RBMNE 101225 eiseres slaagt niet in het bewijs dat de trap bij de jacuzzi waarop zij uitgleed gevaarzettend is
RBMNE 101225 eiseres slaagt niet in het bewijs dat de trap bij de jacuzzi waarop zij uitgleed gevaarzettend is
2De kern van de zaak
2.1
Op 7 februari 2020 is [eiseres] gevallen bij een bezoek aan [handelsnaam] . Volgens [eiseres] is zij uitgegleden over de trap bij de jacuzzi (hierna: de trap). [eiseres] is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat de trap gevaarzettend is. Zij is niet in deze bewijsopdracht geslaagd. Daarom zullen haar vorderingen worden afgewezen.
3De beoordeling
3.1
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 14 mei 2025. (geen publicatie bekend, red. LSA LM)
Het juridisch kader
3.2
Volgens [eiseres] is de trap een gebrekkige opstal, zoals bedoeld in artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Tijdens de descente is vastgesteld dat de trap niet duurzaam met de grond is verenigd, zodat artikel 6:174 BW niet van toepassing is. De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiseres] op die manier dat zij mede een beroep heeft willen doen op artikel 6:173 BW, aansprakelijkheid voor roerende zaken, en zal ambtshalve deze rechtsgrond aanvullen.
3.3
Artikel 6:173 BW bepaalt dat een bezitter van een roerende zaak, waarvan bekend is dat zij, als deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk is, als dit gevaar zich verwezenlijkt.
3.4
Bij de beantwoording van de vraag of de zaak niet de veiligheid bood die onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, spelen zowel veiligheidsnormen als aan de bezitter van de zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen een rol. Daarom is de vraag of de trap van de jacuzzi gebrekkig is, gerelateerd aan de vraag of [handelsnaam] een zorgplicht heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW.
De trap is niet gebrekkig en [handelsnaam] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres]
3.5
Tijdens de descente heeft de kantonrechter de trap bekeken. Daarbij is vastgesteld dat de trap gemaakt lijkt te zijn van kunststof en dat de treden stroef aanvoelen, ook als deze nat zijn gemaakt en er meer druk op wordt gezet. Anders dan door [eiseres] wordt gesteld, biedt de trap daardoor voldoende weerstand tegen uitglijden en voldoet de trap daarmee aan de eisen die men daaraan mag stellen. Dit geldt temeer, omdat tussen partijen vaststaat dat je vanuit zittende positie op de rand van de jacuzzi op de trap stapt. Daarom is het niet gevaarzettend dat de trap geen trapleuning heeft. [eiseres] heeft verder verwezen naar artikel 3.22 en 4.28 van het Bouwbesluit waarin regels staan over trappen. Omdat de trap geen bouwwerk is als bedoeld in het Bouwbesluit, zijn deze regels daarop niet van toepassing. [eiseres] kan daar dan ook geen geslaagd beroep op doen. Dit alles maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de trap een gebrekkige zaak is. Ook heeft [handelsnaam] door het plaatsen van de trap geen gevaarzettende situatie in het leven geroepen. De conclusie is daarom dat [handelsnaam] niet onzorgvuldig of onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Van aansprakelijkheid van [handelsnaam] is geen sprake.
3.6
Bovendien is niet gebleken dat [eiseres] daadwerkelijk is uitgegleden op de trap. Volgens [handelsnaam] is [eiseres] namelijk uitgegleden op de vloer toen zij achter haar kleinkind aan rende. Dat [eiseres] is gevallen tijdens haar bezoek aan [handelsnaam] staat wel vast. Deze val en de vervelende gevolgen die dit voor [eiseres] heeft gehad en heeft, zijn te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden. [handelsnaam] is daar niet voor aansprakelijk.
Conclusie ten aanzien van de vorderingen
3.7
De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. Rechtbank Midden-Nederland 10 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7860
