Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 200392 taxi rijdt in bussluis; gemeente handelde onrechtmatig; beroep op ES t.z.v. verkeersovertreding taxi dient nog behandeld te worden

HR 200392 taxi rijdt in bussluis; gemeente handelde onrechtmatig; beroep op ES t.z.v. verkeersovertreding taxi dient nog behandeld te worden

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

a. Op 27 november 1984 omstreeks 01.30 uur heeft zich op de busbaan te Diemen ter hoogte van de Ouderkerkerlaan een ongeval voorgedaan waarbij een taxi merk Opel, kenteken [kenteken 1], eigendom van Rep-Tax, bestuurd door [de bestuurder], in een bussluis is gereden. De taxi is daardoor ernstig beschadigd. Een in de taxi zittende passagier is daarbij gewond geraakt en moest naar het A.M.C. gebracht worden.

b. De bussluis is op 23 december 1983 door de Gemeente Diemen aangelegd ter fysieke ondersteuning van een bij haar besluit van 28 april 1983 genomen verkeersmaatregel die ertoe strekt het desbetreffende weggedeelte af te sluiten voor alle verkeer met uitzondering van het openbaar vervoer. De bussluis bestaat uit een in het wegdek aangelegd gat met rondom zodanige stalen constructies en geleidingsbuizen dat autobussen wel, maar gewone personenauto's de sluis niet kunnen passeren omdat deze vanwege hun smallere wielbasis in dat gat terecht komen.

c. De weg waarin de bussluis zich bevindt is aan beide ingangen voorzien van verkeersborden "verboden voor alle (rij-)verkeer", voorzien van een onderbord "Uitgezonderd lijndienst-bussen", en verkeersborden met het opschrift "bussluis" en een pictogram van een personenauto die gedeeltelijk in een gat in het wegdek is terechtgekomen.

Op het wegdek van de busbaan staat aan weerszijden van de sluis met witte letters "BUS" geschilderd. De busbaan is voorzien van straatverlichting. Naast de bussluis staat een lantaarnpaal.

d. Het speciale waarschuwingsbord "bussluis" sluit qua vorm en kleurstelling (blauwe ondergrond) aan bij de borden die krachtens het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens worden geplaatst ter verstrekking van algemene informatie en is als zodanig niet direct als waarschuwingssignaal herkenbaar.

e. Ten tijde van het ongeval genoot het verschijnsel bussluis geen algemene bekendheid.

3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de Gemeente door het aanleggen en in stand houden van de bussluis een verkeersgevaarlijke situatie heeft gecreëerd en dusdoende onrechtmatig jegens Rep-Tax heeft gehandeld.

De vraag of een bepaalde handeling een zodanig gevaar voor eens anders persoon of goed in het leven roept dat zij jegens de ander, die daardoor schade lijdt, onrechtmatig is, moet door de rechter naar de gewone hiervoor geldende rechtsregels worden beoordeeld, ook wanneer die handeling is verricht door een gemeente bij de uitvoering van haar taak ter zake van de openbare wegen waarvoor zij de zorg heeft.

Het eerste onderdeel van het middel, waarin wordt betoogd dat het Hof in dit geval een andere en meer beperkte maatstaf had moeten aanleggen, faalt derhalve.

3.3 Het tweede onderdeel bestrijdt in zijn subonderdelen a tot en met d 's Hofs oordeel dat de Gemeente onrechtmatig jegens Rep-Tax heeft gehandeld.

Vooropgesteld moet worden dat in het algemeen op de gemeente die moet zorgen dat een openbare weg in goede staat verkeert, de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Hieruit vloeit voort dat, wanneer de gemeente ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, zij door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor zorg behoort te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij de gemeente mede in aanmerking heeft te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Indien deze veiligheid niet voldoende kan worden gewaarborgd, dient de gemeente van een zodanige inrichting van de weg af te zien.

Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat de Gemeente, teneinde kracht bij te zetten aan een door verkeersborden aangegeven inrijverbod, een gat in het wegdek heeft doen aanbrengen om andere voertuigen dan autobussen feitelijk te beletten het betreffende weggedeelte, een busbaan, te berijden, waardoor een voor verkeersdeelnemers, die zich op dat weggedeelte begeven, gevaarlijke situatie in het leven is geroepen. Ter voorkoming van ongelukken heeft de Gemeente geen andere beveiligingsmaatregelen getroffen dan die welke hiervoor in 3.1 onder c en d zijn vermeld.

Met zijn oordeel dat de Gemeente aldus onrechtmatig jegens Rep-Tax heeft gehandeld, heeft het Hof een juiste toepassing gegeven aan de hiervoor omschreven maatstaf. Evenzeer heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat het belang van bevordering van een vlotte doorstroming van het openbaar vervoer het scheppen van voornoemde voor de veiligheid van personen en zaken gevaarlijke situatie niet kan rechtvaardigen.

De in onderdeel II onder a tot en met d aangevoerde klachten stuiten hierop af.

3.4 Onderdeel II onder e bevat de klacht dat het Hof in rov. 4.6 en 4.7 een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door het beroep van de Gemeente op eigen schuld aan de zijde van Rep-Tax te verwerpen. Deze klacht treft doel. Het Hof is er immers van uitgegaan dat de bestuurder van de Rep-Tax toebehorende auto een inrijverbodsbord heeft genegeerd en heeft veronderstellenderwijs aangenomen dat de bestuurder dusdoende zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de wegenverkeerswetgeving. Gelet op deze omstandigheid is de verwerping van het beroep op eigen schuld zonder nadere redengeving niet begrijpelijk, ook niet in het licht van 's Hofs overweging (rov. 4.6) dat de bestuurder "moest rekening houden met de mogelijkheid van een bekeuring, niet met de aanwezigheid van een valkuil". Indien het Hof hiermede tot uitdrukking heeft gebracht dat bij de bestuurder schuld ontbreekt omdat deze geen rekening behoefde te houden met de wijze waarop in dit concrete geval de schade is ingetreden, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting: voor schuld van de bestuurder is slechts vereist dat hem van de verkeersovertreding een verwijt kan worden gemaakt. En indien het Hof hiermede tot uitdrukking heeft gebracht dat deze schade gezien de wijze waarop zij is ingetreden niet als gevolg van zijn overtreding aan de bestuurder kan worden toegerekend, heeft het miskend dat bij overtreding van een verkeersnorm een beschadiging van een voertuig, die zonder die overtreding niet zou ontstaan, aan de overtreder kan worden toegerekend, ook als zij in het concrete geval is ontstaan op een wijze die buiten de lijn der normale verwachtingen ligt.Hoge Raad 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549

zie ook PG Mok:  Parket bij de Hoge Raad 17 januari 1992, ECLI:NL:PHR:1992:52

Daaruit:

2. Het bestreden arrest en de klachten daartegen

2.1. In het arrest van het hof zijn twee elementen te onderscheiden:

a. Door de bussluis aan te leggen en in stand te houden heeft de gemeente onrechtmatig gehandeld jegens Rep-Tax (r.o. 4.3., uitgewerkt in r.oo. 4.4 .- 4.5.).

b. Dat de bestuurder van de Rep-Tax toebehorende auto een inrijverbod heeft genegeerd brengt niet mee dat van eigen schuld sprake is. Deze chauffeur behoefde geen rekening te houden met wat het hof (het enigszins malicieus gekozen woordgebruik van de m.v.gr. volgend) een "valkuil" noemt. Het verschijnsel bussluis genoot destijds geen algemene bekendheid (r.o. 4.6. ) . Het aangebrachte waarschuwingsbord was volgens het hof (r.o. 4.7.) onvoldoende om ook maar de geringste mate van eigen schuld aan te nemen.

2.2. Het middel voert in zijn eerste onderdeel tegen de overweging dat de aanleg van de bussluis onrechtmatig jegens Rep-Tax was, een samengestelde rechtsklacht aan, waarvan het hoofdelement is dat het hof hier geen volledige (doch slechts een marginale) onrechtmatigheidstoetsing had mogen aanleggen.

Het (subsidiair voorgestelde) onderdeel II voert tegen de door het hof aangelegde toetsing een reeks rechts- en motiveringsklachten aan.

3. Is (de aanleg en instandhouding van) een bussluis onrechtmatig?

3.1. Het hof kan voor zijn opvatting steun hebben gevonden in het arrest- Ferwerderadeel van de Hoge Raad2. Aldaar is overwogen:

"dat op de gemeente de verplichting rust er voor te waken, dat de toestand van het wegdek de veiligheid van personen en goederen, wier vervoer met de normale omzichtigheid langs zoo'n weg plaats vindt, niet in gevaar brengt, en de gemeente, indien zij blijft beneden de eischen, welke die verplichting haar stelt, jegens den weggebruiker, welke dientengevolge schade lijdt, een onrechtmatige daad pleegt;

dat, anders dan het middel wil, de vraag of de gemeente, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - waarbij ook het financieel belang der gemeente en de belangen der weggebruikers in beginsel een rol kunnen spelen - de juiste grenzen in acht nam, staat ter beoordeling van de rechterlijke macht;

dat zulks slechts anders zoude zijn, indien de gemeente in eenig voorschrift van geschreven of ongeschreven recht eenige bijzondere vrijheid mocht vinden om naar eigen inzicht te oordeelen of zij in den, de veiligheid van het verkeer rakenden, toestand van den bij haar in onderhoud zijnden openbaren weg al dan niet zou voorzien, maar zoodanig voorschrift niet aanwezig is;".

3.2. In Ferwerderadeel viel een motorrijder op een weg, die voor motorrijders openstond, in een door gebrekkig onderhoud aanwezige "diepe inzinking", waartegen de gemeente het verkeer niet had gewaarschuwd. Tussen het feitencomplex in die zaak en dat in de onderhavige zaak bestaan de volgende relevante verschillen:

- de weg waarop hier het ongeval heeft plaats gevonden, stond niet voor personenauto's open, hetgeen meebrengt dat aan de in het arrest-Ferwerderadeel gestelde eis, dat het "vervoer met de normale omzichtigheid" plaats vond, niet was voldaan. Het negeren van een inrijverbod is met die eis niet te verenigen;

- in de onderhavige zaak moet er van worden uitgegaan dat de gemeente wel voor de aanwezige "inzinking" heeft gewaarschuwd;

- volgens het middel heeft de gemeente hier, gezien de aan haar toevertrouwde belangen, in redelijkheid kunnen komen tot het aanleggen van de bussluis. Men mag dat aldus vertalen dat de gemeente, in de termen van de laatste boven geciteerde overweging uit het arrest-Ferwerderadeel, wel de vrijheid kon vinden tot de geïncrimineerde gedraging.

3.3. Het hof heeft klaarblijkelijk (r.o. 4.5.) aangenomen dat de bussluis is aangelegd ter bevordering van vlotte doorstroming van het openbaar vervoer. Het heeft voorts verondersteld dat vlotte doorstroming van het openbaar vervoer in het algemeen belang is.

Het is duidelijk dat de afsluiting van de weg voor ander verkeer dan lijndienstbussen en de aanleg van een bussluis (met het daaraan verbonden risico) op zichzelf een nadeel vormen, ook in de zin van de wegenverkeerswetgeving: het is immers een aantasting van de vrijheid en veiligheid van het overige verkeer.

De afweging van de voor- en nadelen van (de instelling van de vrije busbaan en) de aanleg van de bussluis behoort tot het domein van de beleidsvrijheid van (hier) de gemeente. De rechter mag die afweging, zoals het middel terecht aanvoert, slechts marginaal toetsen3.

Het hof heeft het nagestreefde doel van algemeen belang gesteld tegenover de "opzettelijke beschadiging van personenauto's". Met enige goede wil zou men hier van impliciete marginale toetsing kunnen spreken door te stellen dat bevordering van de vlotte doorstroming van het openbaar vervoer in redelijkheid niet het opzettelijk beschadigen van personenauto's kan rechtvaardigen.

De door het hof in r.o. 4.5. gevolgde redenering (ook al in r.o. 4.3. tot uiting komend) inhoudend dat de aanleg van een bussluis tot opzettelijke4 beschadiging van personenauto's leidt, is (daargelaten of dit niet ultra petitum is), in tegenspraak tot het veronderstelde beleidsdoel: bevordering van vlotte doorstroming van het openbaar vervoer. Wanneer een personenauto in het gat van de sluis is gevallen, kan de bus er - totdat de auto er weer uitgetakeld is - niet meer door. Uitgaande van het veronderstelde beleidsdoel kan de wil van de gemeente er niet op gericht zijn geweest dat personenauto's in het gat zouden vallen, maar dat zulke auto's zich er door de "sluis" van zouden laten weerhouden (wederrechtelijk) de busbaan te volgen. Het mag waar zijn, zoals het hof in 4.3. ook heeft overwogen, dat de gemeente opzettelijk een verkeersgevaarlijke situatie heeft gecreëerd, zij heeft dit kennelijk gedaan met het oog op afschrikking en niet met het oog op het toebrengen van schade.

De bevordering van de doorstroming van het openbaar vervoer mocht derhalve niet worden afgewogen tegen het opzettelijk beschadigen van personenauto's, doch slechts tegen het in het leven roepen van een risico voor personenauto's (dat ook bij andere door de overheid genomen fysieke verkeersmaatregelen - met inbegrip van het aanleggen van gelijkvloerse spoorwegovergangen en ophaalbare bruggen - kan ontstaan) . Dat is echter een afweging die de gemeente toekwam. Deze afweging heeft het hof als zodanig niet getoetst.

3.4. Overigens meen ik dat laatstbedoelde afweging marginale toetsing zou kunnen doorstaan. Met instemming citeer ik de namens de gemeente op het middel gegeven toelichting (nr. 9):

"Bij het bevorderen van de verkeersveiligheid zien gemeenten zich gesteld voor het verschijnsel dat verkeersregels en -tekens zoals verbodsborden min of meer massaal worden genegeerd. Iedereen die de moeite neemt daarop attent te zijn kan zien hoe weggebruikers, alsof het de normaalste zaak van de wereld is, in een verboden richting of op een voor hen verboden weggedeelte rijden e.d. Slechts een fractie van deze overtreders loopt tegen de straf- of civielrechtelijke lamp. In de meeste gevallen worden zij niet voor de consequenties van hun gedrag gesteld en kunnen zij ongehinderd hun gang gaan. Er zijn echter ( ... ) wettige beleidsinstrumenten waarmee naleving van het verbod wordt afgedwongen. Daartoe behoort ( ... ) ook de bussluis."

Hieraan voeg ik toe dat het niet alleen om het bevorderen van de verkeersveiligheid, maar ook (hier: vooral) om het bevorderen van de vrijheid van het overige verkeer (waaronder het openbaar vervoer) gaat.

Men kan voorts de aanleg van een bussluis (omdat, naar uit de stukken - zie ook r.o. 4.4. van het bestreden arrest - valt af te leiden, een aantal bestuurders van personenauto's het enkele inrijverbod bij de busbaan negeert) niet vergelijken met het ongerepareerd laten van een gat in de weg, als in Ferwerderadeel.

In dit verband verdient vermelding dat de gemeente bij c.v.d. in prima heeft aangevoerd dat het treffen van voorzieningen ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen toelaatbaar is en die stelling heeft onderbouwd door een passage uit de, op verzoek van het ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgebrachte, "Aanbevelingen" in het geding te brengen5.

3.5. Uit het bovenstaande volgt dat het hof in r.o. 4.3. ten onrechte tot de bevinding is gekomen dat de gemeente door de bussluis aan te leggen en in stand te houden, onrechtmatig heeft gehandeld. Onderdeel I (a) van het middel, te lezen in samenhang met subonderdeel II.a.2., keert zich daartegen terecht.

De overwegingen van het hof over de vraag of er sprake was van eigen schuld bij (de chauffeur van) Rep-Tax en onderdeel II (behalve subonderdeel a.2.) van het middel behoeven derhalve geen bespreking. Hetzelfde geldt voor onderdeel I (b), maar zoals in § 3.4. uiteengezet, meen ik dat dit op zichzelf ook gegrond is.

4. Afdoening; onrechtmatigheid in concreto?

4.1. Ook al is de aanleg en instandhouding van een bussluis op zichzelf niet onrechtmatig, daarvan zou door begeleidende omstandigheden toch sprake kunnen zijn. Het nodeloos in het leven roepen van een groter gevaar voor een ander dan waarop een normaal mens bedacht moet zijn is in strijd met de zorgvuldigheidsnorm, dus met ongeschreven recht6.

4.2. De rechtbank was (r.o. 5) tot de slotsom gekomen dat de aanleg van een bussluis niet onrechtmatig is, "mits voldoende duidelijk is aangegeven dat personenauto's daar niet zijn toegelaten en welk gevaar aanwezig is voor dit niet-toegelaten verkeer".

Volgens de rechtbank was aan de door haar gestelde (hierboven gecursiveerde) voorwaarde voldaan. Tegen de overweging dat het gevaar voor het niet-toegelaten verkeer voldoende duidelijk was aangegeven, was Rep-Tax opgekomen in haar appelgrieven II en III (weergegeven in r.o. 2 van het bestreden arrest), welke grieven door het hof niet, althans niet uitputtend, zijn behandeld.

4.3. De vraag is nu of de vaststaande feiten voldoende grond bieden voor de bevinding dat deze grieven niet kunnen slagen.

- Omstreden is of de straatverlichting brandde. De rechtbank heeft op grond van een politierapport aangenomen van wel, maar Rep-Tax heeft dit in grief II aangevochten.

Vaststaat dat aan beide zijden van de bussluis

- zich borden bevonden met het opschrift bussluis en een pictogram van een personenauto die gedeeltelijk in een gat in het wegdek is terechtgekomen7;

- op het wegdek met witte letters "BUS" was geschilderd.

Bovendien bevond de bussluis zich aan het begin van de busbaan, die was aangegeven met een bord "gesloten in beide richtingen voor bestuurders" (rode cirkel om wit vlak), met een onderbord dat een uitzondering voor lijndienst-bussen aangaf. De busbaan begon bij een T-kruising en in de zijstraat en in de zijstraat die de verbinding gaf met de busbaan stond (met hetzelfde onderbord) aangegeven dat het verboden was linksaf (resp. rechtsaf) te slaan8.

4.4. Ook indien men aanneemt dat de straatverlichting niet gebrand heeft en dat het regende, is het niet aannemelijk dat de chauffeur in het licht van zijn eigen koplampen de waarschuwingen voor de bussluis niet heeft kunnen zien.

Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat vaststaat dat de taxi op een voor personenauto's verboden weggedeelte reed en dat niet is gesteld dat de chauffeur zich daarvan niet bewust was. Dat had voor de chauffeur aanleiding moeten zijn met meer dan normale voorzichtigheid te rijden en versterkt bedachtzaam te zijn op waarschuwingen of hindernissen. Van belang is voorts dat het bedoelde "bussluis"-bord (zie voetnoten 7 en 8), ongeacht het feit dat het geen officieel verkeersteken was en ongeacht de kleur en vorm daarvan, zeer beeldend is en zich niet tot een andere uitleg leent dan die welke de rechtbank daaraan gegeven heeft.

4.5. Mijn slotsom is derhalve dat de door het hof niet (uitputtend) behandelde grieven niet kunnen slagen zodat het hoger beroep in zijn geheel verworpen had behoren te worden.

De Hoge Raad kan op die voet de zaak zelf afdoen.Parket bij de Hoge Raad 17 januari 1992, ECLI:NL:PHR:1992:52