Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 270126 wn-er stelt arbeidsongeval bij takelwerkzaamheden; hof gaat niet mee in betwisting door wg-er; wg-er aansprakelijk

GHDHA 270126 wn-er stelt arbeidsongeval bij takelwerkzaamheden; hof gaat niet mee in betwisting door wg-er; wg-er aansprakelijk

in vervolg op:
RBROT 110822 Eiser slaagt niet in bewijs ongeval; wel bewezen dat hij door takel is geraakt, maar niet de val daarna en het letsel
- in relatie tussen partijen (ex-werknemer en ex-werkgever) ziet kantonrechter redenen om de proceskosten te compenseren

3Feitelijke achtergrond

3.1

[appellant] is op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar op 22 januari 2018 in dienst getreden bij Ship Motion in de functie van service engineer.

3.2

[zzp'er] (hierna: [zzp'er] ) was bij Ship Motion werkzaam als zpp’er.

3.3

[appellant] werkte de eerste weken dat hij bij Ship Motion in dienst was samen met [zzp'er] aan een jacht (de MY Nassima , hierna: het jacht) op scheepswerf Acico in Enkhuizen .

3.4

Op 8 februari 2018 is in de machinekamer van het schip een kettingtakel van de rail geschoten, nadat er een lijmklem als eindstop was geplaatst in plaats van een moer en bout.

3.5

In maart 2018 heeft Ship Motion de arbeidsovereenkomst met [appellant] willen beëindigen en heeft zij aan [appellant] een vaststellingsovereenkomst aangeboden. [appellant] is hiermee niet akkoord gegaan. Vanaf 3 mei 2018 is [appellant] kantoorwerkzaamheden voor Ship Motion gaan verrichten.

3.6

Op 18 september 2018 heeft [appellant] zich ziekgemeld. Hij is ziek gebleven tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 22 januari 2019.

3.7

Bij brieven van 2 november 2018 (verzonden naar een foutief adres), 7 december 2018 en 27 december 2018 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] Ship Motion aansprakelijk gesteld voor een arbeidsongeval dat [appellant] op 8 februari 2018 zou zijn overkomen. Ship Motion heeft de aansprakelijkheid betwist.

4Procedure bij de rechtbank

4.1

[appellant] heeft Ship Motion gedagvaard en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat Ship Motion jegens [appellant] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval van 8 februari 2018;

  2. Ship Motion te veroordelen om aan [appellant] te vergoeden alle door hem geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, met wettelijke rente;

  3. Ship Motion te veroordelen tot het betalen van de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten.

4.2

[appellant] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Ship Motion op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor het ongeval dat hem tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Ship Motion op 8 februari 2018 is overkomen.

4.3

Ship Motion heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

4.4

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

5Vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellant] vordert hetzelfde als bij de rechtbank, alsmede vernietiging van het vonnis en veroordeling van Ship Motion in de kosten van de procedure in beide instanties, met wettelijke rente.

5.2

Ship Motion heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en tot veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties.

6Beoordeling in hoger beroep

6.1

[appellant] heeft in principaal hoger beroep vijf grieven tegen het vonnis geformuleerd. n Met grief 1 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte [directeur] , directeur van Ship Motion , niet als partijgetuige heeft aangemerkt, en geoordeeld heeft dat de medische informatie van de huisarts, fysiotherapeut en het ziekenhuis niet als bewijs kan dienen voor het letsel dat [appellant] is overkomen (grief 2). Ten onrechte heeft de rechtbank verder overwogen dat [appellant] Ship Motion niet kort na het ongeval daarvan op de hoogte heeft gebracht (grief 3) en dat [appellant] moet bewijzen dat hij door de klap van de takel is gevallen en hoe hij dan is gevallen (grief 4). Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet heeft bewezen dat hij letsel heeft opgelopen (grief 5).

6.2

Ship Motion heeft in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep twee grieven geformuleerd. Grief 1 (uitsluitend voor het geval een van de grieven van [appellant] slaagt) richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat alsdan vaststaat dat [appellant] door de vallende takel is geraakt. Dit is echter een omstandigheid die [appellant] dan (alsnog) moet bewijzen, aldus Ship Motion . Grief 2 richt zich tegen de in het vonnis uitgesproken compensatie van de proceskosten.

Aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW

6.3

Het hof zal de grieven hierna behandelen. Daarbij stelt het hof het volgende voorop. Op grond van art. 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

6.4

Ship Motion - bij wie [appellant] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden verrichtte - is aansprakelijk voor de schade die [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt (ingevolge art. 7:658 lid 2 BW), tenzij Ship Motion aantoont dat zij de in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht is nagekomen, of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [appellant] .

6.5

Ten aanzien van de bewijslastverdeling geldt dat [appellant] - als werknemer - moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Ship Motion . Hij hoeft niet aan te tonen wat de (exacte) toedracht of de oorzaak van het ongeval is geweest1.

Schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden

6.6

[appellant] heeft gesteld - onderbouwd met verklaringen en medische stukken - dat hij als werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Op 8 februari 2018 verrichtte hij, op instructie van [zzp'er] , voor Ship Motion werkzaamheden in de machinekamer van het jacht op scheepswerf Acico in Enkhuizen . De werkzaamheden bestonden onder andere uit het uit de machinekamer takelen van twee ‘thrust bearings’; van elk 650 kilogram. Deze waren verbonden aan een schroefas naar de motor van het jacht. Voor het takelen werd gebruikgemaakt van een door de scheepswerf en [zzp'er] aangebracht hijsmiddel. Daartoe was een aluminium rail met H-balk aan de bovenzijde van de machinekamer bevestigd, met daaraan een takel van circa 40 kg. De machinekamer zelf betrof een nauwe ruimte en de opening waardoor de last naar buiten moest worden getakeld was klein. In opdracht van [zzp'er] had [appellant] stroppen aangelegd om een van de thrust bearings. Hij moest de thrust bearing begeleiden bij het naar buiten takelen. [zzp'er] bediende de takel. Tijdens het takelen is de takel van de aluminium rail geschoten. De takel is in het ruim gevallen en heeft [appellant] aan zijn hoofd, schouder en been geraakt. Daarna is hij zelf het ruim in gevallen en op de bodem van het ruim terechtgekomen, aldus nog steeds [appellant] .

6.7

Ship Motion heeft hiertegen aangevoerd dat [appellant] geen ongeval is overkomen. Zij verwijst naar de door haar overgelegde schriftelijk verklaring van [zzp'er] die ter plekke was. [appellant] had de takel (die ongeveer 10 kg woog) niet met een moer en bout (een ‘eindstop’) vastgezet, waardoor deze loskwam en op de vloer terechtkwam. [appellant] schrok van het geluid en is opzij gedoken. Hij is door de schrik gestruikeld of gevallen, niet door de takel. Ook is hij niet in het ruim gevallen. Vanwege de beperkte ruimte is dat niet mogelijk. Er was geen letsel en [appellant] heeft daarna zijn werkzaamheden gewoon hervat. Dat blijkt uit het feit dat hij die avond nog met collega’s is gaan eten, karten en bowlen. Hij heeft evenmin melding gemaakt van het ongeval. Dat er een ongeval zou hebben plaatsgevonden, heeft de gemachtigde van [appellant] pas enkele weken later, op 15 maart 2018, aan Ship Motion laten weten toen er gesproken werd over een mogelijke beëindiging van het dienstverband. De door [appellant] overgelegde medische documenten zijn eenzijdig opgesteld aan de hand van informatie van [appellant] . Het is onwaarschijnlijk dat hij pas na vijf weken op een fysiek spreekuur bij de huisarts is verschenen terwijl hij zulk zwaar letsel claimt. Niet kan worden geconcludeerd dat er een bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden waarvoor Ship Motion aansprakelijk zou zijn. Ook ontbreekt het bewijs dat er een causaal verband is tussen de klachten zoals artsen die hebben gesteld en de gebeurtenis op de werkvloer op 8 februari 2018, aldus nog steeds Ship Motion .

6.8

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] op 8 februari 2018 werkzaamheden voor Ship Motion verrichtte in de machinekamer van het jacht. Evenmin is in geschil dat bij die werkzaamheden de takel - die door [zzp'er] werd bediend - is losgeschoten en op de vloer van de machinekamer terecht is gekomen. Vast staat dat de takel is losgeschoten door het ontbreken van een deugdelijke eindstop (een moer en bout).

6.9

Voor het bewijs van zijn stelling dat hij op 8 februari 2018 schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Ship Motion heeft [appellant] zichzelf als getuige laten horen. Hij heeft verklaard dat [zzp'er] de thrust bearing takelde en hem ( [appellant] ) opdracht gaf de strop die er omheen zat te verzetten, dat de takel op zijn hoofd viel en toen op zijn rechterschouder. [appellant] viel meer dan een meter omlaag en viel met zijn been en schouder tegen een schot. Zijn andere been zat vast tussen de thrust bearing en het schot. Hij is even buiten bewustzijn geweest. Hij heeft niet gezien waar de takel is gevallen.

6.10

Deze verklaring van [appellant] kan als bewijs voor zijn stelling dienen nu het hof ook aanvullend bewijs voorhanden acht dat zodanig sterk is en zodanige essentiële punten betreft dat die zijn verklaring voldoende geloofwaardig maken. Dit aanvullend bewijs bestaat uit de schriftelijke verklaring van [naam] (hierna: [naam] , productie 5 bij dagvaarding) en de ten overstaande van de rechter door [naam] als getuige afgelegde verklaring. [naam] , werkzaam als onderhoudsmonteur voor Pon Power, heeft verklaard dat hij aanwezig was in de machinekamer toen [zzp'er] en [appellant] aan het takelen waren. Hij bevond zich twee of drie meter bij hen vandaan. Hij heeft een geluid gehoord van metaal op metaal, het was iets zwaars, en toen hij bij [appellant] aankwam zag hij [appellant] zitten in de omgeving van de thrust bearing. [appellant] zat er stil bij. Zijn collega [zzp'er] vertelde dat de loopkat aan het eind van de hijsbalk eraf was gevallen en dat die [appellant] had geraakt. De lijmklem, de loopkat en de takel lagen op de bodem van het schip, want er lagen geen vloerplaten. Er waren vier personen in de ruimte: hijzelf en zijn collega, en [appellant] en zijn collega. Die collega heeft niet gezegd dat hij zelf geraakt was, maar alleen dat [appellant] geraakt was.

6.11

Tegenover deze verklaringen staat de schriftelijke verklaring van [zzp'er] die Ship Motion heeft ingebracht. Volgens [zzp'er] kan het verhaal zoals [appellant] beschrijft niet juist zijn. [zzp'er] heeft in die verklaring bevestigd dat de takel loskwam en dat het vallen van de takel een enorm geluid maakte. Hij verklaart dat [appellant] van dat geluid schrok en opzij is gedoken, maar dat hij niet geraakt is. Het hof hecht echter ten aanzien van het ongeval meer waarde aan de verklaring van [naam] die eveneens aanwezig was dan aan de verklaring van [zzp'er] . [naam] was werkzaam voor Pon Power en had in die hoedanigheid geen persoonlijke betrokkenheid bij een van beide partijen en evenmin had hij enig persoonlijk belang bij de verklaringen zoals hij die heeft afgelegd. Zijn verklaringen komen ook authentiek over. Zo verklaart hij dat hij het ongeval niet daadwerkelijk heeft zien gebeuren maar, zo blijkt uit zijn schriftelijke verklaring, uit het verhaal van [zzp'er] en wat hij zag liggen op de vloer, wel kon begrijpen wat er vermoedelijk was gebeurd. Verder zijn de verklaringen van [naam] op hoofdlijnen consistent en gelijkluidend en bevestigen zij het relaas van [appellant] . Bovendien is [naam] ook bereid geweest zijn verklaring ten overstaan van de rechter af te leggen. De verklaring van [zzp'er] legt minder gewicht in de schaal. [zzp'er] werkte al sinds 2016 als zzp’er voor Ship Motion en heeft zijn verklaring niet ten overstaande van de rechter bevestigd. Er is geen andere verklaring voorhanden die zijn relaas van het ongeval bevestigt.

6.12

Het hof is daarom van oordeel dat [appellant] heeft bewezen dat hem op 8 februari 2018 een ongeval is overkomen tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden voor Ship Motion doordat de aanwezige takel is losgekomen, hij geraakt is en hij ten val is gekomen. Ship Motion stelt weliswaar dat [appellant] niet (door de loskomende takel) ten val is gekomen maar dat hij hooguit door de schrik is gestruikeld of gevallen. Die stelling ziet echter op de toedracht van het ongeval. [appellant] hoeft - zoals hiervoor is overwogen - die toedracht niet te bewijzen. Overigens is ook als [appellant] van het geluid van de vallende takel zou zijn geschrokken en hij daardoor zou zijn gevallen of gestruikeld, sprake van een ongeval dat hem is overkomen tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden voor Ship Motion . Grief 4 van [appellant] slaagt ( [appellant] hoeft niet te bewijzen dat hij door de klap van de takel is gevallen en hoe dan). Hierdoor faalt de incidentele grief 1 van Ship Motion die hierop betrekking heeft. Bij deze conclusie (dat [appellant] een ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden) kan in het midden blijven of [appellant] al dan niet kort na het ongeval Ship Motion van het ongeval op de hoogte heeft gesteld. Dit betekent dat [appellant] geen belang heeft bij de behandeling van grief 3.

Schade letsel

6.13

Ship Motion heeft verder betwist dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. De verklaringen bieden geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat [appellant] daadwerkelijk letsel heeft opgelopen. Ook ontbreekt medisch bewijs en is [appellant] niet consistent in zijn verklaringen over het gewicht van de takel, aldus Ship Motion .

6.14

Het hof wijst er allereerst op dat het [appellant] niet kan worden tegengeworpen als hij niet consistent is geweest in zijn verklaringen over het gewicht van de takel. Van [appellant] , die ook nog maar kort in dienst was, kan niet worden verlangd dat hij weet wat het gewicht van de losgekomen takel is geweest. Dat betreft immers de toedracht van het ongeval en die toedracht hoeft [appellant] , zoals gezegd, niet te bewijzen. Het hof acht het zeer wel aannemelijk dat de losschietende takel van (volgens Ship Motion ) circa 10 kilogram die [appellant] heeft geraakt, bij hem tot letsel heeft geleid. Dit letsel vindt verder steun in de door [appellant] overgelegde medische stukken.

6.15

Uit de verklaring van fysio- en manueel therapeut [fysiotherapeut] d.d. 29 november 2019 (hierna: de fysiotherapeut) blijkt dat [appellant] op 12 februari 2018 bij hem onder behandeling is gekomen met een schouderklacht rechts na een ongeval op het werk. Uit de anamnese blijkt dat [appellant] daarover heeft verteld dat hij op 8 februari 2018 een klap van een takel op zijn hoofd en rechterschouder heeft gekregen, dat hij het ruim is ingevallen, dat zijn linkerbeen klem heeft gelegen en dat hij even knock out is geweest. Na onderzoek concludeert de fysiotherapeut tot een “SAPS beeld van de rechterschouder met een bewegingsbeperking en veel pijn in de rechterschouder”. Verder concludeert hij tot “Hypertonie van de trapezius, TET en deltoideus regio rechts” en komt hij tot een behandelplan van twaalf weken met als doel weer kunnen werken zonder pijnklachten.

6.16

Op 15 maart 2018 is [appellant] door huisarts [huisarts] gezien (hierna: de huisarts). Die heeft genoteerd “8 februari een zwar[t]e takel tegen het hoofd gekregen op de werkvloer, hierdoor achterover gevallen, nadien meer pijnklachten schoudergordel, vooral rechts. Functie arm/schouder intact, maar meer pijn”. Na 15 maart 2018 is [appellant] ook op 20 maart, 22 maart, 25 september en 18 oktober bij de huisarts geweest met aanhoudende pijnklachten en vanaf 25 september 2018 toegenomen pijnklachten (in de rechterschouder) en vanaf 18 oktober 2018 melding van pijn die uitstraalt naar de nek, rug en borst.

6.17

Uit deze stukken blijkt dat [appellant] na het hem overkomen ongeval al op maandag 12 februari 2018 door de fysiotherapeut is gezien. Dat [appellant] niet direct op het spreekuur van de huisarts is geweest, acht het hof niet onlogisch. [appellant] kon immers al op 12 februari 2018 met zijn pijnklachten bij de fysiotherapeut terecht die een behandelplan van twaalf weken opstelde met als doel het zonder pijnklachten kunnen werken. Daarmee is ook daadwerkelijk op 12 februari 2018 een aanvang gemaakt. Toen de pijnklachten aanhielden heeft [appellant] zich op 15 maart 2018 bij de huisarts gemeld. Weliswaar bevatten de medische stukken een anamnese gebaseerd op het eigen relaas van [appellant] , maar ook blijkt dat de fysiotherapeut op 12 februari 2018 onderzoek heeft verricht en tot eigen bevindingen is gekomen (onder andere bewegingsbeperking van de rechterschouder en hypertonie van de trapezius (overmatige spierspanning in de monnikskapspier van de nek en schouders). Hiermee zijn de subjectieve klachten van [appellant] geobjectiveerd. Mogelijk had [appellant] in 2011 een eerdere periode van nekpijn met uitstraling in de rechterarm en een hernia, met een terugval in 2017, maar dit laat onverlet dat [appellant] kort na het ongeval op 8 februari 2018 zich onder behandeling heeft laten stellen ter zake van pijnklachten als gevolg van dat ongeval. Die pijnklachten kunnen worden aangemerkt als door hem geleden schade. Dit betekent verder dat [appellant] voldoende heeft gesteld voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door hem gevorderd. Volgens vaste jurisprudentie is voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure immers voldoende dat [appellant] de mogelijkheid van schade aannemelijk heeft gemaakt. In die procedure kan de omvang van de schade worden vastgesteld.

6.18

Ship Motion heeft nog aangevoerd dat er geen sprake was van letsel omdat [appellant] die avond nog met collega’s is gaan eten, karten en bowlen. [appellant] heeft dit gemotiveerd weersproken. Het karten heeft plaatsgevonden voor het ongeval, namelijk op 25 januari 2018. Als bewijs daarvan heeft hij ter zitting in eerste aanleg maar ook op de mondelinge behandeling in hoger beroep een filmpje van het karten getoond, welk filmpje hij ook op 25 januari 2018 aan [zzp'er] heeft verzonden en wat uit de tijdlijn op zijn telefoon blijkt. Ship Motion heeft haar stelling in hoger beroep verder niet onderbouwd en ook ter zake geen bewijs aangeboden. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat [appellant] de avond van het ongeval met collega’s is gaan eten, bowlen en karten.

Zorgplicht

6.19

Ship Motion is als werkgever op grond van art. 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de schade van [appellant] als gevolg van het ongeval, tenzij zij aantoont dat zij aan haar in lid 1 van dit artikel genoemde zorgplicht heeft voldaan. In dat verband rusten op Ship Motion de stelplicht en bewijslast van de toedracht van het ongeval. Blijft de toedracht van het ongeval onduidelijk, dan komt die onduidelijkheid voor risico van Ship Motion . 2

6.20

Ship Motion heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan aangevoerd dat [appellant] zelf had aangegeven voldoende kennis en ervaring te hebben van revisie- en onderhoudswerkzaamheden en dat hij zelf voor een gevaarlijke situatie zorgde door de takel met een lijmklem vast te zetten in plaats van met de gebruikelijke bout en moer. [appellant] heeft dit betwist en aangevoerd dat hij geen ervaring met het werk had en daarom niet zelf de takel heeft vastgemaakt. Een medewerker van Acico had de hijsbalk klaargezet, aldus [appellant] .

6.21

Het hof overweegt dat Ship Motion moet zorgdragen voor een hoog veiligheidsniveau op de werkplek en voor de werktuigen en gereedschappen waarmee haar werknemers moeten werken. Zij moet daartoe de nodige veiligheidsinstructies (en waarschuwingen) geven, veiligheidsmaatregelen treffen en op het geval toegesneden toezicht op de naleving van die maatregelen en instructies houden. Dat hiervan sprake is geweest is onvoldoende gesteld of gebleken. Ship Motion kon dus niet volstaan met afgaan op de (overigens door [appellant] betwiste) mededeling dat hij ervaring zou hebben met revisie- en onderhoudswerkzaamheden, terwijl niet is gebleken dat zij zich ervan vergist heeft dat [appellant] de benodigde deskundigheid had om de takelwerkzaamheden uit te voeren, laat staan dat gecontroleerd is of een deugdelijke eindstop was aangebracht en de takelwerkzaamheden veilig konden worden uitgevoerd. Daarbij komt dat Ship Motion wist dat [appellant] geen ervaring had in de wereld van onderhoud aan schepen en boten, zoals Ship Motion zelf heeft gesteld.

6.22

Ook de stelling van Ship Motion dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [appellant] (hij zou de lijmklem hebben aangebracht, maar ook dit wordt door [appellant] betwist) kan Ship Motion niet baten. Ship Motion kan alleen aan haar aansprakelijkheid ontkomen als [appellant] met opzet of bewuste roekeloosheid zou hebben gehandeld. Dat hiervan sprake is geweest, is niet gesteld of gebleken. Zelfs als [appellant] de lijmklem zou hebben aangebracht (dat wordt door hem betwist) kan niet worden gezegd dat hij bewust roekeloos heeft gehandeld. Van bewuste roekeloosheid is namelijk pas sprake als de werknemer zich daadwerkelijk bewust is van het roekeloze karakter van zijn gedraging onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval. Nogmaals, dat hiervan sprake is geweest, is evenmin gesteld of gebleken.

Slotsom

6.23

De grieven 2, 4 en 5 van [appellant] in het principaal hoger beroep slagen. Bij de behandeling van de grieven 1 en 3 heeft [appellant] dan geen belang meer. In het (voorwaardelijk) incidenteel beroep faalt grief 1 van Ship Motion (zie hierboven onder 6.12).
 

( Volgt verwijziing naar de schadestaatprocedure. red. LSA LM)

1HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, rov 3.4.1.

2HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432, rov 3.4.

 

Gerechtshof Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:148