RBMNE 190526 val van afstapje van 11 cm, zichtbaar door materiaalverschil in restaurant in rijksmonument; geen gebrekkige opstal, geen gevaarzetting
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 190526 val van afstapje van 11 cm, zichtbaar door materiaalverschil in restaurant in rijksmonument; geen gebrekkige opstal, geen gevaarzetting;
- verzocht 27,5 uur x € 252,50-€ 305; begroot, niet toegewezen, 9,5 uur x € 252,50 = € 2.398,75; uurtarief o.b.v. LSA BGK-regeling
2De kern van de zaak
2.1
[verzoekster] is op 13 augustus 2023 in [handelsnaam] in [vestigingsplaats] (gevestigd in het voormalige oude postkantoor van [vestigingsplaats] ) in de hal van een afstapje gevallen en heeft toen haar rechterarm gebroken. Zij heeft [handelsnaam] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar val. De Goudse, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het restaurant, heeft de aansprakelijkheid afgewezen. [verzoekster] vraagt in dit deelgeschil om te beslissen dat [handelsnaam] aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val en dat verweerders hoofdelijk gehouden zijn haar materiële en immateriële schade te vergoeden. Haar verzoek wordt afgewezen. Ze is ongelukkig gevallen maar [handelsnaam] is voor de gevolgen daarvan niet aansprakelijk want er is geen sprake van een gebrekkige opstal en ook niet van gevaarzetting.
3De beoordeling
De zaak leent zich voor een deelgeschil
3.1
[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
3.2
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of [handelsnaam] aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van [verzoekster] . Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Het verzoek van [verzoekster] leent zich daarom naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.
De juridisch kaders: artikel 6:174 in samenhang met 6:181 BW en artikel 6:162 BW
3.3
[verzoekster] beroept zich ten eerste op artikel 6:174 in samenhang met 6:181 BW te weten dat de bezitter van een opstal dan wel diegene die de opstal gebuikt in het kader van een bedrijfsmatige uitoefening (hier dus [handelsnaam] ) aansprakelijk is als de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daarvoor gevaar voor personen oplevert. Ten tweede beroept zij zich op artikel 6:162 BW en stelt dat sprake is van gevaarzettend handelen van [handelsnaam] omdat zij heeft nagelaten voldoende veiligheidsmaatregelen te treffen en te waarschuwen voor de afstap.
3.4
Van een gebrek in de zin van artikel 6:174 lid 1 BW is sprake indien de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan uit het oogpunt van veiligheid in de gegeven omstandigheden mag stellen. Of dit het geval is, hangt volgens vaste jurisprudentie af van het antwoord op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans is op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn1. Deze criteria komen overeen met de Kelderluik- criteria, ontleend aan het standaardarrest over gevaarzetting bij een beroep op onrechtmatige daad2.
3.5
Op dat laatste beroept [verzoekster] zich subsidiair en voor de beoordeling daarvan spelen dezelfde Kelderluik-criteria een rol, te weten:
de waarschijnlijkheid van onoplettend of onvoorzichtig gedrag van de potentiële slachtoffers;
de kans dat daardoor ongevallen ontstaan;
de ernst van de mogelijke gevolgen van zulke ongevallen;
de bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.
De toedracht
3.6
Over hoe het is gegaan, heeft [verzoekster] het volgende toegelicht. Ze zat op 13 augustus 2023 samen met haar zus, zwager en broer op het terras. Ze ging naar binnen naar het toilet. Op de weg terug vroeg zij een medewerkster achter de bar om menukaarten. Die werden haar in de hal overhandigd. Ze wilde teruglopen naar het terras en in de hal viel zij van de afstap. Ze heeft de afstap niet gezien omdat die niet (goed) zichtbaar was. Het was een zonnige dag en het was een donkere hal met donkere muren en een donkere vloer.
Bij de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat de medewerkster achter de bar één menukaart had, dat zij achter haar aan liep en de andere drie in de hal kreeg aangereikt. De menukaarten lagen daar op een tafeltje vlak bij het afstapje. Zij viel terwijl zij de menukaarten in ontvangst nam. Haar toelichting sluit aan bij hoe zij de toedracht in haar aansprakelijkstelling van 12 april 2024 heeft beschreven. Daarin staat:
“Zondag 13 augustus 2023 had mijn broertje uit Weert een tafel gereserveerd om 18.00 uur in uw restaurant voor 4 personen. Wij waren wat vroeg en gingen op het terras zitten. Ik ging even naar toilet en terug, op weg naar het terras van binnen naar buiten vroeg ik een medewerkster om menukaarten. Zij liep voor mij uit en wilde de kaarten (die in het halletje lagen) aan mij uitrijken.
Echter, ik zag daardoor het afstapje niet en kwam lelijk te val. Kon niet meer opstaan en werd per ambulance afgevoerd.”
Het gaat om een afstapje dat je kunt verwachten in een oud pand als dit
3.7
[handelsnaam] is gevestigd in het voormalige oude postkantoor van [vestigingsplaats] . Het gaat om een Rijksmonument, volgens verweerders gebouwd in 1911. Dat het een oud pand betreft, is ook bij aanzicht direct duidelijk. Dat blijkt uit de volgende foto die is opgenomen in het toedrachtsonderzoek door De Goudse dat [verzoekster] bij haar verzoek heeft gevoegd.
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
3.8
[verzoekster] heeft ook foto’s van het opstapje bij haar verzoek gevoegd. Die komen overeen met de volgende foto in het toedrachtsonderzoek. Daarop is het opstapje te zien (vlak achter de voordeur) waarover [verzoekster] is gevallen.
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
3.9
Het pand heeft binnen meer niveauverschillen. Dat is ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank zijn niveauverschillen in een pand als dit ook te verwachten. Van een bezoeker mag daarom de nodige oplettendheid worden verwacht en worden verwacht dat deze met niveauverschillen rekening houdt.
De kans op ongevallen is klein
3.10
Volgens [verzoekster] zijn er vaker mensen over het afstapje gevallen, maar dat blijkt nergens uit en verweerders hebben dit gemotiveerd betwist. De kans om bij de ingang over het afstapje te vallen, is naar het oordeel van de rechtbank klein. Het gaat om een afstapje van 11 centimeter dat duidelijk zichtbaar is, ook omdat het om verschillende materialen gaat. Het hogere gedeelte is van hout en het lagere van beton en daar tussenin zit een ijzeren strip.
[verzoekster] is ongelukkig ten val gekomen
3.11
[verzoekster] is ongelukkig ten val gekomen met naar letsel en ook nog een vervelende nasleep na (complicaties bij) de tweede operatie, maar de kans dat het opstapje ernstig letsel kan veroorzaken, acht de rechtbank klein. [verzoekster] heeft jammer genoeg veel pech gehad.
[handelsnaam] heeft voldoende voorzorgsmaatregelen genomen
3.12
[verzoekster] heeft aangevoerd dat met een simpele en goedkope maatregel (geel-zwart waarschuwingstape) de afstap zichtbaar zou zijn geweest. Ook had volgens haar een waarschuwingsbord kunnen worden geplaatst of had het hoogteverschil kunnen worden overbrugd door een schuin oplopende vloer. Bij de mondelinge behandeling heeft zij aangevoerd dat ook gekozen had kunnen worden voor een LED-strip of een duidelijke waarschuwing door het personeel.
3.13
Naar het oordeel van de rechtbank had [handelsnaam] deze door [verzoekster] genoemde veiligheidsmaatregelen niet hoeven te treffen omdat het afstapje duidelijk genoeg te zien is, onder meer door de verschillende materialen (beton, ijzer, hout). Een waarschuwingsbord zou bovendien in de weg kunnen staan en ook als er wel geel-zwart waarschuwingstape of een LED-strip was aangebracht, zou het waarschijnlijk geen verschil hebben gemaakt. Uit haar eigen verklaring volgt namelijk dat zij is gevallen omdat zij achter de medewerkster aanliep en de menukaarten in ontvangst nam en dáárdoor het afstapje niet zag.
3.14
Tegen die achtergrond had het ook geen verschil gemaakt of de lamp in de hal nu aan was (dat stellen verweerders) of uit (dat stelt [verzoekster] ). Omdat het een zonnige dag was, ligt voor de hand dat op de terugweg naar het terras het zicht minder goed was, maar ook dat is ook een omstandigheid waarbij oplettendheid mag worden verwacht. Dat geldt temeer omdat [verzoekster] op de heenweg naar het toilet het niveauverschil heeft gezien en gemerkt en het afstapje op de terugweg dus niet als een verrassing kan zijn gekomen.
Conclusie: geen sprake van een gebrekkige opstal en geen sprake van gevaarzetting
3.15
De conclusie is dat [handelsnaam] niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van [verzoekster] , niet op grond van artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) en niet op grond van artikel 6:162 BW (gevaarzetting). Het verzoek van [verzoekster] om te beslissen dat [handelsnaam] aansprakelijk is en verweerders gehouden zijn om haar materiële en immateriële schade te vergoeden is daarom niet toewijsbaar. Met deze uitkomst kan het verweer dat sprake is van eigen schuld van [verzoekster] onbesproken blijven.
De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 2.398,75 exclusief btw
3.16
De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten, ook als een verzoek niet wordt toegewezen. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
3.17
De kosten voor dit deelgeschil bedragen volgens [verzoekster] € 10.073,25 inclusief btw. Dit bedrag is berekend met 27,5 uur en een uurtarief van € 260,00 voor mr. Koopman en € 305,00 voor mr. Van Velde (de patroon van mr. Koopman). Bij de mondelinge behandeling hebben beide advocaten toegelicht dat hun advocatenkantoor net als De Goudse is aangesloten bij de LSA BGK-regeling en dat het overeengekomen voorschottarief onder deze regeling voor deze zaak € 252,50 exclusief btw bedraagt. Verweerders hebben bij de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het eens zijn met dit gehanteerde tarief, maar het aantal bestede uren vinden zij te veel.
3.18
De zaak is niet omvangrijk en ook niet complex: het is een beperkt en overzichtelijk deelgeschil. De rechtbank volgt partijen in hun overeengekomen uurtarief, maar het aantal uren dat is besteed en opgegeven past daar niet bij omdat het een juridisch overzichtelijke zaak is. De rechtbank stelt daarom het aantal uren bij3 en begroot de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak op 9,5 uren x € 252,50 exclusief btw, dus op € 2.398,75 exclusief btw. Daar moet het griffierecht van € 331,00 dat [verzoekster] aan de rechtbank heeft moeten betalen nog bij opgeteld worden. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en verweerders niet veroordelen om dit te betalen.
1HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 , HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1674.
2HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 (Kelderluik).
3Vgl. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025/2
Rechtbank Midden-Nederland 19 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2965