Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Noord-Holland 310816 strobaal valt op vrachtwagenchauffeur als zelfstandige vrachtwagen lost; geen gebrekkige zaak

Rb Noord-Holland 310816 strobaal valt op vrachtwagenchauffeur als zelfstandige vrachtwagen lost; geen gebrekkige zaak; ook ogv kelderluik-criteria is losser niet aansprakelijk

2 De feiten

2.1.
[x] is vrachtwagenchauffeur van beroep en sinds 23 december 2000 in dienst bij [Naam]

2.2.
[y] is zelfstandig ondernemer en lost – onder meer – vrachtwagens met stro. [y] maakt daarbij gebruik van een verreiker.

2.3.
Op 13 november 2012 heeft [x] met zijn vrachtwagencombinatie een lading strobalen afgeleverd in de buurt van Anna Paulowna.

2.4.
[y] is door [naam] ingehuurd om de strobalen te lossen.

2.5.
[y] heeft bij het lossen van de strobalen gebruik gemaakt van een verreiker.

2.6.
Tijdens het lossen is een aantal strobalen uit de grijper van de verreiker gevallen. [x] is geraakt door een vallende strobaal, achterover gevallen en onder de strobaal terechtgekomen. [x] heeft hierbij letsel opgelopen.

3 De vordering

3.1.
[x] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:
I. oordeelt dat [y] aansprakelijk is voor de door [x] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade voortvloeiende uit het ongeval van 13 november 2012, nader op te maken bij staat;
II. [y] veroordeelt tot betaling van de proceskosten binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.
[x] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de verreiker niet voldeed aan de (veiligheids)eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, hetgeen een bijzonder gevaar oplevert. [y] was bekend met dit aan de verreiker verbonden gevaar en dit gevaar heeft zich verwezenlijkt. [y] is daarom als bezitter van de verreiker krachtens artikel 6:173 Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. Mocht [y] de loswerkzaamheden hebben uitgevoerd in het kader van zijn bedrijf, dan is [y] op grond van artikel 6:181 BW aansprakelijk.

3.3.
Subsidiair stelt [x] dat [y] aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) omdat hij een besturingsfout heeft gemaakt. Daarnaast heeft [y] de op hem rustende zorgplicht geschonden. [y] was bekend met de mogelijkheid dat er strobalen zouden vallen en het gevaar daarvan. [y] had [x] moeten waarschuwen of zo nodig wegsturen.

4 Het verweer

4.1.
[y] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat er geen gebrek was aan de verreiker. Bovendien heeft hij geen stuurfout gemaakt of enige zorgplicht geschonden. Voor zover er al sprake zou zijn van aansprakelijkheid, dan stelt [y] zich op het standpunt dat er sprake is van eigen schuld van [x] . [x] stond immers te dicht in de buurt van de loswerkzaamheden, terwijl hij ermee bekend was dat hij een veilige afstand in acht moest nemen. Tot slot doet [y] een beroep op matiging. Als kleine zelfstandige heeft [y] slechts een klein bedrag ontvangen voor de loswerkzaamheden.

4.2.
Bij conclusie van dupliek heeft [y] erkend dat er sprake is geweest van knieletsel bij [x] , de ribfracturen betwist [y] . Bovendien betwist [y] dat er sprake is van financiële schade die in oorzakelijk verband staat met het ongeval.

5 De beoordeling

5.1.
Aan de orde is de vraag of [y] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [x] is overkomen op 13 november 2012.

5.2.
[x] baseert die aansprakelijk primair daarop dat de verreiker gebrekkig was. [x] stelt daartoe dat het feit de strobalen uit de grijper van de verreiker hebben kunnen vallen er op zich al op wijst dat sprake is van een gebrek. Immers een verreiker is bedoeld om balen stro veilig te laden en te lossen. [x] wijst er voorts op dat het zo moet zijn geweest dat het hydraulische systeem niet naar behoren heeft gewerkt waardoor de klauwen van de grijper niet naar binnen zijn gaan staan.

5.3.
[y] heeft daartegen in gebracht dat er geen sprake was van een gebrek aan de verreiker. Weliswaar beschikt [y] niet over (recente) keuringsrapporten, echter de (grijper van de) verreiker functioneerde naar behoren. [y] gebruikt de verreiker ook nu nog zonder daaraan problemen te ondervinden. [y] wijst er op dat het loskomen van de strobalen meerdere oorzaken kan hebben. Zo kan het zijn dat de strobalen te los geperst waren, waardoor de grijper überhaupt die betreffende balen niet goed kon vasthouden. Ook kan het zo zijn geweest dat na het vastgrijpen van de strobalen, bij het achteruit rijden, de onderkant van de grijper de rand van de aanhanger heeft geraakt waardoor de balen zijn losgeschoten. Dat de onderkant van de grijper de rand van de aanhanger raakt valt volgens [y] goed te verklaren doordat gereden moest worden over niet helemaal vlak liggende betonplaten die ter plaatse als verharding zijn neergelegd. Dat de klauwen van de grijper niet helemaal dicht stonden wijst daarbij volgens [y] niet op een gebrek maar is inherent aan de toegepaste (hydraulische) techniek van de grijper.

5.4.
De kantonrechter oordeelt over de primaire grondslag van de vordering als volgt. [y] heeft gemotiveerd betwist dat er sprake is van een gebrek. Het had derhalve op de weg gelegen van [x] om zijn stelling dat er sprake is van een gebrek nader te onderbouwen. De enkele stelling dat het losschieten van de strobalen automatisch duidt op een gebrek is onvoldoende. Ook de omstandigheid dat de klauwen van de grijper niet helemaal dichtstonden is onvoldoende grond om te oordelen dat sprake was van een gebrek. [x] heeft de stelling van [y] dat het niet helemaal dichtgaan van de klauwen een gevolg is van de toegepaste techniek, niet gemotiveerd weersproken. Deze grondslag kan de vordering derhalve niet dragen.

5.5.
Vervolgens is de subsidiaire grondslag van de vordering aan de orde, er op neerkomende dat [y] aansprakelijk is omdat hij bij het lossen van de strobalen veiligheidsnormen heeft overschreden. [x] stelt daartoe primair dat [y] een bedieningsfout heeft gemaakt; de klauwen van de grijper stonden naar buiten en dat wijst er op dat als er geen sprake is van een gebrek, [y] dus een bedieningsfout heeft gemaakt.

5.6.
[y] heeft daartegen in gebracht dat hij geen bedieningsfout heeft gemaakt. Hij is ervaren en heeft bij het lossen van de vrachtwagencombinatie telkens dezelfde handelingen uitgevoerd.

5.7.
De kantonrechter overweegt als volgt. [x] heeft onvoldoende geconcretiseerd waar de gestelde bedieningsfout uit zou hebben bestaan. Zoals reeds is komen vast te staan duidt de omstandigheid dat de klauwen niet helemaal dichtstonden niet op een gebrek. Dit betekent dat er ook niet automatisch vanuit gegaan kan worden dat er sprake is geweest van een bedieningsfout.

5.8.
Blijft over de vraag of [y] voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen en heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht. De kantonrechter stelt voorop dat deze vraag beantwoord moet worden aan de hand van de zogenaamde Kelderluik-criteria zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1965, NJ 1966, 136 (Kelderluik). Deze criteria houden in dat getoetst moet worden of, gelet op de gevaarlijke situatie, de te vergen zorgvuldigheid vereist dat bepaalde veiligheidsmaatregelen worden getroffen.

5.9.
Bij de beantwoording van de vraag of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt, moet worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

5.10.
Van belang is daarbij het volgende. Niet in geschil is dat [x] bij aanvang van de werkzaamheden ter plaatse van de voorste tandem-as van de vrachtwagen stond. [y] heeft onweersproken gesteld dat de breedte van het oprijpad (bedekt met stelconplaten) zes meter is en dat hij de gehele breedte van het oprijpad nodig had om de strobalen met de grijper van de vrachtwagen te halen. Onweersproken is ook dat de lengte van de achterwagen acht meter is. Vaststaat voorts dat de achterwagen van de vrachtwagen – waarvan gelost zou worden – ter hoogte van het oprijpad stond. Deze gegevens, gecombineerd met de door beide partijen overgelegde situatieschetsen, de maatvoering van de vrachtwagencombinatie en foto’s daarvan, leiden tot de conclusie dat [x] dus in het gras en buiten de stelconplaten stond. De kantonrechter is van oordeel dat [y] , alvorens aan zijn werkzaamheden te beginnen, gehouden is om zich er van te verzekeren dat hij dat veilig, zonder gevaar voor anderen en met name [x] , zou kunnen doen. Daarvan is hier sprake; partijen zijn het er over eens dat de plek ter hoogte van de voorste tandem-as, waar [x] bij aanvang van de werkzaamheden stond, een veilige plek betrof. Na het ongeval lag [x] op de betonplaten. Dat is dichter bij de loswerkzaamheden dan waar [x] eerst stond. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat [x] zich na aanvang van de werkzaamheden dichter in de buurt van de loswerkzaamheden heeft begeven.

5.11.
De vraag die is of op [y] de plicht rustte om [x] te waarschuwen dat hij te dichtbij stond en zo nodig weg te sturen. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden. Bij aanvang van de werkzaamheden stond [x] op een veilige afstand. Van [y] kan vervolgens niet gevergd worden tijdens zijn werkzaamheden steeds in de gaten te houden of [x] zich niet te dichtbij begeeft. De kantonrechter hecht er belang aan dat [x] een ervaren chauffeur is met reeds 18 jaar ervaring, waarvan 12 jaar in dit soort vervoer, en dat [y] daarmee ook bekend was. Bovendien heeft [x] op de zitting ook verklaard zich bewust te zijn van de gevaren en de noodzaak om een veilige afstand in acht te nemen; volgens [x] kunnen vallende strobalen wel een meter of vijf verder terecht komen en het is wel eens eerder gebeurd dat er strobalen zijn gevallen. Dat [x] in de gaten wilde houden of er geen schade berokkend zou worden aan zijn vrachtwagen, valt vanuit het oogpunt van een zorgvuldige chauffeur te begrijpen, doch niet valt in te zien waarom hij zich daarvoor dichter bij de loswerkzaamheden moest begeven. [x] heeft daarvoor ook geen verklaring gegeven. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [y] de op hem rustende zorgplicht om er voor te zorgen dat de veiligheid van personen of zaken niet in gevaar komt, niet heeft verzaakt.

5.12.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [x] zal afwijzen.

5.13.
De proceskosten komen voor rekening van [x] , omdat hij ongelijk krijgt. ECLI:NL:RBNHO:2016:8035