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen. In zijn arrest heeft het hof over het verloop van het incident het volgende vastgesteld:

“(…)

Verdachte [ [gedaagde] – de rechtbank] was op 24 december 2020 samen met zijn zoon naar het huis van getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) gegaan. De aanleiding hiervoor was een ruzie tussen zijn dochter en [getuige] . Buiten op het erf van [getuige] ontstond er een woordenwisseling tussen verdachte en [getuige] over een jurkje van zijn dochter. [getuige] besloot vervolgens de woning binnen te gaan, waarop verdachte iets in de trant van: “als jij die deur dicht trek heb je een probleem” had geroepen. Verdachte en zijn zoon besloten achter getuige [getuige] de woning binnen te gaan. Hier ontstond een woordenwisseling tussen verdachte en aangever [ [eiser] – de rechtbank]. Op enig moment zei aangever tegen verdachte dat hij niet zo tegen hem moest praten, waarna verdachte op aangever afstormde, hem met twee handen vastpakte en hem een duw gaf. Vervolgens heeft aangever verdachte geslagen, waarop de zoon van verdachte aangever heeft vastgepakt. Hierna heeft verdachte meerderde malen op het gezicht van aangever geslagen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij samen met zijn zoon de woning was binnengegaan, dat aangever tegen heeft had geroepen dat hij niet zo tegen hem moest praten waarna hij aangever heeft vastgepakt en naar achteren had geduwd om hem op zijn plek te zetten. Vervolgens begon aangever naar hem te ‘maaien’. Hierna heeft zijn zoon aangever van hem afgehaald en heeft hij aangever twee keer geslagen. Daarna heeft hij aangever met zijn knie laag gehouden, zodat zijn zoon weg kon.

(…)”

Het hof heeft [gedaagde] veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis. Het arrest van het hof is onherroepelijk geworden.

3.9.

Ter verzekering van verhaal van zijn vordering heeft [eiser] , na daartoe verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op 4 juli 2025 conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde] in [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] . De voorzieningenrechter heeft het bedrag waarvoor het beslag mocht worden gelegd vastgesteld op € 619.131,80.

3.10.

[gedaagde] heeft een medisch adviseur geraadpleegd (Veduma Medisch Adviseurs te Zaltbommel) ter beoordeling van het medisch rapport van [medisch adviseur] over [eiser] . Het definitieve advies van de medisch adviseur van 12 november 2025 luidt onder meer:

“(…)

Concluderend ontbreekt er in het dossier medische informatie van medische opvang direct aansluitend/kort na datum ongeval. Er is daarmee geen medisch objectieve informatie van eventuele klachten/beperkingen direct aansluitend aan het incident.

(…)

Er zijn met name anamnestisch de klachten/beperkingen. Medisch objectieve ondersteuning daarvoor ontbreekt zodat deze ook niet objectiveerbaar zijn gemaakt.

(…)

Met betrekking tot eventuele mishandeling gerelateerde problematiek is een medische eindsituatie al lang aan de orde.

(…)

Er wordt 2 dagen later [op 26 december 2024 met de huisartsenpost – de rechtbank] ook afgesproken dat, indien er sprake is van een verandering van klachten, betrokkene weer contact kan opnemen. Dat is kennelijk niet gebeurd zodat ook onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er daarna nog aanvullende problematiek is ontstaan.

Opvallend is overigens dat betrokkene, aldus de verslaglegging bij de militaire arts, aangeeft dat hij bij het incident bewustzijnsverlies zou hebben meegemaakt. Uit de hierboven besproken informatie van de huisartsenpost blijkt dat niet.

Ook worden bij de militaire (huis)arts klachten gemeld van een hersenschudding maar zoals hierboven beschreven is daar geen enkele indicatie voor. Er is daarmee sprake van inconsistenties/discrepanties.

Bij het ontbreken van een gestelde diagnose commotio cerebri kan ook geen sprake zijn van een postcommotioneel syndroom. Het moge overigens duidelijk zijn dat voor de uitspraken die betrokkene later na het incident doet (zie eerder advies, maar ook bovenstaande) onvoldoende onderbouwing wordt gevonden in de meer dan uitgebreide verslaglegging zoals deze is gedaan door de waarnemend huisarts.

(…) ”

4Het geschil

in conventie

4.1.

[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade door de mishandeling van [eiser] door [gedaagde] op 24 december 2020;

  2. [gedaagde] beveelt medewerking te verlenen aan een onderzoek naar het verlies van arbeidsvermogen inclusief pensioenschade door een te benoemen arbeidsdeskundige om het inkomen, het ongeval weggedacht, vast te stellen en een berekening door NRL te laten uitvoeren;

  3. een arbeidsdeskundig onderzoek beveelt door arbeidskundige de heer [arbeidsdeskundige] verbonden aan Wibbens in Zuidlaren en Velp op grond van, onder andere, de vragen die in de dagvaarding zijn opgenomen;

  4. voor recht verklaart dat [gedaagde] de kosten van het arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige moet vergoeden;

  5. voor recht verklaart dat [gedaagde] de kosten voor het opstellen van het rapport van NRL moet vergoeden;

  6. voor recht verklaart dat [gedaagde] het schadebedrag ter zake van verlies van arbeidsvermogen, zoals dat blijkt uit het onderzoek van het NRL, moet vergoeden, waarbij het NRL als uitgangspunt neemt dat [eiser] zonder de mishandeling werkzaam zou zijn als marinier, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en de schade te kapitaliseren op grond van de aanbevelingen van de rechtspraak;

  7. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 650,00 ter zake van zaakschade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  8. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 1.896,00 ter zake van verlies van zelfwerkzaamheid, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  9. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 3.896,50 ter zake van de huishoudelijke hulp, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  10. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 87,06 ter zake van buitengerechtelijke kosten voor het inwinnen van medisch advies, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  11. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 7.500,00 ter zake van smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  12. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 52.961,00 ter zake van de toekomstige huishoudelijke hulp, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  13. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 28.039,67 ter zake van het toekomstige verlies van zelfwerkzaamheid, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  14. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten en de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vordering, althans tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

in reconventie

4.3.

Na wijziging/vermeerdering van eis vordert [gedaagde] , samengevat, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

onvoorwaardelijk

[eiser] veroordeelt om aan [gedaagde] te betalen:

  1. een bedrag van € 20.000,00 althans een door de rechtbank te bepalen bedrag aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. een bedrag van € 15.000,00 althans een door de rechtbank te bepalen bedrag aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. een bedrag van € 3.045,47, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  4. de proceskosten in reconventie, binnen veertien dagen na de datum van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente voor het geval voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt;

voorwaardelijk

5. voor recht verklaart dat het door [eiser] op 4 juli 2025 ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag gedeeltelijk is komen te vervallen, namelijk voor zover het beslag is gelegd voor het vorderingsrecht van € 524.101,57 waarvoor geen eis in de hoofdzaak is ingesteld;

6. het door [eiser] op 4 juli 2025 ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag geheel opheft, althans gedeeltelijk opheft voor het bedrag dat uitstijgt boven het bedrag van de vordering waarop het is gelegd en waartoe [gedaagde] in conventie zal worden veroordeeld.

4.4.

[eiser] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

in conventie en in reconventie

4.5.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

5De beoordeling

in conventie

De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af

5.1.

De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt.

[gedaagde] heeft onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld

5.2.

Op grond van artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. In dit geval is [gedaagde] bij arrest van 16 augustus 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor mishandeling. Het hof heeft bewezenverklaard dat [gedaagde] [eiser] , terwijl hij op de grond lag, meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt. Het arrest van het hof is in kracht van gewijsde gegaan (onherroepelijk geworden). Daarom moet – behoudens tegenbewijs – als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld door hem meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of stompen. [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in deze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. De vaststaande mishandeling leidt tot de conclusie dat [gedaagde] in beginsel onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld.

Er is geen sprake van noodweer

5.3.

Van onrechtmatig handelen is geen sprake als komt vast te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat (artikel 6:162 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

5.4.

[gedaagde] beroept zich op een rechtvaardigingsgrond, namelijk noodweer. Noodweer (in strafrechtelijke zin) is een gedraging die is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging moet voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste: er mag geen wanverhouding bestaan tussen de wijze van verdediging en de ernst van de aanranding, en degene die zich op noodweer beroept, moet niet met een minder schadelijke wijze van verdediging hebben kunnen volstaan. Het bestaan van de rechtvaardigingsgrond moet – als bevrijdend verweer – in een civiele procedure zoals deze door [gedaagde] worden bewezen.

5.5.

Volgens [gedaagde] was sprake van noodweer. [gedaagde] stelt daartoe dat hij plotseling werd geconfronteerd met [eiser] , die hem uitschold, bedreigde en vervolgens agressief en fysiek geweld gebruikte.

5.6.

Het beroep van [gedaagde] op noodweer slaagt niet. In het onherroepelijk geworden arrest van het hof is vastgesteld dat [gedaagde] [eiser] als eerste een duw heeft gegeven. [gedaagde] heeft dit zelf ook verklaard bij de politie en het staat ook vermeld in de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie. Ook indien [eiser] [gedaagde] zou hebben uitgescholden en ophitsende taal tegen hem zou hebben gebruikt, blijft staan dat [gedaagde] hem als eerste heeft geduwd. Dit terwijl er een alternatief was: [gedaagde] had kunnen en moeten weglopen. De conclusie luidt dat geen sprake is van noodweer. Er was geen sprake van een noodzakelijke verdediging, terwijl [gedaagde] anders had kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. Gezien het voorgaande is er geen rechtvaardiging voor het handelen van [gedaagde] , zodat de onrechtmatigheid van zijn handelen tegenover [eiser] vaststaat.

Er is geen sprake van noodweerexces

5.7.

In het geval dat de rechtbank oordeelt dat sprake is van onrechtmatig handelen, beroept [gedaagde] zich op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond (artikel 6:162 lid 3 BW), namelijk noodweerexces. Een schulduitsluitingsgrond staat aan toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad in de weg.

5.8.

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is in ieder geval vereist dat sprake is van een noodweersituatie. Gezien het voorgaande doet zich geen noodweersituatie voor. [gedaagde] heeft zelf de eerste duw gegeven, terwijl hij ervoor had kunnen en moeten kiezen om weg te lopen. Het onrechtmatig handelen kan dan ook aan [gedaagde] worden toegerekend.

Er is geen sprake van uitlokking

5.9.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 1995 (ECLI:NL:HR:1995:ZC1688, Taams/Boudeling) beroept [gedaagde] zich dan nog op uitlokking. [gedaagde] betoogt dat [eiser] hem aanhoudend provoceerde met een intensiteit die de reactie van [gedaagde] kan verklaren. Volgens [gedaagde] bestaat een direct causaal verband tussen de provocatie van [eiser] en de reactie van [gedaagde] daarop. Pas nadat [eiser] zich fysiek opdrong en begon te ‘maaien’ met zijn vuisten, reageerde [gedaagde] met twee vlakke handslagen, aldus [gedaagde] .

5.10.

Ook hier verliest [gedaagde] uit het oog dat hij als eerste [eiser] heeft geduwd. Bovendien geldt ook in dit verband dat een minder vergaande reactie mogelijk was geweest: [gedaagde] had kunnen en moeten weglopen. Van uitlokking door [eiser] is geen sprake.

De gestelde materiële schade is onvoldoende onderbouwd

5.11.

Omdat gezien het voorgaande sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad, moet [gedaagde] in beginsel de schade vergoeden die [eiser] door die onrechtmatige daad lijdt. [eiser] stelt dat hij door de onrechtmatige daad materiële en immateriële schade heeft geleden en nog lijdt. Zo zouden een jas en een Apple Watch door de mishandeling beschadigd zijn geraakt. Ook is volgens [eiser] sprake van (huidig en toekomstig) verlies van zelfwerkzaamheid doordat hij in, aan en rond zijn woning geen onderhouds-, schilder- en reparatiewerkzaamheden kon uitvoeren en op dat gebied nog altijd sprake is van tempoverlies als gevolg van zijn klachten en beperkingen. Daarnaast stelt [eiser] dat sprake is van (huidige en toekomstige) kosten voor benodigde huishoudelijke hulp. Verder vordert [eiser] een vergoeding voor verlies van arbeidsvermogen, omdat hij gedurende anderhalf jaar volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest en door zijn medische klachten niet meer geschikt zou zijn om als militair te werken. Ten slotte is volgens [eiser] sprake van zwaar lichamelijk en psychisch letsel. [gedaagde] weerspreekt de schade en ook het causaal verband tussen de geclaimde schade en de onrechtmatige daad. Dit verweer slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Jas en Apple Watch (vordering 7)

5.12.

Met betrekking tot de jas heeft [eiser] een kopie van een kassabon in het geding gebracht, evenals een aantal foto’s van een jas. De kopie van de kassabon is echter onleesbaar en uit de foto’s van de jas kan de rechtbank niet goed opmaken of sprake is van schade. [eiser] heeft tegenover de politie verklaard dat de jas naar de stomerij moest omdat er bloedvlekken op zaten. Het laten stomen van een jas kost echter geen € 600,00, het bedrag dat [eiser] vordert met betrekking tot de jas. Bovendien heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de jas niet is gestoomd. Met betrekking tot de Apple Watch heeft [eiser] uitsluitend een kopie van een kassabon overgelegd. Tegenover de politie heeft [eiser] niet gerept van de Apple Watch. Onduidelijk blijft in welke staat de jas en de Apple Watch voorafgaand aan het incident verkeerden. Waardebepalingen, reparatiefacturen of andere documentatie waaruit blijkt dat de genoemde voorwerpen daadwerkelijk zijn beschadigd of vervangen, ontbreken. [gedaagde] voert terecht aan dat de gestelde schade aan de jas en de Apple Watch daarmee onvoldoende is gespecificeerd en niet verifieerbaar is. Gezien het voorgaande heeft [eiser] deze gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Voor veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding daarvan bestaat dan ook geen grond. Vordering 7 is niet toewijsbaar.

Verlies zelfwerkzaamheid, kosten huishoudelijke hulp en verlies arbeidsvermogen (vorderingen 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 12 en 13)

5.13.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor verlies van zelfwerkzaamheid, kosten voor huishoudelijke hulp en verlies van arbeidsvermogen overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] heeft met betrekking tot deze schadeposten een medisch advies van [medisch adviseur] overgelegd (zie 3.6). De onderliggende medische stukken bij dat advies ontbreken. Gelet hierop heeft [eiser] , tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , het bestaan van medische beperkingen die zouden hebben geleid tot de gestelde schadeposten onvoldoende onderbouwd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [eiser] aan de gestelde beperkingen ten grondslag legt dat hij tegen zijn hoofd is getrapt met stalen neuzen en daarbij een hersenschudding heeft opgelopen. De strafrechter heeft echter niet bewezen verklaard dat [gedaagde] [eiser] tegen het hoofd heeft getrapt met stalen neuzen. Van een hersenschudding blijkt ook niets uit de medische stukken die zich in het dossier bevinden. De advocaat van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling ter onderbouwing van de stelling dat [eiser] een hersenschudding had opgelopen, nog gewezen op een aantekening van behandelaar [behandelaar] van 27 januari 2021 (productie 29 aan de zijde van [gedaagde] ). Ook uit deze aantekening valt evenwel niet op te maken dat een hersenschudding medisch objectief is vastgesteld. Volgens het door [gedaagde] overgelegde rapport van Veduma Medisch Adviseurs (zie 3.10) is sprake van een medische eindsituatie. Verder wordt er in dat rapport op gewezen dat ook de neuroloog die [eiser] in 2021 zag bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen heeft geconstateerd. De neuroloog spreekt van een postcommotioneel syndroom, maar die diagnose is alleen gebaseerd op het eigen verhaal van [eiser] en niet op medische observatie. [eiser] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Bovendien ontbreken stukken waaruit zou blijken dat [eiser] als gevolg van de vermeende beperkingen daadwerkelijk kosten heeft moeten maken – en in de toekomst nog steeds moet maken – voor hulp bij lichte fysieke werkzaamheden en huishoudelijke werkzaamheden die hij niet meer zou kunnen uitvoeren. [gedaagde] voert terecht aan dat de door [eiser] gemaakte schadebegroting een zuiver theoretische berekening is, die niet is gestoeld op concrete gegevens.

5.14.

Daarnaast voert [gedaagde] terecht aan dat niet aannemelijk is dat [eiser] inkomensschade heeft geleden als gevolg van enig handelen van [gedaagde] . Zowel medisch als feitelijk bewijs van arbeidsongeschiktheid of verminderd verdienvermogen ten gevolge van de mishandeling ontbreekt. Zo blijkt uit het rapport van Veduma Medisch Adviseurs – dat door [eiser] op zichzelf niet is weersproken – dat de klachten van [eiser] niet objectiveerbaar zijn en dat geen sprake is van blijvende fysieke of psychische beperkingen die voortvloeien uit het incident. Er is dus, anders dan [eiser] stelt, geen medische basis voor de stelling dat [eiser] als gevolg van het incident niet meer kon werken of zijn opleiding niet kon afronden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [eiser] volgens de medische stukken al vóór december 2020 kampte met ADHD, depressieve klachten en cannabisgebruik. Deze problematiek staat in de weg aan het aannemen van een causaal verband tussen de onrechtmatige daad van [gedaagde] en het gestelde verlies aan arbeidsvermogen. Het vertrek van [eiser] bij Defensie kan dan ook niet aan [gedaagde] worden toegeschreven. Bovendien heeft [eiser] , hoewel dit op zijn weg had gelegen, geen loonstroken, jaaropgaven of andere documentatie overgelegd waaruit blijkt wat zijn inkomen was voorafgaand aan het incident en welk inkomen hij daarna is misgelopen.

5.15.

Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor een veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid, kosten voor huishoudelijke hulp en verlies van arbeidsvermogen. De rechtbank zal de vorderingen 6, 8, 9, 12 en 13 afwijzen. Dit brengt mee dat ook de vorderingen die strekken tot het bevelen van een arbeidsdeskundig onderzoek, veroordeling van [gedaagde] tot medewerking daaraan en vergoeding door [gedaagde] van de kosten daarvan (vorderingen 2, 3, 4 en 5) als ongegrond zullen worden afgewezen.

Het gevorderde smartengeld is niet toewijsbaar (vordering 11)

5.16.

[eiser] vordert een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding wegens gestelde pijn, angst en psychische klachten als gevolg van de onrechtmatige daad. [gedaagde] voert hiertegen terecht aan dat [eiser] geen verklaringen van psychologen, psychiaters of behandelaars heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij geestelijk letsel of aantasting in zijn persoon heeft ondergaan. Bovendien kampte [eiser] al vóór het incident met middelengebruik, ADHD en psychische klachten. In het licht hiervan heeft [eiser] het causaal verband tussen de gestelde immateriële schade en de onrechtmatige daad van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd, laat staan dat hij heeft onderbouwd dat dit bedrag de € 2.500,00 die hij in de strafprocedure al heeft ontvangen, zou overstijgen. De vordering tot vergoeding van smartengeld (vordering 11) is niet toewijsbaar.

[eiser] heeft geen belang bij de gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van de mishandeling (vordering 1)

5.17.

Omdat gezien het voorgaande de vorderingen van [eiser] tot schadevergoeding niet toewijsbaar zijn, heeft [eiser] geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van de mishandeling. Ook vordering 1 zal daarom worden afgewezen.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen (vordering 10)

5.18.

Vordering 10, die strekt tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten, deelt het lot van de overige vorderingen en zal dus worden afgewezen.

[eiser] moet de proceskosten betalen

5.19.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van [gedaagde] op:

- griffierecht

1.374,00


 

- salaris advocaat

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.143,00


 

5.20.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie

De rechtbank wijst het merendeel van de vorderingen van [gedaagde] af

5.21.

De rechtbank zal de vorderingen van [gedaagde] afwijzen, met uitzondering van de vordering tot opheffing van het beslag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt.

[eiser] heeft onrechtmatig tegenover [gedaagde] gehandeld

5.22.

[eiser] erkent dat hij lichamelijk geweld tegen [gedaagde] heeft gebruikt door hem twee à drie keer met zijn vuist in het gezicht te slaan. Dit staat dus in rechte vast. Daarmee heeft [eiser] inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [gedaagde] . Hieruit volgt dat [eiser] in beginsel onrechtmatig tegenover [gedaagde] heeft gehandeld.

Er is geen sprake van noodweer

5.23.

Het handelen van [eiser] is niet onrechtmatig als komt vast te staan dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (artikel 6:162 lid 2 BW). [eiser] beroept zich op een rechtvaardigingsgrond, namelijk noodweer. Voor de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer verwijst de rechtbank naar wat zij hierboven onder 5.4 heeft overwogen.

5.24.

In het kader van zijn beroep op noodweer betoogt [eiser] dat [gedaagde] en zijn zoon gezamenlijk zonder toestemming de woning van de familie [getuige] binnendrongen en dat [gedaagde] agressief, dreigend en intimiderend was en [getuige] beledigde en bedreigde. Toen [eiser] daar iets van zei, sloeg en duwde [gedaagde] [eiser] . Naar eigen zeggen was [eiser] daarop genoodzaakt om zichzelf en de minderjarigen en jonge vrouwen te beschermen die in de woning aanwezig waren. Het terugslaan staat volgens [eiser] in redelijke verhouding tot het binnendringen van de woning, het bedreigen en het uitdelen van de eerste klap door [gedaagde] .

 

 

5.25.

Het beroep van [eiser] op noodweer slaagt niet. Vast staat dat [gedaagde] de eerste duw heeft gegeven. Wat echter ook vast staat, is dat voorafgaand aan deze duw [eiser] zich met de woordenwisseling tussen [gedaagde] en [getuige] ging bemoeien en daarbij woorden bezigde als “Je moet hier niet zo komen praten pik”. Door zijn taalgebruik en bejegening van [gedaagde] heeft [eiser] mogelijk bijgedragen aan het ontstaan van de daaropvolgende situatie, in ieder geval heeft hij daarmee het vuurtje nog verder aangewakkerd. Reeds dit feit staat in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer. Bovendien had [eiser] na de duw anders kunnen reageren dan hij heeft gedaan. In plaats van weg te lopen heeft hij op disproportionele wijze gereageerd met een vuistslag in het gezicht van [gedaagde] . Gelet op de gang van zaken is dan ook geen sprake van noodweer. Er was geen sprake van een noodzakelijke verdediging, terwijl [eiser] anders had kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan en daarbij was zijn reactie ook nog eens disproportioneel. Gezien het voorgaande bestaat geen rechtvaardiging voor het handelen van [eiser] . De onrechtmatigheid van zijn handelen tegenover [gedaagde] staat dus vast.

Er is geen sprake van noodweerexces

5.26.

[eiser] beroept zich ook op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond (artikel 6:162 lid 3 BW), namelijk noodweerexces. De rechtbank herhaalt dat een schulduitsluitingsgrond aan toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad in de weg staat en dat voor een geslaagd beroep op noodweerexces in ieder geval is vereist dat sprake is van een noodweersituatie (zie hierboven 5.7-5.8).

5.27.

Uit wat de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen, volgt dat geen sprake is van een noodweersituatie, zodat ook het beroep op noodweerexces faalt. Het onrechtmatig handelen kan dan ook aan [eiser] worden toegerekend.

Er is geen sprake van eigen schuld

5.28.

Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] volledige eigen schuld treft aan het feit dat [eiser] hem – volgens [eiser] uit zelfverdediging na de duw van [gedaagde] – sloeg. In het voorgaande heeft de rechtbank echter geoordeeld dat zelfverdediging niet noodzakelijk was. Van eigen schuld van [gedaagde] in de zin van artikel 6:101 BW is dan geen sprake.

De gestelde materiële schade is onvoldoende onderbouwd (vordering 1)

5.29.

Omdat gezien het voorgaande sprake is van een aan [eiser] toerekenbare onrechtmatige daad, moet [eiser] in beginsel de schade vergoeden die [gedaagde] door die onrechtmatige daad lijdt. [gedaagde] betoogt dat hij materiële en immateriële schade heeft geleden door de onrechtmatige daad van [eiser] . Hij heeft letsel opgelopen (een hoofdwond, hersenschudding, kneuzingen aan schouder en elleboog en pijnklachten aan kaken en neus). Ook heeft hij gekampt met ernstige hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid. [gedaagde] kon wekenlang geen normale kleding dragen vanwege pijn aan zijn schouder en elleboog en was gedurende een periode van ongeveer zes maanden arbeidsongeschikt voor zijn werkzaamheden in de werkplaats. Zijn onderneming werd in die periode gedeeltelijk voortgezet met behulp van zijn zoon en een derde, wat tot een enorme kostenstijging leidde, aldus nog steeds [gedaagde] .

5.30.

[eiser] betwist dat [gedaagde] schade heeft geleden en weerspreekt ook het causaal verband tussen de geclaimde schade en de onrechtmatige daad. [eiser] voert terecht aan dat [gedaagde] zijn gestelde schade (onvoldoende) heeft onderbouwd. De onderbouwing bestaat uitsluitend uit ongedateerde foto’s van het letsel, een eigen ongedateerde, niet ondertekende verklaring over zijn schade en medische informatie van de huisarts zonder nadere toelichting. Uit de informatie van de huisarts blijkt alleen dat er op 24 december 2020 contact was met de huisartsenpost en dat het ging om een snee bij de neus. De afspraak is niet doorgegaan, omdat [gedaagde] werd meegenomen door de politie. Daarna heeft in januari 2021 nog eenmaal contact plaatsgevonden met de huisarts wegens hoofdpijnklachten en een pijnlijke elleboog en daarna niet meer, in ieder geval niet meer vanwege klachten die verband zouden kunnen houden met het incident op 20 december 2020. Van een hersenschudding blijkt niets. Uit de overgelegde stukken van de radioloog en de orthopeed blijkt dat [gedaagde] kampt met knieklachten. [gedaagde] heeft echter niet gesteld, en ook is niet gebleken, dat deze iets te maken hebben met het incident op 20 december 2020.

5.31.

Ook ten aanzien van de gestelde arbeidsongeschiktheid ontbreekt een medische onderbouwing. [gedaagde] heeft uitsluitend een factuur van € 20.000,00 overgelegd van Multiservice Project Control van 20 augustus 2021. Op de factuur staat vermeld dat deze betrekking heeft op het overnemen van geplande werkzaamheden over de periode januari-augustus 2021. [eiser] voert hierover terecht aan dat de factuur niet nader is gespecificeerd en dat onduidelijk is om welke werkzaamheden het precies gaat. Ook blijkt nergens uit dat [gedaagde] deze factuur daadwerkelijk heeft betaald en dat de werkzaamheden zijn overgenomen wegens klachten van [gedaagde] als gevolg van de onrechtmatige daad van [eiser] .

5.32.

Gezien het voorgaande heeft [gedaagde] de gestelde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Voor veroordeling van [eiser] tot vergoeding daarvan bestaat daarom geen grond. De rechtbank zal vordering 1 afwijzen.

Het gevorderde smartengeld is niet toewijsbaar (vordering 2)

5.33.

[gedaagde] vordert een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding wegens aantasting in zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW, bestaande uit blijvende psychische klachten, slaapproblemen, stress en aantasting van zijn gevoel van veiligheid.

5.34.

[eiser] voert hiertegen aan dat [gedaagde] deze schadepost onvoldoende (medisch) heeft onderbouwd. Uit het overgelegde medicatieoverzicht en de informatie van de huisarts blijkt geen causaal verband tussen het medicijngebruik en de klachten enerzijds en de onrechtmatige daad van [eiser] anderzijds. Daarnaast wijst [eiser] erop dat [gedaagde] tijdens de strafrechtelijke procedure heeft aangegeven dat zijn privésituatie niet goed is. Dit zou spannings- en slaapklachten kunnen opleveren, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft dit op zichzelf niet weersproken. Het verweer van [eiser] slaagt. Vordering 2 is daarom niet toewijsbaar.

Het namens [eiser] gelegde conservatoir beslag wordt opgeheven (vordering 5 en 6)

5.35.

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan een conservatoir beslag worden opgeheven onder meer indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. De vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen. Daaruit volgt dat de vordering ter verzekering van de voldoening waarvan [eiser] ten laste van [gedaagde] beslag heeft laten leggen ondeugdelijk is. Het beslag moet daarom worden opgeheven. De rechtbank zal vordering 6 dus toewijzen.

5.36.

[gedaagde] heeft dan geen belang meer bij de onder 5 gevorderde verklaring voor recht dat het beslag is komen te vervallen voor zover het is gelegd voor een hoger bedrag dan het bedrag van de vordering in de hoofdzaak. De rechtbank wijst vordering 5 daarom af.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen (vordering 3)

5.37.

[gedaagde] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.

5.38.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het uitsluitend doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [gedaagde] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

5.39.

[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De rechtbank begroot de proceskosten van [eiser] op:

- salaris advocaat

1.290,00

(2 punten × factor 0,5 × € 1.290,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.479,00


 

5.40.De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Rechtbank Gelderland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6370