Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 220426 val in werkkuil bij gezondheidscentrum; bewijsopdracht t.z.v. toedracht

RBMNE 220426 val in werkkuil bij gezondheidscentrum; bewijsopdracht t.z.v. toedracht

locatie ongeval: https://maps.app.goo.gl/K31LLi4m3YDUKc2G9
 

3De beoordeling

Wat is er gebeurd?

3.1

[eiser] ging op 20 februari 2023 bij het Gezondheidscentrum Opmaat langs om een tromboseprik te halen. Op dat moment was [gedaagde] bij de ingang van het gezondheidscentrum bezig met werkzaamheden aan de straat. [eiser] is over een strook van twee tegels breed naar de ingang gelopen. Naast de tegels was een kuil van meer dan 50 cm diep. [eiser] liep met zijn rug naar de muur om een kastje te ontwijken dat aan de muur van het gezondheidscentrum bevestigd is. Toen [eiser] zich terug omdraaide in de richting van het gezondheidscentrum, is hij in de kuil gevallen.

De kern van de zaak

3.2

De vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden doordat hij in de werkkuil is gevallen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door de werkkuil onbeheerd achter te laten, zonder dat deze was afgezet of dat er waarschuwingsborden stonden om mensen te waarschuwen voor het risico om erin te vallen. [eiser] vindt dat sprake is van gevaarzetting. Dit wordt door [gedaagde] gemotiveerd weersproken.

Het juridisch kader

3.3

Of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting die tot schade heeft geleid, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en de gezichtspunten die de Hoge Raad in het Kelderluikarrest heeft geformuleerd.1 Samengevat houden de gezichtspunten in dat moet worden beoordeeld hoe waarschijnlijk de onoplettendheid of onvoorzichtigheid van de ander is, hoe groot de kans is dat daardoor een ongeval ontstaat, wat de ernst is van de mogelijke gevolgen van zo’n ongeval en in hoeverre het bezwaarlijk is om veiligheidsmaatregelen te nemen.

[eiser] krijgt de gelegenheid om zijn stellingen te bewijzen

3.4

Om te beoordelen of [gedaagde] een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd, zal eerst de toedracht van het ongeluk moeten worden vastgesteld. De standpunten van partijen daarover staan lijnrecht tegenover elkaar.

3.5

[eiser] zegt dat hij omstreeks 8:30 uur in de ochtend vanaf de school van zijn dochter naar het gezondheidscentrum liep. Hij zegt het terrein te hebben betreden vanaf de Oostzijde, via het Strawinskypad en Messiaenplanstoen. Rond 8:40 uur kwam hij bij het gezondheidscentrum aan. Volgens [eiser] was er geen wegversperring en ook geen (alternatieve) looproute aangegeven. De stoeptegels waarover [eiser] de ingang probeerde te bereiken, waren vrij toegankelijk. [eiser] verwijst naar de foto die hij de dag na het ongeluk heeft gemaakt (productie 1 bij de dagvaarding). Op die foto is een strook van twee stoeptegels te zien. De werkkuil is inmiddels dichtgegooid met zand.

3.6

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] het terrein via de Westzijde, vanaf de kant van het winkelcentrum, betreden. [gedaagde] heeft bij zijn mondelinge antwoord aangevoerd dat het terrein vanaf die zijde was afgezet met een hek. [gedaagde] heeft daarbij de rechter gewezen op de tekening die zij toen als productie (3) in het geding heeft gebracht. Op aangeven van [gedaagde] heeft de rechter in de tekening aangegeven waar het hek en waar de schildjes stonden. Het hek en de schildjes stonden bij wijze van versperring rechts van de ingang van het gezondheidscentrum. Ook aan de zijkant van de nieuwe stoep links van de ingang stonden schildjes. Die gaven een veilige looproute naar het gezondheidscentrum aan. [gedaagde] heeft aldus toegelicht dat [eiser] het hekwerk en de schildjes aan de rechterzijde van de ingang genegeerd heeft en het hem duidelijk had moeten zijn dat hij daar niet mocht komen. [eiser] koos voor een smalle doorgang langs de gevel, terwijl er aan de linker zijde van het gezondheidscentrum een veilige route beschikbaar was. [gedaagde] verwijst naar verklaringen van drie getuigen:

[A] (kraanmachinist) verklaart onder andere: “Ik stond onderin de sleuf samen met [B] . (…) Ja alles was duidelijk aangegeven door schildjes en afzethekken. (…) De meneer kwam vanaf het winkelcentrum en hoefde niet langs de kast aan de linkerkant. Hij ging met zijn rug langs de rechterzijde van de ingang waar het medicijnkastje in de muur zit.”

[C] (grondwerker) verklaart onder andere: “De heer [eiser] kwam die dag vanaf de kant van het winkelcentrum aangelopen. (…) Het werkvlak was duidelijk afgezet d.m.v. ‘schrikhekken’ en schildjes. Aan de linkerkant was een stabiele looproute aangelegd hierdoor was het medisch centrum goed en veilig te bereiken voor zowel voetgangers, rolstoelen en rollators.”

[D] (toezichthouder) verklaart onder andere: “(…) Vanaf de rechterkant was de ingang eigenlijk niet bereikbaar, we wilde het gezondheidscentrum van de linkerkant bereikbaar houden maar het gezondheidscentrum vond van 1 kant te weinig en wilde ook recht voor de deur bereikbaar zijn omdat het hier gaat om een druk gezondheidscentrum, vonden zij 1 kant te weinig. (…) Er lag nog een pad langs de gevel waar meneer gebruik van heeft gemaakt om daar te komen moet je wel door een werk vak, ik denk dat meneer al zover was doorgelopen dat teruggaan geen optie meer was en het laatste stuk naar de deur voorlief heeft genomen.

[E] (DGA en voorman ter plekke) verklaart onder andere: “De heer [eiser] kwam van recht vanaf het winkelcentrum. (…)”

3.7

Het staat vast dat [eiser] in een werkkuil gevallen is en zich daarbij heeft bezeerd. De vraag die moet worden beantwoord, is of er ten aanzien van de werkkuil waar [eiser] in gevallen is, en de mogelijke aanwijzingen daarbij, sprake was van gevaarzetting. Op grond van artikel 150 Rv rust op [eiser] de stelplicht en eventueel de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een gevaarlijke situatie te creëren. Omdat [gedaagde] de stellingen van [eiser] gemotiveerd heeft betwist, staat de juistheid van de stellingen van [eiser] en daarmee de toedracht van het ongeval (nog) niet vast. De kern van het geschil over de feiten betreft de zijde van het gezondheidscentrum waarlangs [eiser] naar het gezondheidscentrum is gelopen. [eiser] stelt dat hij via de toegankelijke Oostzijde aan kwam lopen. [gedaagde] heeft dit bestreden en gesteld dat hij van de afgesloten Westzijde aan kwam lopen. Het ligt op de weg van [eiser] om te bewijzen dat hij het terrein vanaf de Oostzijde, via het Strawinskypad en het Messiaenplanstoen, betreden heeft. Daartoe zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld.

Het vervolg

3.8

De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen waarop partijen zich kunnen uitlaten over de wijze waarop zij bewijs en tegenbewijs willen leveren. Indien [eiser] of [gedaagde] respectievelijk het bewijs en het tegenbewijs (mede) wensen te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dienen zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien partijen het (tegen)bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, dienen zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen waarbij er naar gestreefd wordt alle getuigen van beide partijen op één dag te horen.

3.9

Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon, en in het geval van [gedaagde] rechtsgeldig vertegenwoordigd, aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

3.10

De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 40 minuten zal duren. Als [eiser] en [gedaagde] verwachten dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen aktes worden vermeld.

3.11

Partijen moeten er rekening mee houden dat de kantonrechter aansluitend aan het getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan houden om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

3.12

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van bewijslevering.

1HR 5 november 1965, ECLI:NL:AB7079. 

Rechtbank Midden-Nederland 22 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2155