Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 280526 arts bij GGZ; burn-out/PTSS; werkdruk hoog maar wg-er heeft adequaat gereageerd; pestgedrag komt niet vast te staan

RBAMS 280526 arts bij GGZ; burn-out/PTSS; werkdruk hoog maar wg-er heeft adequaat gereageerd; pestgedrag komt niet vast te staan

2De feiten

2.1.

Arkin is een van de grootste instellingen voor GGZ in Nederland. Arkin verleent zorg in elf gespecialiseerde behandel- en expertisecentra, waaronder [locatie 1] en Mentrum. [locatie 1] is gespecialiseerd in verslavingszorg en Mentrum richt zich op cliënten met ernstige en langdurige psychiatrische aandoeningen.

2.2.

Op 1 februari 2011 is [eiser] in dienst getreden bij Arkin, [locatie 1] , in de functie van arts niet in opleiding (hierna: ANIOS). Op 15 mei 2013 is [eiser] aangemeld voor de twee jaar durende postdoctorale opleiding Master in Addiction Medicine (hierna: MIAM) aan de [onderwijsinstelling] in [plaats] . Vanaf juni 2013 was de functie van [eiser] arts in opleiding (hierna: AIOS).

2.3.

Gedurende de MIAM opleiding loopt de arts mee op vier verschillende afdelingen. Een van de belangrijkste onderdelen van de opleiding betreft het detoxificatieproces.

2.4.

Op 1 september 2013 is [eiser] gestart met de MIAM opleiding en op 1 oktober 2013 is [eiser] begonnen bij haar eerste opleidingsplek, de [locatie 2] (hierna: HCD) Mentrum op de [adres] . Op deze plek zou zij over het detoxificatieproces leren.

2.5.

Bij e-mail van 16 oktober 2013 heeft [eiser] het opleidingshoofd, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), gevraagd om de samenwerking met haar begeleider, [naam 4] (hierna: [naam 4] ), te bespreken. Vervolgens hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen [eiser] , [naam 3] en [naam 4] . Op 13 januari 2014 heeft [naam 4] [eiser] door middel van een 360-gradenfeedback beoordeeld op haar functioneren. In deze beoordeling zijn positieve punten, maar ook verbeterpunten opgenomen.

2.6.

Op 12 februari 2014 heeft [eiser] zich ziekgemeld. In maart 2014 is [eiser] begonnen met re-integratiewerkzaamheden op de [adres]. De bedrijfsarts heeft na een bedrijfsgezondheidskundig consult op 19 maart 2014 met [eiser] geconstateerd dat sprake was van reële medische klachten en werk- en opleidingsgerelateerde zaken. De bedrijfsarts heeft een gesprek tussen [eiser] en [naam 3] geadviseerd om de werk- en opleidingsgerelateerde zaken te bespreken.

2.7.

Na een gesprek op 13 mei 2014 heeft [naam 3] besloten dat [eiser] de MIAM opleiding niet langer bij Arkin kon vervolgen. Vanaf 1 juni 2014 is [eiser] overgeplaatst naar [locatie 1]. Op 18 augustus 2014 is [eiser] beter gemeld.

2.8.

In de periode van juni 2014 tot en met januari 2015 hebben [eiser] en collega artsen meerdere meldingen gemaakt over de werkdruk. In deze periode vonden er maandelijks gesprekken plaats tussen leidinggevende [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en [eiser] om de productiecijfers te bespreken.

2.9.

Op 20 januari 2015 heeft [eiser] zich opnieuw ziekgemeld. In februari 2015 is [eiser] begonnen met re-integratie.

2.10.

Uit het door Arkin opgestelde Plan van Aanpak volgt dat [eiser] op 20 januari 2015 is uitgevallen als gevolg van overbelasting door grotendeels werkgerelateerde zaken.

2.11.

In oktober 2015 is [eiser] opnieuw volledig uitgevallen. Op 6 november 2015 heeft [eiser] de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat de reden voor uitval werkgerelateerd is en gelegen in knelpunten in de arbeidsrelatie. De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd om een mediaton in te schakelen.

2.12.

Op 27 november 2015 is [eiser] een aantal maanden vrijwillig opgenomen op de crisisdienst van de PAAZ van het [ziekenhuis] in verband met een geagiteerde uitputtingsdepressie, een burn-out met slapeloosheid en een posttraumatische stressstoornis. De psychiater heeft op 27 november 2015 geconstateerd dat overbelasting in de werksfeer in etiologische zin een rol speelt, dat de mediation afspraak hem onder de huidige omstandigheden niet geschikt lijkt en een afspraak met de leidinggevende/werkgever door [eiser] alleen te ontraden is.

2.13.

Het UWV heeft in het deskundigenoordeel van 8 december 2015 geoordeeld dat de re-integratieinspanningen van Arkin onvoldoende waren.

2.14.

Op advies van de bedrijfsarts zijn [eiser] en Arkin op 31 december 2015 met een mediationtraject gestart. De mediation is half mei 2016 afgerond.

2.15.

In het kader van tweede spoor re-integratie heeft [eiser] van augustus 2016 tot begin oktober 2016 werkzaamheden verricht bij Amethist Verslavingszorg.

2.16.

Op 6 juni 2017 heeft de psycholoog van [eiser] onder meer het volgende geschreven aan de bedrijfsarts:

“(…) Op het moment heeft mevrouw niet alleen last van burnout-klachten, maar ook van post traumatische stress klachten vanwege door haar als zeer negatief ervaren gebeurtenissen op het werk de afgelopen 3 jaar.

(…)

Naar mijn idee zijn haar klachten indertijd onvoldoende serieus genomen door zowel de leidinggevende als de bedrijfsarts tijdens de periode van re-integratie. (…)”

2.17.

Medisch adviseur [naam 6] (hierna: [naam 6] ) heeft op 4 juli 2017 een medisch advies opgemaakt. Hierin staat onder meer het volgende:

“(…)

Uit de stukken blijkt dat sprake is van psychiatrische problematiek die in overwegende mate verband houdt met de werksituatie. (…) Overwogen kan worden dat persoonlijkheidsfactoren onderliggend mogelijk relevant zijn geweest, in de zin dat er aanwijzingen zijn voor obsessief compulsieve trekken zoals hoge mate van verantwoordelijkheid, gedrevenheid met een neiging de grenzen van de belastbaarheid over te gaan, doch niet is gebleken dat dit van doorslaggevende betekenis is geweest in etiologische zin.

(…)

G. Conclusie en Beantwoording vraagstelling

1. Het handelen van de bedrijfsarts(en) kan in grote lijnen worden aangemerkt als conform de professionele eisen die daaraan gesteld kunnen worden. Op enkele punten evenwel acht ik de zorg beneden de professionele norm. Deze betreffen het ontbreken van overwegingen rond melding beroepsziekte c.q. melding daarvan bij het NCvB.

En verder ten aanzien van persisteren in directe contacten tussen werkgeven en werknemer na in ieder geval oktober 2016, en deelname aan mediation rond eind 2015.

2. In hoeverre bij adequate re-integratie een bevredigend resultaat zou kunnen zijn bereikt valt niet met zekerheid te zeggen. De werksituatie is gebleken dusdanig stresserend en gecompliceerd te zijn dat terugkeer bij eigen werkgever niet reëel lijkt. Dit wordt ook door de verzekeringsarts van het UWV zo getaxeerd. Re-integratie in het 2e spoor vormt dan de volgende stap en deze werd terecht ingezet maar vanwege toenemende gezondheidsklachten leidde dit niet tot een duurzame re-integratie. In theorie is natuurlijk denkbaar dat bij adequate invulling van de randvoorwaarden t.a.v. de re-integratie, en dan met name perspectief op een bevredigende oplossing voor de werkproblematiek, een bevredigend resultaat zou zijn bereikt in 1e dan wel 2e spoor.

(…)

Met betrekking tot de vraag of er voldoende overleg is geweest met behandelaars en diens adviezen zijn opgevolgd kan ik zeggen dat er informatie overdracht is geweest. Oktober 2016 werd het advies ‘rust’ in die zin meegewogen dat cliënte arbeidsongeschikt werd geacht. Overigens is het niet zo dat een bedrijfsarts per definitie een visie van een behandelend arts rond belastbaarheid dient op te volgen. (…)”

2.18.

Op 24 oktober 2017 heeft Atkin bij het UWV een ontslagvergunning gevraagd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De vergunning is bij beslissing van 16 november 2017 verleend. Bij brief van 28 november 2017 heeft Arkin aan [eiser] laten weten dat haar dienstverband met Arkin met ingang van 8 januari 2018 wordt beëindigd.

2.19.

[eiser] ontvangt sinds 25 januari 2017 een WIA-uitkering en sinds 17 augustus 2018 een IVA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.

2.20.

Op 4 februari 2019 heeft [eiser] aan Arkin een stuitingsbrief gestuurd waarin zij onder meer het volgende heeft geschreven:

“(…) Ik behoud me alle rechten voor die voortvloeien uit de ziekmelding van 12-02-2014 en de alle daaruit voortvloeiende geleden schade en nog te lijden schade. De ziekte is ontstaan en in stand gehouden door arbeidsgerelateerde omstandigheden. (…)”

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis een verklaring voor recht dat Arkin aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de arbeidsomstandigheden en het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen in de periode 2013 – 2018. Daarnaast vordert [eiser] dat gedaagden veroordeeld worden tot vergoeding van alle materiële en immateriële schade die bij [eiser] is ontstaan met nevenvorderingen en veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt hieraan ten grondslag dat bij Arkin sprake was van een verhoogde psychosociale arbeidsbelasting. Het betrof onder meer onduidelijkheid over verwachtingen en functiewaardering, belastende intaketreintjes, structurele problemen in de organisatie en agendavoering, onderbezetting, onduidelijkheid over de registratie van declarabele tijd, geen regie over de agenda, geen ruimte om te pauzeren, onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, het niet uitbetalen van rechtmatig loon en pestgedrag. [eiser] lijdt aan burn-out gerelateerde en psychische klachten die door de werkomstandigheden zijn veroorzaakt. Arkin is haar zorgplicht jegens [eiser] niet nagekomen.

3.3.

Gedaagden voeren primair aan dat de vordering van [eiser] is verjaard. Subsidiair betwisten gedaagden dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden of schending van de zorgplicht. De arbeidsongeschiktheid van [eiser] is een gevolg van een arbeidsrelatie die steeds slechter werd. Het begon met een beoordeling van het functioneren van [eiser] door [naam 4] waar zij zich niet in kon vinden. Gedaagden betwisten de beschuldigingen van het creëren van een onveilig werkklimaat en pestgedrag door [naam 4] . Vervolgens is de opleiding beëindigd vanwege een verstoorde relatie en ging [eiser] weer terug naar de werkvloer. Daar werd zij aangesproken op haar declarabiliteit, ontstond er discussie over de salarisindeling en de functieomschrijving van een verslavingsarts. Er was geen sprake van een structureel te hoge werkdruk. De werkdruk was vergelijkbaar met die van andere GGZ-instellingen en overwerk was niet verplicht. Verder heeft Arkin voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Er is dan ook geen sprake van aansprakelijkheid aan de zijde van Arkin.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Verjaring

4.1.

Volgens gedaagden is de vordering van [eiser] verjaard omdat de termijn waarop de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:310 lid 5 BW is aangevangen, uiterlijk 4 juli 2017 is, en [eiser] Arkin pas op 1 augustus 2023 aansprakelijk heeft gesteld. In reactie hierop heeft [eiser] gewezen op haar stuitingsbrief aan Arkin van 4 februari 2019. Niet in geschil is dat deze brief is aan te merken als stuitingshandeling, maar gedaagden betwisten deze brief te hebben ontvangen. Hierin worden zij worden niet gevolgd. [eiser] heeft met het verzend- en ontvangstbewijs van de stuitingsbrief voldoende onderbouwd dat Arkin de brief heeft ontvangen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vordering niet verjaard is.

Aansprakelijkheid 7:658 BW

4.2.

Uit artikel 7:658 BW volgt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het artikel beoogt de werknemer te beschermen tegen zowel fysiek letsel als psychisch letsel.1

4.3.

[eiser] stelt dat zij lijdt aan psychische klachten, bestaande uit een uitputtingsdepressie, een burn-out met slapeloosheid en PTSS-achtige klachten, die zijn veroorzaakt door omstandigheden op de werkvloer en dat Arkin onvoldoende heeft gedaan om die te voorkomen. Het kan voor de werknemer lastig zijn aan te tonen dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden, in het bijzonder als het gaat om beroepsziekten. De Hoge Raad is de werknemer daarom tegemoet gekomen met de zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel. De werknemer moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij bij het verrichten van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door deze blootstelling kunnen zijn veroorzaakt.2 Meer concreet betekent dit in dit geval dat [eiser] niet alleen de feitelijke oorzaak zal moeten onderbouwen, maar ook of de werkgever een norm geschonden heeft. Psychische aandoeningen kunnen immers niet alleen verschillend van aard zijn en uiteenlopende oorzaken hebben, ook kan daarbij een vraag zijn welke zorg precies van de werkgever mocht worden verwacht ten aanzien van de geestelijke gezondheid van de werknemer. Als de werknemer hierin slaagt, wordt - behoudens tegenbewijs - aangenomen dat sprake is van een causaal verband tussen de schade en de werkzaamheden. Dat vermoeden van causaal verband is niet op zijn plaats als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.3 Als het causaal verband wordt aangenomen, is de werkgever aansprakelijk tenzij hij kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

4.4.

[eiser] stelt dat zij bij Arkin structureel blootgesteld is aan een te hoge werkdruk. Uit de door [eiser] overgelegde e-mails volgt dat [eiser] vanaf juni 2014 herhaaldelijk de hoge werkdruk heeft aangekaart, er in de zomer van 2014 sprake was van onderbezetting en dat collega-artsen in november en december 2014 meldingen hebben gedaan over te volle agenda’s waardoor zij voor bepaalde werkzaamheden te weinig tijd hadden en in pauzes moesten doorwerken. Daarnaast blijkt uit een e-mail van [naam 5] van 2 februari 2015 dat zelfs bij een volledige bezetting de hoeveelheid werkzaamheden te groot is. Verder kan uit de overgelegde e-mails die [naam 5] in 2015 aan [eiser] en haar collega’s heeft gestuurd voldoende worden afgeleid dat er meerdere maanden sprake was van onderbezetting, onder andere door langdurige uitval van een collega van [eiser] . Dat [eiser] veel heeft overgewerkt in de jaren dat zij werkzaam was voor Arkin, heeft Arkin niet weersproken. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de werkdruk op de afdeling bij [locatie 1] in het algemeen en voor [eiser] in het bijzonder, hoog was. Niet is echter komen vast te staan dat Arkin zich zodanig heeft gedragen dat sprake is geweest van enige normschending. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat [eiser] en haar collega’s meerdere meldingen hebben gedaan over de hoge werkdruk. Uit de stukken volgt ook dat leidinggevenden hierop actie ondernomen hebben. Zo toonden de leidinggevenden actief betrokkenheid door medewerkers te bevragen over ervaren problemen, om input te verzamelen over de werkwijze en tijdens werkoverleggen de afwezigheid van collega’s te organiseren. Ook zijn er maatregelen genomen, zoals het veranderen het inplannen van afspraken, het beperken van spreekuren, het opnemen van minder cliënten en het toestaan van kleine blokken in de agenda voor uitlooptijd of administratie. Daarnaast hebben de leidinggevenden specifiek gereageerd op meldingen van [eiser] en gesprekken met haar gevoerd. Verder blijkt dat Arkin actief gezocht heeft naar nieuwe vaste artsen, dat vacatures zijn vervuld en dat bij onderbezetting twee tijdelijke artsen zijn aangenomen. Er is dan ook geen sprake geweest van structurele onderbezetting. [eiser] heeft verder aangevoerd dat zij meer intakes moest doen dan haar collega’s, maar Arkin heeft in reactie daarop toegelicht dat de intakes overzichtelijk waren en dat [eiser] in het kader van re-integratie en aangepast werk mogelijk meer intakes heeft gedaan in plaats van andere meer belastende werkzaamheden. Dat Arkin bewust een te hoge werkdruk bij [eiser] heeft neergelegd en dat zij bewust tijdige en adequate vervanging en ontlasting heeft nagelaten, is niet gebleken.

4.5.

Volgens [eiser] was verder sprake van pestgedrag door [naam 4] , maar dit heeft zij gelet op de gemotiveerde betwisting van gedaagden onvoldoende onderbouwd. De door [eiser] genoemde voorbeelden zijn niet komen vast te staan. Bovendien heeft [naam 3] naar aanleiding van de melding van [eiser] over [naam 4] direct een gesprek ingepland, waarna er werkafspraken zijn gemaakt. Uit de evaluatie van deze afspraken een maand later bleek dat de relatie tussen de partijen was verbeterd. [eiser] stelt dat [naam 4] met de zogeheten 360-gradenbeoordeling haar in een kwaad daglicht wilde stellen. Uit deze beoordeling blijkt echter dat [naam 4] haar functioneren op enkele punten als onvoldoende heeft beoordeeld, terwijl hij ook positieve aspecten heeft benoemd. Dat [naam 4] bewust een negatief beeld van [eiser] heeft willen neerzetten, blijkt hier niet uit. Ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake was van een onveilig werkklimaat verwijst [eiser] naar een inspectierapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de locatie [adres]. Gedaagden hebben toegelicht dat het inspectierapport dateert uit 2016, twee jaar na de periode waarin [eiser] op de [adres] werkzaam was, en daarmee niet ziet op de door [eiser] bedoelde periode. Bovendien heeft het rapport betrekking op de veiligheid rondom de patiëntenzorg en niet op de onveilige werkomgeving waar [eiser] naar verwijst. Deze toelichting is door [eiser] onvoldoende weersproken, waardoor het rapport niet kan worden gebruikt ter ondersteuning van de stelling van [eiser] .

4.6.

Voorts stelt [eiser] dat Arkin haar opleiding op een onbehoorlijke wijze en op oneigenlijke gronden heeft beëindigd, omdat de opleiding slechts kon worden beëindigd na een geschiktheidsbeoordeling door de hoofdopleider en een dergelijke beoordeling niet heeft plaatsgevonden. Gedaagden hebben daartegen ingebracht dat [eiser] met de MIAM opleiding is gestopt vanwege een arbeidsconflict. [eiser] wilde niet langer met [naam 4] samenwerken, en omdat het onderdeel detoxificatieproces alleen onder begeleiding van [naam 4] kon worden gevolgd, was het voor haar niet mogelijk de opleiding af te ronden. Gezien deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat Arkin de opleiding op onrechtmatige of onbehoorlijke wijze heeft beëindigd.

4.7.

[eiser] stelt ook dat Arkin haar onder druk heeft gezet om productiecijfers te halen en daarbij uitging van onjuiste cijfers. Arkin heeft daartegenover aangevoerd dat het sturen op productie normaal beleid is binnen Arkin en dat meerdere medewerkers daarop zijn aangesproken. Daarnaast lijkt het er volgens Arkin op dat [eiser] individuele cijfers verwisselt met groepscijfers, en heeft zij nooit melding gemaakt van onjuiste productiecijfers. Gezien deze toelichting kan niet worden aangenomen dat Arkin [eiser] onder druk heeft gezet. Ook de gesprekken tussen [eiser] en [naam 5] bevestigen dit niet. Tijdens de gesprekken werd besproken hoe de productie verbeterd kon worden en in dat kader werd [eiser] geadviseerd om zich terug te trekken uit het veiligheidscommissienetwerk, omdat de productie van patiëntgebonden-contact prioriteit had boven niet-productie gerelateerde werkzaamheden. [naam 5] heeft bovendien op een gegeven moment aangegeven dat de productie goed verliep en verdere gesprekken niet nodig waren. Verder heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat Arkin haar zwart maakte bij collega’s over haar productie of dat zij werd geïntimideerd door [naam 5] .

4.8.

Niet in geschil is dat [eiser] haar agenda niet zelf kon beheren, maar dat met dit beleid sprake is van schadelijke werkomstandigheden heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de door [eiser] ervaren problemen rondom verlofaanvragen, declaraties en salaris. Verder kan de kantonrechter het zich voorstellen dat [eiser] veel stress heeft ervaren vanwege de herregistratie, maar onvoldoende is gebleken dat het niet kunnen herregistreren te wijten is aan Arkin. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat Arkin geen deugdelijke werkgeversverklaring wilde afleggen.

4.9.

Verder is niet gebleken dat Arkin haar re-integratie-inspanningen heeft veronachtzaamd. Weliswaar heeft het UWV op 8 december 2015 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, maar het UWV heeft Arkin verder nooit maatregelen of sancties opgelegd. Arkin heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. [eiser] heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar psychiater mediation afraadde. Voor zover Arkin al steken zou hebben laten vallen doordat bedrijfsarts de adviezen van de behandelaren naast zich neergelegd heeft en partijen desondanks heeft geadviseerd met mediation te starten en maandelijkse contacten te onderhouden, kan de kantonrechter niet vaststellen, mede gelet op het rapport van [naam 6] , dat dit voor [eiser] nadelige consequenties heeft gehad. Daarnaast volgt uit het door [eiser] overgelegde rapport van [naam 6] dat het handelen van de bedrijfsarts(en) in grote lijnen kan worden aangemerkt als conform de professionele eisen die daaraan gesteld kunnen worden, maar dat op enkele punten de zorg beneden de professionele norm was. Op basis hiervan kan niet worden aangenomen dat Arkin haar werkgeversverplichtingen op ernstige wijze heeft geschonden. [eiser] heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd, gezien de betwisting van Arkin, dat Arkin in 2016 de druk opvoerde om met haar een vaststellingsovereenkomst te sluiten.

4.10.

[eiser] heeft nog enkele andere argumenten opgeworpen die volgens haar maken dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden, maar ook die leiden niet tot die conclusie.

4.11.

Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de werkdruk van [eiser] weliswaar hoog was, maar dat Arkin daarvoor voldoende oog heeft gehad en maatregelen heeft genomen. Van gevaarlijke of schadelijke werkomstandigheden in de zin van artikel 7:658 BW is daarom binnen de gegeven omstandigheden geen sprake geweest. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

Artikel 21 Rv

4.12.

Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende vast komen te staan dat gedaagden in strijd met artikel 21 Rv essentiële voor de beslissing van belang zijnde feiten onvermeld hebben gelaten en aldus de kantonrechter onjuist en onvolledig hebben voorgelicht.

1HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6657 (ABN-AMRO/Nieuwenhuys).

2HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369 (Unilever/Dikmans).

3HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 (SVB/Van de Wege) en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721 (Lansink/Ritsma).

Rechtbank Amsterdam 28 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5370