RBAMS 100726 hondenbeet bij 11-jarige; geen ES; smartengeld € 3.000 cf. R.damse Schaal; littekens onderbeen
- Meer over dit onderwerp:
RBAMS 100726 hondenbeet bij 11-jarige; geen ES; smartengeld € 3.000 cf. R.damse Schaal; littekens onderbeen
2Het geschil en de beoordeling daarvan
Wat is er gebeurd?
2.1.
Op 28 oktober 2022 fietste [naam dochter] (destijds 11 jaar oud) door een steeg naast het huis van [gedaagde] . Zij bleef vervolgens even stilstaan ter hoogte van de deur naar zijn achtertuin. [gedaagde] opende op dat moment die deur en zijn hond kwam naar buiten.
2.2.
De hond gaf [naam dochter] vervolgens direct een knauw/beet in haar linkeronderbeen. Partijen verschillen van mening over de precieze bewoording daarvan, maar zijn het erover eens dat de hond, een teefje, met haar bek het been van [naam dochter] heeft gepakt en dat de tanden van de hond de huid van [naam dochter] been hebben doorboord. Hierna zal worden gesproken over ‘de beet’.
2.3.
Door de beet liep [naam dochter] drie bijtwonden op aan haar linkeronderbeen. Zij is daarvoor medisch behandeld. De wonden zijn genezen, maar [naam dochter] heeft blijvende littekens, waarvan eentje kuilvormig is.
2.4.
[gedaagde] heeft [naam dochter] na de beet naar huis begeleid en een aantal kosten vergoed. [gedaagde] heeft geen wettelijke aansprakelijkheidsverzekering.
Wat willen [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ?
2.5.
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] vragen de kantonrechter om vast te stellen (voor recht te verklaren) dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [naam dochter] als gevolg van de beet. Ook vragen zij als voorschot een vergoeding van € 5.000 voor immateriële schade (smartengeld), vermeerderd met de wettelijke rente. Tenslotte vragen zij vergoeding van de buitengerechtelijke en de proceskosten.
2.6.
[gedaagde] is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij de schade al heeft vergoed door onder meer de materiële kosten te betalen van (ongeveer) € 60,00. Bovendien vertrouwde hij erop dat de kwestie al was afgehandeld, zeker omdat hij al lange tijd niets meer had gehoord. Verder wijst [gedaagde] erop dat het een schrikreactie van zijn hond was en dat [naam dochter] eigen schuld heeft aan het incident, waardoor hij sowieso niets meer hoeft te betalen.
Wat staat er in de wet?
2.7.
Volgens de wet is de bezitter (de eigenaar) van een dier in principe aansprakelijk voor de schade die het dier veroorzaakt. Dat volgt uit artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek en is een risicoaansprakelijkheid. Dat betekent dat de eigenaar van het dier de schade moet vergoeden, ook als hemzelf geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De wet legt daarmee het risico van het gedrag van een dier bij de eigenaar.
2.8.
Als het slachtoffer zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade (eigen schuld), kan de schadevergoeding worden verminderd. Dat volgt uit artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.
Is [gedaagde] aansprakelijk?
2.9.
Vaststaat dat [naam dochter] is gebeten door de hond van [gedaagde] . Daardoor heeft zij een wond opgelopen en is schade ontstaan. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de hond uit schrik reageerde. Dat maakt voor de aansprakelijkheid niets uit. Het gaat erom of de hond schade heeft veroorzaakt.
2.10.
Omdat [gedaagde] de bezitter van de hond is, is hij (risico)aansprakelijk voor de schade die door de beet is ontstaan.
2.11.
Het argument van [gedaagde] dat hij erop mocht vertrouwen dat de zaak was afgerond, omdat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de vergoeding van de materiële kosten hebben geaccepteerd en hij daarna lange tijd niets meer van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] heeft gehoord, slaagt niet. De vordering is niet verjaard. Ook zijn er geen omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde] erop mocht vertrouwen dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] geen schadevergoeding meer zouden vragen. Ze hebben dat nooit gezegd, en door de vergoeding van de materiële kosten te accepteren hebben ze ook niet de indruk gewekt dat ze het erbij zouden laten zitten. In tegendeel: hun toenmalige gemachtigde heeft in december 2022 schriftelijk bij [gedaagde] erop aangedrongen de kwestie bij zijn verzekeraar te melden in verband met de schadeafwikkeling en in februari 2024 heeft de gemachtigde een concept vaststellingsovereenkomst aan [gedaagde] gestuurd, met als uitgangspunt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade. [gedaagde] heeft hierop niet gereageerd, maar hij wist dus wel dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de schade van hun dochter op hem wilden verhalen. Daarna heeft de gemachtigde van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] nog twee aangetekende brieven (in juni 2024 en januari 2025) verstuurd, die [gedaagde] niet heeft opgehaald, waarna [gedaagde] is gedagvaard. Ook uit de gang van zaken na de verstuurde concept vaststellingsovereenkomst in februari 2024 mocht [gedaagde] niet erop rekenen dat de zaak was afgerond. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben op geen enkele manier die indruk gewekt.
Is er sprake van eigen schuld van [naam dochter] ?
2.12.
[gedaagde] vindt dat [naam dochter] eigen schuld heeft aan het ontstaan van het incident, omdat zij niet in de steeg mocht fietsen. De kantonrechter volgt hem daarin niet. [naam dochter] stond stil op haar fiets in de steeg op het moment dat [gedaagde] de deur opende. Dat zegt [naam dochter] en heeft [gedaagde] zelf ook op 13 december 2022 gemaild aan de gemachtigde van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] . En ook als zij niet stilstond maar daar zou hebben gefietst terwijl dat daar niet mocht, betekent dat nog niet dat zij zich op zo’n manier heeft gedragen dat de schade (deels) voor haar eigen rekening moet blijven. Zij heeft de hond bijvoorbeeld niet opgehitst. Van eigen schuld is daarom geen sprake.
Wat is de schade van [naam dochter] ?
2.13.
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] vragen een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [naam dochter] als gevolg van de beet. Daarmee willen zij duidelijkheid krijgen dat [gedaagde] ook aansprakelijk is voor eventuele schade die pas later ontstaat, bijvoorbeeld als [naam dochter] in de toekomst (nadat zij uitgegroeid is) een littekenbehandeling nodig heeft. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter die verklaring voor recht toewijzen.
2.14.
Daarnaast vragen [eisende partij 1] en [eisende partij 2] € 5.000 aan smartengeld. Smartengeld is een vergoeding voor immateriële schade die dus niet uit geldelijk verlies bestaat, zoals pijn, angst en blijvende littekens. Smartengeld staat los van vergoedingen voor materiële kosten zoals inkomensverlies of rekeningen van de psycholoog of dokter.
2.15.
De kantonrechter oordeelt dat [naam dochter] recht heeft op een vergoeding voor haar immateriële schade. [naam dochter] heeft verteld dat de psychische gevolgen voor haar gelukkig niet groot zijn geweest. Zij heeft door de beet maar één nacht slecht geslapen en is ook niet bang geworden voor honden in het algemeen. Wel heeft ze het steegje een tijd vermeden, maar dat is niet zo erg. De littekens zijn wel jammer, zo heeft ze verteld, want die zie je als ze een korte broek of rok aanheeft.
2.16.
Het gaat bij de vaststelling van het smartengeld dus met name om de littekens. Om de hoogte van het smartengeld vast te stellen, wordt de Rotterdamse Schaal gebruikt. Dit is een overzicht met richtbedragen voor letselschade. In het geval van het letsel van [naam dochter] stelt de kantonrechter vast dat hoofdstuk 10, categorie c, van toepassing is. Dat gaat over minder ernstige littekenvorming, bijvoorbeeld één duidelijk zichtbaar litteken of meerdere oppervlakkige littekens met geringe cosmetische gevolgen. Het smartengeld voor letsel in deze categorie ligt tussen de € 1.500 en € 5.500.
2.17.
Vaststaat dat [naam dochter] drie blijvende littekens aan haar linkeronderbeen heeft overgehouden. Eén daarvan is dieper en heeft de vorm van een kuiltje. De kantonrechter weegt daarbij mee dat [naam dochter] op jonge leeftijd is gebeten, medisch is behandeld en de littekens duidelijk zichtbaar zijn als zij een korte broek of rok aanheeft. Tegelijkertijd blijkt uit haar eigen verklaring en de medische informatie dat zij lichamelijk niet wordt beperkt door de littekens en dat zij weinig tot geen psychische klachten aan het voorval heeft overgehouden. Alles afwegend vindt de kantonrechter een smartengeldvergoeding van € 3.000 daarom passend.
De buitengerechtelijke kosten
2.18.
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] vragen ook vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 625,00. Buitengerechtelijke kosten zijn de redelijke kosten die zijn gemaakt om betaling buiten de procedure te krijgen.
2.19.
Uit de overlegde stukken blijkt dat de (voormalige) gemachtigde van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vóór deze procedure meerdere brieven aan [gedaagde] heeft gestuurd en geprobeerd heeft de zaak op te lossen zonder tussenkomst van de rechter. Deze werkzaamheden waren anders dan alleen het voorbereiden van deze procedure. De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van buitengerechtelijke werkzaamheden waarvoor een vergoeding kan worden toegekend.
2.20.
De kantonrechter vindt het redelijk dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hiervoor kosten hebben gemaakt. Die kosten worden naar beneden bijgesteld omdat ook maar een deel van de vordering wordt toegewezen. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten matigen tot € 425,00. Dit bedrag zal worden toegewezen. Rechtbank Amsterdam 10 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7029