Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 030226 Grote hond bijt kleine hond; regels voor zaakschade; dure behandeling hoeft niet te worden vergoed; tevens afwijzing smartengeld eigenaar

GHDHA 030226 Grote hond bijt kleine hond; regels voor zaakschade; dure behandeling hoeft niet te worden vergoed; tevens afwijzing smartengeld eigenaar
 


in vervolg op:  ECLI:NL:RBROT:2023:12147,

3Feitelijke achtergrond

3.1

Op zaterdag 19 februari 2023 bezocht [geïntimeerde] met haar echtgenoot en haar dochter Designer Outlet Roosendaal (een winkelcentrum). Zij hadden de 7-jarige dwergpoedel bij zich met de naam [naam hond] (hierna: de dwergpoedel). Op dezelfde dag bezocht ook [appellant] dit winkelcentrum, samen met zijn vriendin en zijn grote hond (hierna ook: de hond van [appellant]).

3.2

In de namiddag liep [geïntimeerde] met haar gezin door het winkelcentrum. De dochter had op dat moment de dwergpoedel aan de lijn. Er heeft zich vervolgens een incident voorgedaan, waarbij de hond van [appellant] de dwergpoedel zag en met hoge snelheid naar de dwergpoedel toe rende. De hond van [appellant] sleurde [appellant] mee, die daardoor ten val kwam en een stukje over de grond werd getrokken. Het incident is opgenomen door een in het winkelcentrum opgehangen bewakingscamera. De beelden van het incident zijn door het winkelcentrum ter beschikking gesteld aan [geïntimeerde].

3.3

[geïntimeerde] is na het incident met de dwergpoedel naar de dienstdoende dierenarts gegaan. In het door de dierenarts opgemaakte verslag staat het volgende:

“ao: net gebeten door andere hond, slvl rose, crt<2s, is erg s(t)illetjes en gaat niet graag staan, ausc gb, soepele buikpalpatie, maar duidelijk ongemak en veel te rustig. T36,9, achterhand kan gebruikt worden, pijngevoel beide achterpoten aanwezig, wel erg pijnlijk bij druk op de rug, tactiele plaatsing intact
rx thorax en abdomen geen bijz”

3.4

De volgende dag is [geïntimeerde] met de dwergpoedel naar haar eigen dierenarts bij dierenkliniek [dierenkliniek] gegaan. Deze heeft [geïntimeerde] met de dwergpoedel doorverwezen naar de dierenkliniek behorende bij de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Gent. De dierenarts schreef in een verwijsbrief:

“(…)
Deze hond is gisteren gebeteren door een hond:

Vandaag op controle bij ons:
KOZ: Sloom, roze slijmvliezen, cvt < 1 sec, versnelde ademhaling, hart is duidelijk te horen, longen ventilatie is beiderzijds ok alleen thv de rechter caudale borstwand hoor ik bobo’s, buikpalpatie is niet te doen wegens pijn, verdikking thv de overgang thorax abdomen aan de rechter kant zonder knisperen,

Bevindingen Rontgenfoto’s: dorsale opname hartschaduw is te zien, thv het caudale deel van de rechter longveld is er een onregelmatige structuur, ook deze structuur gaat door naar s.c. weefsel, lucht subcutaan thorax en abdomen, gebroken rib.

(…)

Verdacht van een gesloten pneumothorax met mogelijk diafragma scheur en buikhernia.”

3.5

De dwergpoedel is vervolgens opgenomen in de dierenkliniek van de Faculteit Diergeneeskunde te Gent. Daar is de dwergpoedel verder achteruit gegaan. De hond is geopereerd, waarbij werd geconstateerd dat sprake was van inwendig trauma. Het herstel kwam na de operatie niet goed op gang. Op 24 februari 2023 is de dwergpoedel overleden. In het uitgebreide verslag van de dierenkliniek is als conclusie opgenomen:

“De klinische toestand van [naam hond] bleef de afgelopen dagen kritiek en in de ochtend van 24 februari kreeg [naam hond] plots een hartstilstand. Er werd direct een reanimatie gestart, maar na telefonisch overleg met de eigenaar werd besloten de behandeling te stoppen. [naam hond] is overleden aan de gevolgen van het initiële bijttrauma met een systemische ontstekingsreactie tot gevolg.”

4Procedure bij de rechtbank

4.1

[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd, samengevat, dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [appellant] schadeplichtig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde], en [appellant] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding van € 10.102,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2023 en de kosten van de procedure.

4.2

[geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de hond van [appellant] de dwergpoedel heeft verwond en dat [appellant] als eigenaar dan wel bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier veroorzaakte schade. [appellant] is op de rolzitting in persoon verschenen en heeft toen kort mondeling verweer gevoerd. Op de vervolgens gehouden mondelinge behandeling bij de kantonrechter is [appellant] niet verschenen.

4.3

De kantonrechter heeft de vorderingen daarop grotendeels toegewezen, met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht, en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5Beoordeling in hoger beroep

5.1

[appellant] is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter en heeft de zaak voorgelegd aan het hof. Hij heeft een aantal grieven (bezwaren) tegen het oordeel. [appellant] richt geen grieven tegen het – in het vonnis van de kantonrechter besloten liggende – oordeel, dat hij als bezitter van de hond aansprakelijk is voor door de hond toegebrachte schade.

Het bijtincident

5.2

In de eerste plaats betwist [appellant] dat zijn hond de dwergpoedel heeft gebeten. Volgens [appellant] is zijn hond speels op de dwergpoedel afgerend, waarna [geïntimeerde] haar hond onmiddellijk heeft opgetild. [appellant] verwijst naar een verklaring van zijn vriendin, [naam vriendin], die er die dag bij was, en waarin staat:

“Hierbij verklaar ik dat de hond van meneer [appellant] de ander hond niet gebeten heeft. De dag van de gebeurtenis was ik samen met meneer [appellant]. De ander hond had geblaft richting ons, en de hond van meneer [appellant] rende richting die hond om waarschijnlijk te spelen. Toen heeft een dame die ander hond opgetild op haar schoot en de hond van meneer [appellant] dacht dat het een spelletje was. De hond van meneer [appellant] heeft absoluut niet gebeten en ik heb zelf daarna de hond van meneer [appellant] vastgehouden er was geen sprake van agressie.”

5.3

Dat de dwergpoedel niet gebeten kan zijn leidt [appellant] verder af uit het feit dat er geen bijtwonden zijn geconstateerd, terwijl zijn hond zeer groot en krachtig is. Volgens [appellant] is op de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte camerabeelden niet te zien dat zijn hond de dwergpoedel bijt. [appellant] biedt aan zichzelf en zijn partner als getuigen te horen over het voorval.

5.4

De stelplicht en, voor zover van toepassing, de bewijslast dat de dwergpoedel is gebeten of verwond door de hond van [appellant] rusten op [geïntimeerde].

5.5

Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zijn hond de dwergpoedel heeft gebeten of verwond.

5.6

[appellant] betwist niet dat hij die dag in het winkelcentrum was met zijn hond en dat hij op de overgelegde camerabeelden is te zien met de hond. Het hof heeft de camerabeelden nauwlettend bestudeerd en komt tot het oordeel dat daarop wel degelijk zichtbaar is dat de hond van [appellant] de dwergpoedel aanvalt. De overgelegde camerabeelden duren, in de langste versie, 4 minuten en 45 seconden. Op minuut 1:37 is te zien dat [appellant] komt aanwandelen met aan de lijn zijn hond . Snel krijgt de hond van [appellant] de dwergpoedel in het vizier en op minuut 1:49 schiet de hond van [appellant] met grote snelheid naar de overkant van de winkelallee naar de dwergpoedel. Op de beelden is te zien dat de dwergpoedel op dat moment op de grond staat en dat de hond van [appellant] zich op de dwergpoedel stort. De dwergpoedel is op dat moment zichtbaar en wordt niet opgepakt. Door het snelle wegrennen van zijn hond richting de dwergpoedel komt [appellant] zelf ten val en wordt door zijn hond over de grond meegesleurd richting de dwergpoedel. Zowel de dwergpoedel als de hond van [appellant] zijn vervolgens afgedekt door een kluwen van personen, die bezig zijn met datgene wat zich op de grond afspeelt. Zichtbaar is vervolgens dat een vrouw (naar het hof aanneemt de vriendin van [appellant]) de hond van [appellant] aan zijn halsband uit de kluwen mensen sleurt. Op de filmopname is zichtbaar dat dit haar moeite kost. De hond van [appellant] wordt vervolgens door deze vrouw en [appellant], die inmiddels weer is opgestaan, in bedwang gehouden. Zichtbaar is dat de hond van [appellant] nog probeert terug te komen naar de dwergpoedel. Na het wegsleuren van de hond van [appellant] blijven de personen rondom de plek van het voorval bezig met dat wat zich nog steeds op de grond afspeelt. Op de videobeelden is zichtbaar dat zich een oploop vormt van het winkelend publiek. Op minuut 3:02 lopen [appellant], zijn vriendin en zijn hond weg.

5.7

Naar het oordeel van het hof sluit dat wat door [appellant] is opgenomen in de gedingstukken en de verklaring van de vriendin van [appellant] zozeer niet aan op de overgelegde filmbeelden, dat deze stellingen en verklaringen een onvoldoende betwisting vormen van de door [geïntimeerde] gestelde toedracht. Ten eerste is wel degelijk zichtbaar dat de hond van [appellant] zich op de dwergpoedel stort. Verder is zichtbaar dat de toegeschoten personen vervolgens nog enige tijd bezig zijn met dat wat zich op de grond afspeelt. Dat de dwergpoedel meteen door [geïntimeerde] zou zijn opgetild past daar niet bij. Door [appellant] wordt voor deze discrepantie van zijn stellingen met de beelden geen enkele verklaring gegeven.

5.8

Bij het voorgaande komt dat de echtgenoot van [geïntimeerde] meteen na het voorval met de dwergpoedel een dienstdoende dierenarts heeft bezocht. Daarbij heeft hij bijtincident vermeld, zo volgt uit het verslag van de dierenarts. Daaruit volgt ook dat de dwergpoedel ernstige pijn had en niet in orde was. Er is door [appellant] geen enkel reëel scenario aangedragen dat dit verklaart, uitgaande van zijn stelling dat de dwergpoedel tijdens het incident in het geheel niet verwond zou zijn. Het enkele feit dat er geen uitwendige bijtwonden zijn gezien door de dierenartsen is niet doorslaggevend. Kennelijk heeft de hond van [appellant] niet “doorgebeten”, maar is door het incident wel aanzienlijk inwendig letsel ontstaan, waaronder een gebroken rib en een klaplong. Gezien het verschil in grootte van beide honden is dat zeer wel verklaarbaar. Bovendien heeft geen van de drie verschillende dierenartsen, die de dwergpoedel kort na het voorval hebben gezien, opgemerkt dat het letsel naar zijn aard niet door een bijtincident kan zijn ontstaan. Integendeel: de dierenarts bij de Faculteit Diergeneeskunde te Gent, die ter zake zeer deskundig mag worden geacht, komt in zijn verslag tot de conclusie dat “[naam hond] is overleden aan de gevolgen van het initiële bijttrauma met een systemische ontstekingsreactie tot gevolg”.

De omvang van de schade

5.9

[appellant] heeft verder bezwaren naar voren gebracht tegen de omvang van de schade.

5.10

Het hof zal deze per schadepost bespreken.

5.11

[geïntimeerde] heeft de schade als volgt gespecificeerd:

  1. Dierenartsbezoek te Visbeek, direct na het voorval € 266,15

  2. Dierenartsbezoek eigen dierenarts te Elsloo € 140,81

  3. Voorschotfactuur dierenkliniek Gent € 800,-

  4. Kosten opname dierenkliniek Gent excl. voorschot € 3.653,94

  5. Kosten onderzoek Medvet i.o.v. dierenkliniek Gent € 27,38

  6. Kosten crematie € 344,50

  7. Kosten urn € 189,-

  8. Kosten nieuwe dwergpoedel € 2.000,-

  9. Reiskosten € 499,-

  10. Gemiste inkomsten [geïntimeerde] € 63,14

  11. Gemiste inkomsten echtgenoot [geïntimeerde] € 579,-

  12. Kosten behandeling bijtwond dochter [geïntimeerde] € 30,67

  13. Verlies armband dochter [geïntimeerde] € 509,-

  14. Immateriële schade € 1.000,-

5.12

Ten aanzien van de schadeposten k, l en m heeft [appellant] aangevoerd dat dit geen schadeposten van [geïntimeerde] zelf zijn, zodat [geïntimeerde] deze niet kan vorderen. [geïntimeerde] heeft echter bij memorie van antwoord een tweetal aktes van cessie overgelegd waarmee haar echtgenoot respectievelijk haar dochter deze vorderingen aan [geïntimeerde] gecedeerd hebben. [appellant] heeft daarover bij antwoordakte nog naar voren gebracht dat deze cessies niet tijdig zijn gedaan, maar het hof verwerpt die stelling. Ook lopende een procedure kunnen vorderingen gecedeerd worden. Het overleggen van de aktes geldt voor zover nodig als mededeling aan [appellant].

5.13

Het hof acht invoelbaar dat [geïntimeerde] er alles aan heeft gedaan om haar dwergpoedel beter te laten worden, dus ook dat zij – tegen hoge kosten – de dwergpoedel heeft laten opnemen bij de dierenkliniek in Gent. [geïntimeerde] kan in rechte alleen de kosten die redelijkerwijs in verhouding staan tot de waarde van de dwergpoedel vorderen van [appellant]. Een dier is geen zaak, maar de regels die betrekking hebben op zaken zijn wel op overeenkomstige toepassing van dieren (artikel 3:2a BW). Dit uitgangspunt brengt mee dat het hof de regels voor zaakschade zal toepassen.

5.14

Het hof zal de kosten van dierenartsbezoeken in Visbeek en Elsloo geheel toewijzen (€ 266,15 en € 140,81). Hetzelfde geldt voor de reiskosten naar de dierenarts te Visbeek en Elsloo en de reiskosten naar de politie om aangifte te doen (in totaal € 19,21).

5.15

De substantiële kosten van de opname in de dierenkliniek (inclusief de kosten van Medved) zal het hof afwijzen. Het is als gezegd invoelbaar dat [geïntimeerde] als hondeneigenaar voor deze behandeling heeft gekozen, maar zij had daarin de vrije keuze en telkens ook de ruimte om de beslissing te nemen om de behandeling – met de aanmerkelijk oplopende kosten – gelet op de snel verslechterende gezondheidssituatie van de hond te staken en daarmee de schade te beperken. De (voorzienbaar) hoge kosten van opname in een academische dierenkliniek staan niet in redelijke verhouding tot de waarde van de poedel (te weten meer dan anderhalf keer de waarde van een nieuwe poedel). Met dergelijke hoge kosten hoefde [appellant] ook redelijkerwijs geen rekening te houden. Gelet hierop zal het hof ook de reiskosten van en naar Gent afwijzen.

5.16

De kosten voor de crematie zal het hof ex aequo et bono toewijzen tot een bedrag van € 100,-. De kosten van de urn zal het hof afwijzen omdat het maken van deze kosten redelijkerwijs niet noodzakelijk is. De reiskosten van en naar het crematorium zal het hof toewijzen, in totaal € 14,52.

5.17

De gederfde inkomsten van [geïntimeerde] en haar echtgenoot, die naar het oordeel van het hof in een te ver verwijderd verband tot de schade staan, zal het hof afwijzen.

5.18

De kosten van de nieuwe dwergpoedel zal het hof, gezien de leeftijd van de overleden dwergpoedel, toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-.

5.19

De schade door het verlies of beschadiging van de armband van de dochter van [geïntimeerde] zal het hof afwijzen, omdat naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet is toegelicht dat deze schade het directe gevolg is van de aanval door de hond van [appellant]. De reiskosten naar de huisarts om naar de hand van de dochter te laten kijken zal het hof als onbetwist toewijzen en datzelfde geldt ook voor de behandeling van de bijtwond van de dochter (€ 13,86 en € 30,67).

5.20

De immateriële schade zal het hof afwijzen. Hoewel het hof begrijpt dat het incident indruk heeft gemaakt op [geïntimeerde], brengt de aard en de ernst van de normschending niet mee dat de gestelde nadelige gevolgen daarvan voor [geïntimeerde] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [geïntimeerde] moet dus met concrete gegevens onderbouwen dat zij in haar persoon is aangetast. Weliswaar blijkt uit de brief van een psycholoog dat [geïntimeerde] een psychologisch behandeltraject volgt, maar uit die brief blijkt niet dat die behandeling verband houdt met het incident. De psycholoog verwijst immers in algemene termen naar “een gebeurtenis in februari 2023”, wat niet noodzakelijkerwijs het incident met de dwergpoedel hoeft te zijn. Daarnaast stelt [geïntimeerde] zelf dat zij “onder andere vanwege de aanval en de daaropvolgende dood van [naam hond] onder behandeling” staat. De woorden ‘onder andere’ wijzen op meerdere oorzaken. Nu [geïntimeerde] in de andere oorzaken geen inzicht heeft gegeven, kan het hof niet vaststellen in hoeverre de behandeling verband houdt met het incident met de dwergpoedel.

5.21

In totaal komt de toewijsbare schade daarmee op een bedrag van € 1.585,22.

5.22

Het voorgaande brengt mee dat de grieven van [appellant] gedeeltelijk slagen. Het hof zal voor de duidelijkheid het vonnis van de kantonrechter voor wat betreft de toegewezen hoofdsom vernietigen en het hierboven genoemde bedrag toewijzen. Tegen de toegewezen wettelijke rente zijn geen grieven gericht, zodat het hof de rente over dit bedrag zal toewijzen vanaf 27 juni 2023. Omdat [geïntimeerde] en [appellant] aldus in hoger beroep beiden gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten van het hoger beroep compenseren. De door de kantonrechter uitgesproken kostenveroordeling in eerste aanleg zal het hof bekrachtigen. Aan [geïntimeerde] wordt immers een bedrag toegewezen. Gerechtshof Den Haag 3 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:83