Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Den Haag 200115 geen letsel; gemeente niet aansprakelijk voor schade aan auto's door omgewaaide boom

Hof Den Haag 200115 geen letsel; gemeente niet aansprakelijk voor schade aan auto's door omgewaaide boom

2.1
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat weergegeven, veroordeling van de gemeente tot betaling van een bedrag van € 5.165,53 ter zake van de schade aan de twee auto’s en daarmee samenhangende taxatiekosten, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. [appellant] heeft aan zijn vordering kort gezegd ten grondslag gelegd dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de boom onvoldoende te inspecteren. Had de gemeente dat wel gedaan, dan had zij geconcludeerd dat de boom een dusdanig risico vormde dat deze direct moest worden gekapt, aldus [appellant]. De op dezelfde gronden gebaseerde schadevordering van de toenmalige partner van [appellant] op de gemeente is aan [appellant] gecedeerd.

2.2
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Daartegen richten zich de grieven, die kort gezegd op het volgende neerkomen.
Grieven 1 en 2 richten zich tegen de aanname van de kantonrechter dat de boom daadwerkelijk door de gemeente is gecontroleerd. [appellant] voert aan dat uit het rapport van de standvastigheidscontrole volgt dat 102 bomen de A-status hebben, maar niet welke bomen dit zijn. Evenmin blijkt dat het onderzoek is uitgevoerd door ter zake kundige personen. Als er al is gecontroleerd, dan is dat onvoldoende frequent geweest, omdat ten tijde van het ongeval tenminste anderhalf jaar geen controle had plaatsgevonden. Uit informatie van de gemeente volgt dat de iepen binnen de gemeente drie keer per jaar op de iepziekte moeten worden gecontroleerd en voorts moeten worden geïnjecteerd. Door deze controles zouden ook andere gebreken aan het licht kunnen komen. Bovendien had nader onderzoek moeten plaatsvinden omdat controleurs van mening verschilden of de boom de iepziekte had.
Grief 3 klaagt erover dat de kantonrechter geen waarde heeft gehecht aan de door [appellant] overgelegde verklaringen van buurtbewoners. Uit deze verklaringen blijkt volgens [appellant] dat de boom scheef stond en aan de wortels was beschadigd. Voorts blijkt uit het politieonderzoek dat de boom van binnen verrot was.
Grief 4 richt zich tegen de (impliciete) bewijslastverdeling van de kantonrechter. Volgens [appellant] moet in dit geval de omkeringsregel worden toegepast omdat de controles ertoe strekken te voorkomen dat de boom schade bij een ander kan veroorzaken. Het is daarom aan de gemeente om te bewijzen dat de boom ook was omgevallen indien deze tijdig en op juiste wijze was gecontroleerd.

3.1
Het hof heeft bij de feitenvaststelling in r.o. 1.2 tot en met 1.6 ten dele rekening gehouden met grief 1 van [appellant] door, anders dan de kantonrechter, niet als feit vast te stellen dat de boom daadwerkelijk door de gemeente is gecontroleerd.

3.2
De grieven zien in de kern op de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de schade die [appellant] door het omwaaien van de boom heeft geleden. Partijen gaan er terecht van uit dat die vraag moet worden beantwoord aan de hand van artikel 6:162 BW, nu de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW geen betrekking heeft op bomen.

3.3
Vooropgesteld moet worden dat niet geheel kan worden uitgesloten dat bomen omwaaien. Op de gemeente rust als eigenaar van bomen een zorgplicht om het risico van omwaaien te beperken, en zij dient daartoe maatregelen te treffen die van haar als zorgvuldig handelend eigenaar redelijkerwijs mogen worden verlangd. Of de gemeente voldoende maatregelen heeft getroffen, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, en meer in het bijzonder van: de mate van waarschijnlijkheid dat een boom zal omwaaien en de kans dat daardoor ongevallen ontstaan, de aard en de ernst van de eventuele schade en de mate van bezwaarlijkheid en de gebruikelijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

3.4
Het hof stelt allereerst vast dat de boom (bij harde wind) is omgewaaid ten gevolge van zogenoemde onverenigbaarheid onder de grond - dat wil zeggen dat onder de grond vergroeiing van de onderstam met de daarop geënte plant heeft plaatsgevonden. Niet alleen de gemeente maar ook [appellant] gaat daar immers van uit (zie memorie van grieven onder 38).
Voor zover [appellant] mede uitgaat van een andere oorzaak (hij sluit niet uit dat de boom ook leed aan de iepziekte en wijst op verklaringen waaruit zou blijken van scheefstand van de boom/verrotting van de wortels), heeft hij zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. De gemeente heeft dat immers gemotiveerd betwist. Zij heeft er op gewezen dat de boom geen kenmerken van de iepziekte had en ook overigens geen uiterlijk waarneembare gebreken vertoonde. Bij gelegenheid van pleidooi zijn aan de zijde van [appellant] desgevraagd kleurenfoto’s getoond van de stam, de kruin en de wortels van de boom (de foto’s zoals overgelegd als productie 2 bij inleidende dagvaarding in zwartwit) en daarbij konden geen zichtbare afwijkingen aan de boom worden aangewezen, noch aan het gedeelte van de stam boven de grond, noch aan de kruin. Evenmin was verrotting of verkleuring van de wortels te zien. Overigens is onbestreden dat de iepziekte en (normale) scheefstand op zichzelf niet leiden tot een groter gevaar voor schade.
Grief 3 faalt gelet op het voorgaande.

3.5
[appellant] heeft niet gemotiveerd weersproken dat onverenigbaarheid onder de grond van buitenaf niet zichtbaar is en daarom niet wordt opgemerkt bij uitwendige controles zoals de standvastigheidscontrole en de reguliere inspecties als bedoeld onder 1.6. Het antwoord op de vraag of de gemeente deze controles tijdig en juist heeft uitgevoerd ten aanzien van de omgevallen boom, kan in het midden blijven; de onverenigbaarheid onder de grond zou daarbij niet aan het licht zijn gekomen. De grieven 1, 2 en 4 falen daarom eveneens.

3.6
Partijen zijn het erover eens dat de zorgplicht van de gemeente niet zover strekt dat de bomen binnen de gemeente ook aan een reguliere inwendige controle zouden moeten worden onderworpen (vgl. inleidende dagvaarding onder 12). In dit verband is voorts van belang dat, zoals de gemeente ter zitting heeft toegelicht, ongeveer een derde deel van de in totaal circa 116.000 bomen binnen de gemeente is geënt, en dat onverenigbaarheid onder de grond binnen de gemeente slechts sporadisch voorkomt.

3.7
Gelet op het voorgaande moet de conclusie zijn dat de gemeente niet in haar zorgplicht is tekortgeschoten, althans dat het vereiste causaal verband tussen het beweerdelijk gebrekkig controleren en de gestelde schade ontbreekt. De slotsom is dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de gemeente niet aansprakelijk is voor de schade die [appellant] ten gevolge van het ongeval heeft geleden.ECLI:NL:GHDHA:2015:44

Deze website maakt gebruik van cookies