Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 200225 causaal verband tussen stress a.g.v. werkomstandigheden en niet aanslaan immuuntherapie onvoldoende onderbouwd

RBAMS 200225 causaal verband tussen stress a.g.v. werkomstandigheden en niet aanslaan immuuntherapie onvoldoende onderbouwd
- transitievergoeding niet verschuldigd nu aovk ex 7:674 BW door overlijden is geëindigd voor de opzegdatum

2De feiten

2.1.

[gedaagde] is een organisatie van dealers voor dealers in de kunstwereld. Zij organiseert onder meer kunstbeurzen in [locatie 1] en [locatie 2] . Het executive committee (EC) is het statutaire bestuur van [gedaagde] . [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is op dit moment de voorzitter van het EC. [gedaagde] heeft ongeveer 18 medewerkers in dienst.

2.2.

Het hoofdkantoor van [gedaagde] is gevestigd in [vestigingsplaats] . Een [naam functie 2] geeft leiding aan dit kantoor. Verder heeft de [naam functie 2] tot taak de besluiten van het EC uit te voeren. De [naam functie 2] legt verantwoording af aan de voorzitter van het EC. Zij hebben regelmatig contact met elkaar over de organisatie van [gedaagde] en over de gang van zaken op het hoofdkantoor.

2.3.

Op 1 september 2019 is [eiseres] bij [gedaagde] in dienst getreden als [naam functie 1] ( [naam functie 1] ). In die functie rapporteerde zij aan de [naam functie 2] . Op dat moment was dat de heer [naam 4] .

2.4.

Nadat [naam 4] stopte met de functie van [naam functie 2] , heeft het EC per 7 augustus 2020 [eiseres] benoemd tot [naam functie 2] van [gedaagde] . Zij kreeg een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en haar salaris bedroeg € 10.000,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag, dertiende maand en premievrij pensioen.

2.5.

In 2020 en 2021, de Covid-periode, heeft [gedaagde] geen beurzen in [locatie 1] georganiseerd. Mede daardoor had [gedaagde] geen inkomsten. In juni 2021 was [gedaagde] in gesprek met onder ander de gemeente [locatie 1] over huurkorting en subsidies voor een volgende editie van de kunstbeurs. Op 16 juni 2021 heeft [naam 2] namens het EC een e-mail gestuurd aan [eiseres] , waarin onder meer het volgende staat:

‘Het is ons een raadsel waarom je juist de dag ervoor, zonder mij op de hoogte te stellen deze e-mail naar de gemeente stuurt. (…) Vanzelfsprekend worden er dan vragen gesteld als de toon aanvallend en agressief is. Ik hoop dat je begrijpt dat dit de onderhandelingen ondermijnt. Daarnaast is het noemen van namen, het beschuldigen van de gemeente dat er niet goed is gehandeld in de crisis zeer ongepast, en zet de zaken op scherp. Elke welwillendheid valt dan weg.

(…)

Gezien de nu ontstane situatie ben ik op dit moment genoodzaakt je te schijven dat je momenteel niet betrokken kan zijn bij enige onderhandeling, en of communicatie met de gemeente, provincie en of het beursgebouw in [locatie 1] .’

2.6.

Enige dagen daarna, op 19 juni 2021, heeft een lid van het EC als bemiddelaar gesprekken geleid tussen [eiseres] en [naam 2] over de samenwerking tussen beiden.

2.7.

Eind 2021 heeft een medewerker een klacht ingediend bij het EC over [eiseres] .

2.8.

Op 26 januari 2022 heeft het EC in een vergadering besloten om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] te willen beëindigen.

2.9.

Kort daarop, op 14 februari 2022, heeft [naam 2] een uitnodiging aan [eiseres] gestuurd voor een online gesprek diezelfde dag. De secretaresse van [eiseres] antwoordde hierop dat zij op het voorgestelde tijdstip niet kon en dat [eiseres] met haar hoofd bij de mammografie van de volgende dag was. De afspraak is vervolgens verzet naar de volgende dag. Deze afspraak heeft [eiseres] afgezegd. Op 16 februari berichtte de secretaresse van [eiseres] aan [naam 2] dat de uitslag in het ziekenhuis niet goed was en dat zij voorlopig niet beschikbaar is.

2.10.

Een ruime maand daarna, op 23 februari 2024, heeft het EC aan [eiseres] geschreven dat zij per direct op non-actief wordt gesteld en dat [gedaagde] het dienstverband met [eiseres] wil beëindigen. In de brief staat verder – kort gezegd – dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en een verstoorde werkrelatie met partners en relaties van [gedaagde] . In de brief wordt hiervoor onder meer verwezen naar:

 correspondentie tussen [eiseres] en de (advocaten van) verhuurder van [gedaagde] , waarin [eiseres] insulting and defamatory statements maakt jegens de advocaten van verhuurder;

 de offensive and aggressive e-mail die [eiseres] heeft gestuurd naar de gemeente [locatie 1] ;

 een verklaring van de burgemeester van [locatie 1] die te verstaan heeft gegeven dat zij niet langer met [eiseres] aan tafel wil zitten, omdat het gedrag van [eiseres] jegens haar inappropriate and condescending was;

 e-mails die [eiseres] heeft gestuurd naar de accountant van [gedaagde] , waarin zij zich jegens medewerkers van de accountant zodanig beledigend heeft uitgelaten, dat zij niet meer met [gedaagde] wil samenwerken.

Daarnaast wordt in de brief vermeld dat:

 [eiseres] gevraagde benodigde informatie niet aan het EC verstrekte;

 [eiseres] een analyse van de verzekeringssituatie tegenwerkte;

 de financiële cijfers eind jan 2022 onjuist waren en dat [eiseres] dit als verantwoordelijke had moeten voorkomen;

 [eiseres] serieuze conflicten heeft met meerdere medewerkers;

 [eiseres] [naam 2] grovelijk heeft beledigd en heeft beschuldigd.

2.11.

In februari hebben twee medewerkers van [gedaagde] ieder een klacht ingediend over [eiseres] . Op verzoek van het EC zijn die twee klachten onderzocht door een onafhankelijke klachtencommissie ongewenst gedrag van arbeidsrechtkantoor AN-i. In haar rapport van 5 april 2022 schrijft AN-i onder meer:

‘De commissie komt daarmee tot de conclusie dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan intimidatie en agressie. (…) De commissie ziet reden om de misdragingen door [eiseres] als zeer ernstig aan te merken. Het gaat hier om een structureel probleem en kennelijk zijn er veel slachtoffers van haar intimidatie en agressie. (…) In dit verband komt gewicht toe aan de machtspositie die [eiseres] heeft misbruikt. (…)’

2.12.

Op 25 februari 2022 heeft [eiseres] een bedrijfsarts gesproken. Deze kwam tot de conclusie dat [eiseres] niet arbeidsongeschikt was en dat sprake is van een arbeidsconflict.

2.13.

Halverwege februari 2022 heeft [eiseres] aan [gedaagde] laten weten dat zij gediagnostiseerd is met borstkanker.

2.14.

Op 9 maart 2022 heeft [eiseres] zich ziek gemeld.

2.15.

Een jaar later, op 8 maart 2023, is een arbeidsdeskundig rapport opgemaakt. Hierin staat onder meer beschreven dat [eiseres] volledig arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk, wegens medische klachten en een arbeidsconflict. Geadviseerd wordt om re-integratie in het tweede spoor te starten.

2.16.

In september 2023 is [eiseres] in het kader van haar medische behandeling gestart met immuuntherapie.

2.17.

Van 7 september 2023 tot 22 januari 2024 heeft [eiseres] voor 15 uur per week werk verricht in het kader van re-integratie in het tweede spoor.

2.18.

Tegen het einde van het tweede ziektejaar heeft het UWV met de beschikking van 16 februari 2024 aan [eiseres] een IVA-uitkering toegekend met ingang van 6 maart 2024.

2.19.

Met de brief van 1 juli 2024 heeft [gedaagde] het dienstverband met [eiseres] opgezegd per 1 september 2024, nadat zij hiervoor toestemming had verkregen van het UWV.

2.20.

Op [overlijdensdatum] 2024 is [eiseres] overleden.

3Het geschil

De vorderingen

3.1.

[eiseres] vordert na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident:

i. om [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van, althans inzage in, de bescheiden die – samengevat – zien op de ongelijke beloningskwestie, het voorgenomen ontslag, de non-actiefstelling en het door AN-i uitgevoerde onderzoek,

in de hoofdzaak:

om [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 350.000,00 bruto (althans minimaal 70% daarvan) vanwege achterstallig salaris inzake de ongelijke beloning en te bepalen dat [gedaagde] dit hogere salaris zal moeten blijven voldoen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd,

om [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 2.000.000,00 netto ten titel van schadevergoeding als gevolg van de schending van de zorgplicht/onrechtmatig handelen, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade en dat deze schade nader bij staat dient te worden begroot en toegewezen,

te verklaren voor recht dat [gedaagde] gehouden is om, in het geval dat de Belastingdienst de vergoeding uit hoofde van verminderd arbeidsvermogen of een deel daarvan zou belasten of daarover premie zou heffen, deze belasting of heffing op eerste aanmaning van [eiseres] aan haar zal vergoeden, met de bevoegdheid van [gedaagde] op eigen kosten maar op naam van [eiseres] het standpunt van de Belastingdienst tot in hoogste instantie in rechte te bestrijden,

om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van 44% van het loon tegen 100% loonwaarde over de periode van 7 september 2023 tot 22 januari 2024,

om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, althans tot schadevergoeding ter hoogte van die transitievergoeding,

om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de maximale wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW, de wettelijke rente en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging, een en ander over de bedragen onder ii. en v. hierboven waar mogelijk,

om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.900,00,

om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de werkelijk door [eiseres] in deze procedure gemaakte juridische kosten, subsidiair [gedaagde] te veroordelen in een in goede justitie te bepalen bedrag aan proceskosten en meer subsidiair [gedaagde] te veroordelen in de forfaitaire proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover en de nakosten,

althans voor sub ii. t/m ix. zodanige voorzieningen te treffen en/of bedragen toe te kennen die de kantonrechter geraden acht en met inachtneming van een eventuele voorschot betaling ex artikel 223 Rv.

3.2.

[eiseres] stelt – kort weergegeven – allereerst dat zij lager wordt beloond dan haar mannelijke collega’s, zonder dat daar een objectieve reden voor is. Verder stelt zij dat ze schade heeft geleden omdat de houding van [gedaagde] – kort gezegd en zakelijk weergegeven – bij haar veel stress veroorzaakt en dat heeft er mogelijk aan bijgedragen dat de immuuntherapie niet is aangeslagen. Ook heeft [gedaagde] volgens haar ten onrechte in de periode 7 september 2023 tot 22 januari 2024 toen zij re-ïntegreerde maar voor 70% en niet voor 100% over de gewerkte uren uitgekeerd. Voorts stelt [eiseres] dat zij recht heeft op een transitievergoeding, omdat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 1 september 2024.

3.3.

[gedaagde] betwist de vorderingen.

4De beoordeling

De voortzetting van de procedure na overlijden van [eiseres]

4.1.

had in de dagvaarding op voorhand verklaard dat de procedure moet worden voortgezet bij haar overlijden. Op de zitting is dit herhaald namens de nabestaanden van [eiseres] . Daarbij bleek op de zitting dat formeel nog niet is vastgesteld wie de erfgenamen zijn, zodat het geding op naam van de oorspronkelijke partij wordt voortgezet overeenkomstig artikel 225 lid 2 tweede volzin Rv. In dit geval dus op naam van [eiseres] .

Ongelijke beloning

4.2.

[eiseres] stelt allereerst dat [gedaagde] haar in de functie van [naam functie 2] heeft gediscrimineerd door haar voor arbeid van gelijke waarde lager te belonen dan die van haar mannelijke collega’s, te weten haar voorgangers [naam 4] en [naam 5] en haar opvolger [naam 6] . Dit verschil in beloning kan niet worden verklaard door verschil in ervaring of andere objectieve maatstaven. Voor zover [eiseres] nu kan overzien, komt dit verschil neer op ongeveer € 100.000,00 per jaar. Aan de hand van inzage de gevorderde bescheiden die hierop zien, wenst [eiseres] vast te stellen in welke mate [gedaagde] haar ongelijk heeft beloond. Door deze gang van zake is [gedaagde] tekort geschoten in haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen.

4.3.

[gedaagde] betwist dat sprake is van discriminatie vanwege ongelijke beloning. Volgens [gedaagde] is de keus op [eiseres] gevallen omdat [gedaagde] op dat moment financieel hard geraakt werd door de covid-periode en [eiseres] financieel-economische kennis had. In een andere tijd was zij echter niet in aanmerking gekomen voor deze functie, omdat zij niet voldeed aan het profiel en aan de voor de functie benodigde kennis en ervaring. In deze Covid-situatie heeft het EC [eiseres] de kans gegeven te groeien in de functie van [naam functie 2] . Voor de beloning van de functie van [naam functie 2] hanteert [gedaagde] een bandbreedte tussen € 10.000,00 en € 14.000,00 bruto per maand. Vanwege haar gebrek aan ervaring is [eiseres] aan de onderkant van deze bandbreedte ingeschaald. De huidige [naam functie 2] – ook een vrouw – verdient maar iets meer dan [eiseres] deed. Wel erkent [gedaagde] dat de voorganger van [eiseres] aanmerkelijk meer verdiende, maar dat was een uitzonderingssituatie, onder meer omdat die [naam functie 2] in Londen woonde. Een dergelijke situatie wil het EC niet nogmaals, aldus [gedaagde] . Verder verzet [gedaagde] zich tegen de inzage van bescheiden.

4.4.

Het verweer van [gedaagde] komt er op neer dat erkend wordt dat [eiseres] lager was ingeschaald dan enkele ander – mannelijke – [naam functie 2] , maar dat daar een objectieve reden voor was. Namelijk dat [eiseres] voor de functie van [naam functie 2] op financieel-economische vlak weliswaar sterk was, maar op diverse andere relevante vlakken nog onervaren was.

4.5.

Uit de feiten volgt dat het EC tot een beëindiging van het dienstverband wilde komen vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, ware het niet dat [eiseres] ziek werd. [gedaagde] heeft toen besloten de procedure tot beëindiging van het dienstverband voorlopig uit te stellen. Op de zitting heeft [gedaagde] gepleit dat daadwerkelijk sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie in de periode tussen het aantreden van [eiseres] als [naam functie 2] en haar ziekmelding. De gemachtigde van [eiseres] heeft daartegen ingebracht dat [eiseres] wellicht gepassioneerd en een scherpe communicator was, maar dat dit niet genoeg is om een ernstig verstoorde arbeidsrelatie op te baseren.

4.6.

Nog daargelaten of de handelswijzen en uitspraken van [eiseres] al dan niet genoeg waren voor het beëindigen van het dienstverband, blijkt uit de stukken en uit wat op zitting is gezegd dat de toon van de communicatie van [eiseres] – zacht gezegd – niet altijd even diplomatiek was. Dat wordt ook niet echt betwist. In haar functie als [naam functie 2] van het hoofdkantoor van [gedaagde] moet zij echter optreden in de internationale kunstwereld. In die positie mag van haar een zekere mate van diplomatie verwacht worden. Iets wat zij ook zelf heeft erkend in het bemiddelingsgesprek van 19 juni 2021 na de [locatie 1] -affaire. Hieruit volgt dat [eiseres] in haar functie als [naam functie 2] op diplomatiek vlak in de kunstwereld nog niet geheel ervaren was en stappen moest maken. Dat betekent dat [gedaagde] voldoende onderbouwd heeft betwist dat sprake is van ongelijke behandeling, maar dat de lagere salarisinschaling van [eiseres] voor de functie van [naam functie 2] berust op haar onervarenheid.

4.7.

De loonvordering slaagt niet. Het gevolg hiervan is dat [eiseres] geen belang meer heeft in de gevorderde afgifte of inzage in bescheiden in deze procedure voor zover die zien op de gestelde ongelijke beloning.

Schadevergoeding

4.8.

[eiseres] stelt verder dat zij door toedoen van [gedaagde] letsel-, vermogens- en immateriële schade heeft opgelopen. Deze schade is opgelopen in de uitoefening van haar werk en begon met de onterechte non-actiefstelling. Er is ook een causaal verband tussen de schade en het werk. Niet valt uit te sluiten dat het gedrag van [eiseres] werd beïnvloed door de kanker die zich ontwikkelde in haar lichaam. De reactie van [gedaagde] daarop is verkeerd geweest. [gedaagde] heeft niet genoeg gedaan aan de bescherming van [eiseres] . Vast staat dat de handelwijze van [gedaagde] chronische stress heeft opgeleverd bij [eiseres] . Dit terwijl het voor het slagen van de immuuntherapie juist van belang was dat alle stress vermeden werd. De stress die [gedaagde] heeft veroorzaakt heeft mogelijk geleid tot het niet aanslaan van de immuuntherapie, aldus [eiseres] .

4.9.

[gedaagde] betwist iedere aansprakelijkheid. Zij voert aan dat haar niet duidelijk is welke schade zou zijn ontstaan noch op basis van welke aansprakelijkheidsgrondslag. De gevorderde schadevergoeding is volgens haar niet nader onderbouwd of gespecificeerd. [eiseres] stelt verder niet welke zorgplicht [gedaagde] zou hebben geschonden. Ook wordt niet duidelijk wat de duur van de vermeende schending is, waar deze zou hebben plaatsgevonden en in hoeverre dit verband zou houden met de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] . Daarbij bestond er vanaf eind 2021 een ernstig verstoorde arbeidsrelatie met [eiseres] , waar partijen het ook over eens waren. De reden voor beëindiging en de non-actiefstelling hadden niets van doen met de later vastgestelde ziekte bij [eiseres] . Als [eiseres] niet ziek was geweest, was het dienstverband beëindigd wegens verwijtbaarheid of vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, aldus [gedaagde] .

4.10.

[eiseres] stelt hier allereerst dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met artikel 7:658 BW. In dit artikel staat – kort gezegd – dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Artikel 7:658 BW regelt ook de bewijslastverdeling. De werkgever moet – kort gezegd – bewijzen dat aan de zorgplicht is voldaan. Maar het is aan de werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de schade op het werk is veroorzaakt. Die werknemer hoeft daarbij niet te bewijzen hoe dit is gebeurd of wat de oorzaak is geweest. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat de exacte toedracht van het ongeval niet hoeft vast te staan en dat een onzekere toedracht voor risico van de werkgever komt (HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 en HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430).

4.11.

[eiseres] heeft hier gesteld dat zij schade op het werk heeft opgelopen omdat zij – samengevat – daar chronische stress en psychische klachten heeft opgelopen, terwijl het bij immuuntherapie belangrijk is stress te vermijden. De kantonrechter begrijpt haar stelling dan ook zo dat schade is geleden doordat als gevolg van chronische stress en psychische klachten haar immuuntherapie mogelijk niet is aangeslagen, waarbij [gedaagde] niet aan de zorgplicht heeft voldaan door haar niet voldoende te beschermen tegen die stress en psychische druk.

4.12.

De stelling van [eiseres] dat de handelwijze van [gedaagde] als werkgever ervoor heeft gezorgd dat de immuuntherapie mogelijk niet aansloeg, is onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft [eiseres] een nieuwsbericht aangehaald dat uit onderzoek blijkt dat stress gekoppeld lijkt te zijn aan een verminderde effectiviteit van immuuntherapie en wijst zij verder op het advies van haar behandelend arts dat chronische stress ondermijnend is voor het immuunsysteem. Maar uit deze stukken volgt nog niet dat het niet aanslaan van de therapie bij [eiseres] ook veroorzaakt is door gestelde stress in de uitoefening van haar werkzaamheden. Niet valt uit te sluiten dat dit gelegen is in andere, buiten het werk gelegen oorzaken. Voor een toewijzing van een schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW ziet de kantonrechter dan ook geen grond.

4.13.

Voor zover de vordering tot schadevergoeding gegrond is op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW, volgt uit het voorgaande tevens dat onvoldoende is gesteld voor het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde schade en de gestelde onrechtmatige handelingen. Daarnaast is onvoldoende gesteld dat [gedaagde] door haar handelwijze heeft gezorgd voor stress. [gedaagde] betwist namelijk dat [eiseres] psychische klachten heeft opgelopen door toedoen van [gedaagde] en dat zij hierdoor schade heeft geleden. [eiseres] heeft ook niet nader onderbouwd welke psychische schade zij heeft geleden. Verder is voldoende vast komen te staan dat al vóór de diagnose van [eiseres] en het starten van de immuuntherapie sprake was van een arbeidsconflict waarin ook [eiseres] een aandeel had. Voor zover al sprake was van stress bij [eiseres] als gevolg van het arbeidsconflict, kan niet gezegd worden dat dit [gedaagde] volledig te verwijten valt. Uit de overgelegde stukken blijkt bovendien dat [gedaagde] zich in de periode na de volledige ziekmelding van [eiseres] heeft gehouden aan haar re-integratieverplichtingen en dat zij pogingen heeft gedaan het arbeidsconflict op te lossen, bijvoorbeeld door mediation te starten en door een extern HR-contactpersoon en een gespecialiseerd extern re-integratiebureau in te schakelen. Ook de vordering op grond van onrechtmatige daad wordt daarom afgewezen.

4.14.

Evenmin blijkt dat [gedaagde] zich niet heeft gedragen als goed werkgever als bedoeld in 7:611 BW. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde] te weinig deed aan de bescherming van [eiseres] . Zoals hiervoor is overwogen, blijkt uit de overgelegde stukken dat [gedaagde] heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Verder is gemotiveerd betwist dat [gedaagde] mediation en re-integratie in het eerste spoor weigerde of daar onredelijke eisen aan stelde.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen. Hieruit volgt dat ook de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade, wordt afgewezen.

Loonvordering

4.16.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] ten onrechte over de periode van 7 september 2023 tot 22 januari 2024 100% van het loon tegen 70% loonwaarde heeft betaald. Weliswaar was zij ziek, maar [gedaagde] had 44% van het loon tegen 100% moeten uitbetalen en het resterende deel tegen 70%, omdat [eiseres] op dat moment weer gedeeltelijk werkte.

4.17.

Hoewel [eiseres] stelt dat zij zich toen voor 44% beter had gemeld, heeft [gedaagde] erop gewezen dat [eiseres] gedurende haar hele ziekteperiode volledig arbeidsongeschikt is geweest. Daarbij is niet betwist dat [eiseres] in de betreffende periode re-integreerde in het tweede spoor. Zij vervulde dus niet haar eigen, bedongen arbeid, maar verrichte vrijwilligerswerk bij een andere organisatie in het kader van haar re-integratie. Dit betekent dat [eiseres] geen recht had op 100% van haar loon voor de uren die zij op arbeidstherapeutische basis werkte. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Transitievergoeding

4.18.

[eiseres] stelt verder dat zij recht heeft op een transitievergoeding, omdat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst na toestemming van het UWV heeft opgezegd per 1 september 2024. Door die opzegging is de transitievergoeding verschuldigd geraakt, ook al is het dienstverband nog voor de opzeggingsdatum geëindigd door het overlijden van [eiseres] . Hiervoor verwijst zij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:7575). [gedaagde] betwist dat [eiseres] recht heeft op een transitievergoeding.

4.19.

Weliswaar vermeldt artikel 7:673 lid 1 onder a sub 1o BW dat een transitievergoeding is verschuldigd als de arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever. Maar uit de bewoording van de overige leden van artikel 7:673 BW volgt dat deze vergoeding is gekoppeld aan het einde van een arbeidsovereenkomst. Ook het doel van deze regeling wijst hierop, namelijk als een compensatie voor het ontslag en om de overgang naar een volgende arbeidsovereenkomst te vergemakkelijken.

4.20.

In dit geval heeft de opzegging van [gedaagde] niet geleid tot het beoogde rechtsgevolg, namelijk het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2024. De arbeidsovereenkomst is namelijk eerder geëindigd op een andere rechtsgrond. Door het overlijden van [eiseres] op [overlijdensdatum] 2024 is de arbeidsovereenkomst immers van rechtswege direct geëindigd op grond van artikel 7:674 BW. Hierbij is geen transitievergoeding verschuldigd, zodat de vordering wordt afgewezen.

Verklaring voor recht vorderingen Belastingdienst

4.21.

De vordering van [eiseres] zoals beschreven onder 3.1 onder iv wordt afgewezen als onvoldoende gesteld. [gedaagde] bestrijdt deze vordering – dat belasting of heffing op eerste aanmaning van [eiseres] door [gedaagde] vergoed moet worden – en stelt terecht dat zij geen invloed op en verantwoordelijkheid voor de fiscale verplichtingen van [eiseres] heeft. Daarbij ontbreekt een nadere toelichting of grondslag voor deze vordering.

Wettelijke verhoging, wettelijke rente

4.22.

Omdat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, zal ook de daarover gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.23.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal worden afgewezen. Nog daargelaten dat de vorderingen niet worden toegewezen, heeft [eiseres] niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Voorlopige voorziening, artikel 223 Rv

4.24.

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] niet langer een spoedeisend belang heeft bij het toekennen van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv. Enerzijds omdat gelijk in de bodemprocedure vonnis gewezen zal worden; anderzijds omdat [eiseres] inmiddels is overleden. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

In het incident: afgifte van en inzage in de overige bescheiden

4.25.

Omdat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, heeft zij geen belang meer heeft in de gevorderde afgifte of inzage in bescheiden in deze procedure voor zover die zien op het voorgenomen ontslag, de non-actiefstelling en het door AN-i uitgevoerde onderzoek. Dat betekent dat de vordering in het incident wordt afgewezen. De proceskosten in het incident zullen worden gecompenseerd.

Proceskosten

4.26.

Een vordering tot vergoeding van de werkelijke kosten van juridische bijstand is alleen toewijsbaar onder bijzondere omstandigheden. Ook de eisen van goed werkgeverschap kunnen onder bijzondere omstandigheden tot zo’n verplichting leiden. Maar als hiervoor al geoordeeld, is niet gebleken dat [gedaagde] zich niet als goed werkgever heeft opgesteld. Van een niet betalen van achterstallig salaris ‘tegen beter weten in’, zoals [eiseres] stelt, is geen sprake. Er is namelijk niet gebleken dat [gedaagde] standpunten heeft ingenomen waarvan zij moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. En weliswaar is hier sprake van een zeer emotioneel proces, maar dat op zichzelf is nog geen reden voor een veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke proceskosten. Van misbruik van procesrecht is verder niet gebleken. De vordering zal daarom worden afgewezen. Rechtbank Amsterdam 20 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1115