Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 020726 geen letsel; schade auto na uitwijken op smalle landbouwweg; hoogteverschil berm onvoldoende gevaarzetting

RBDHA 020726 geen letsel; schade auto na uitwijken op smalle landbouwweg; hoogteverschil berm onvoldoende gevaarzetting

2De feiten

2.1.

De [straatnaam] is een landbouwweg van 3,80 meter breed, bestemd voor verkeer uit beide richtingen met een toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Aan weerszijden van de weg liggen watergangen. De [straatnaam] is in het najaar van 2023 opnieuw geasfalteerd. De weg is aan beide zijden voorzien van kantmarkeringen (een doorgetrokken streep). De Gemeente heeft bij het opnieuw asfalteren van de [straatnaam] drie passeerstroken aangebracht. De Gemeente laat twee keer per jaar, in het voorjaar en het najaar, de berm schouwen en waar nodig aanvullen door een aannemer. In het voorjaar van 2024 is de berm geschouwd, maar bestond er geen aanleiding om herstelwerkzaamheden aan de berm uit te voeren.

2.2.

[eisende partij] reed op 13 juni 2024 omstreeks 18:58 uur op de [straatnaam] te [plaats] . [eisende partij] kwam na een bocht op de [straatnaam] een tegenligger tegen. Om deze tegenligger te passeren is [eisende partij] op ongeveer 32,5 meter na de bocht op een recht stuk van de [straatnaam] met een snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur naar rechts uitgeweken en daarbij in de berm gereden, waarbij hij een lekke band heeft gekregen en waarbij schade is ontstaan aan zijn velg. Tussen het wegdek en de berm zit een hoogteverschil. De auto van [eisende partij] is door de ANWB naar een garage gebracht, die de auto heeft gerepareerd. De schade bedraagt € 28.753,79.

2.3.

Op circa 25 meter van de ongevalslocatie ligt één van de drie passeerstroken, aan de zijde van de tegenligger. De tegenligger heeft geen gebruik gemaakt van deze passeerstrook. Ook heeft de tegenligger geen gebruik gemaakt van de nabijgelegen inrit.

2.4.

[eisende partij] heeft vervolgens de Gemeente aansprakelijk gesteld voor zijn schade. [eisende partij] heeft daarbij gesteld dat het hoogteverschil tussen de weg en de berm ervoor heeft gezorgd dat hij schade heeft geleden en dat dit een gevaarlijke situatie oplevert, waarvoor de Gemeente op grond van haar zorgplicht maatregelen had moeten treffen.

2.5.

De Gemeente heeft de aansprakelijkheidsstelling doorgezet naar haar verzekeraar, Melior. Melior heeft de aansprakelijkheid afgewezen en zich op het standpunt gesteld dat de [straatnaam] voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

3Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024, althans de datum van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

3.2.

[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Gemeente haar zorgplicht heeft geschonden, door geen voorzorgsmaatregelen te nemen om het voorzienbare gevaar van de [straatnaam] te ondervangen. Als de Gemeente dit wel had gedaan, was het ongeval nooit gebeurd en had [eisende partij] geen schade aan zijn auto opgelopen.

3.3.

De Gemeente betwist de vorderingen. De Gemeente concludeert tot afwijzing van de vordering van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

De bevoegdheid van de kantonrechter

4.1.

De kantonrechter behandelt en beslist in zaken waarin het om een vordering van maximaal € 25.000,- gaat, tenzij de rechtstitel die € 25.000,- te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist.1 Zowel de buitengerechtelijke incassokosten, als de wettelijke rente moeten worden meegenomen in de berekening van de hoogte van de vordering.

4.2.

[eisende partij] neemt in zijn dagvaarding afstand van € 2.000,-, waardoor zijn vordering € 25.000,- bedraagt, maar hij vordert ook dat dit bedrag wordt vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten (€ 3.750,-) en de wettelijke rente (€ 898,63). De totale vordering komt hierdoor neer op € 29.648,63. De vordering beloopt dus een hoger bedrag dan € 25.000,- waardoor de kantonrechter niet bevoegd is.

4.3.

Ter zitting heeft [eisende partij] uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn (eventuele) recht op het meerdere van € 25.000,-, zodat de kantonrechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen en daarop te beslissen.

De aansprakelijkheid van de Gemeente

4.4.

De vraag in dit geschil is of de Gemeente op grond van artikel 6:162 BW, dan wel op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade van [eisende partij] .

4.5.

Voor aansprakelijkheid van de Gemeente op grond van artikel 6:162 BW is vereist dat vastgesteld kan worden dat het ongeval het gevolg is van een weginrichting die, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, een gevaar oplevert voor weggebruikers. Verder dient te worden beoordeeld hoe groot de kans op de verwezenlijking van het gevaar op ongevallen is, waarbij van belang is of zich eerder soortgelijke ongevallen hebben voorgedaan. Ook is vereist dat vastgesteld kan worden dat de Gemeente op de hoogte was van de (gevaarzettende) situatie, dan wel dit bij haar bekend had moeten zijn, en dat van haar redelijkerwijs (eerder) maatregelen gevergd konden worden. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’.2 Deze kelderluikcriteria zijn ook van belang bij de beoordeling van de vraag of, zoals [eisende partij] stelt, door de Gemeente is gehandeld in strijd met artikel 6:162 BW doordat de Gemeente niet ingreep in de gevaarzettende situatie. Voor de aansprakelijkheid van de wegbeheerder is ook vereist dat de wegbeheerder een verwijt moet kunnen worden gemaakt. 3 Stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die in dat verband van belang zijn, rusten op [eisende partij] .

4.6.

[eisende partij] heeft toegelicht dat de weg te smal is voor twee auto’s om elkaar te passeren, dat zijn tegenligger geen gebruik maakte van de passeerstrook of de inrit, en dat hij daardoor met een snelheid van 25 km per uur in berm is gereden om uit te wijken. Hierdoor heeft hij schade aan zijn auto opgelopen doordat er een groot hoogteverschil bestaat tussen de weg en de berm. Volgens [eisende partij] weet de Gemeente dat de weg te smal is en is het voor de Gemeente voorzienbaar dat hierdoor gevaar ontstaat, wat de Gemeente onvoldoende heeft ondervangen met passeerstroken. Volgens [eisende partij] moet ook de berm te allen tijde fungeren als uitwijkmogelijkheid en nu dit niet het geval is, heeft de Gemeente onrechtmatig gehandeld. De Gemeente meent dat er geen sprake is van gevaarzetting, omdat zij voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen. Ook meent de Gemeente dat [eisende partij] ervoor had kunnen kiezen om te remmen en zijn tegenligger te dwingen uit te wijken naar de passeerstrook, waardoor hij niet naar de berm had hoeven uitwijken. Door zonder de vereiste alert- en oplettendheid in acht te nemende berm te betreden heeft [eisende partij] volgens de Gemeente het risico dat daarmee gepaard gaat, op de koop toegenomen.

4.7.

De kantonrechter oordeelt dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door een gevaarlijke situatie in stand te laten. De kantonrechter licht dat als volgt toe.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de weg een landbouwweg buiten de bebouwde kom is, 3,8 meter breed is en bestemd is voor verkeer uit twee richtingen. Dat betekent dat weggebruikers elkaar moeten passeren. Ook is niet in geschil dat de weg niet breder kan worden gemaakt in verband met watergangen aan beide zijden van de weg. Partijen zijn het verder met elkaar eens dat door de breedte van de weg niet alle weggebruikers elkaar op het wegdek kunnen passeren. De Gemeente heeft echter maatregelen getroffen om de gevolgen van deze weginrichting te ondervangen. De Gemeente heeft namelijk (i) drie passeerstroken aangelegd; (ii) lantaarnpalen langs de weg geplaatst zodat er in het donker voldoende zicht op de weg is; en (iii) de weg voorzien van kantmarkeringen, waardoor duidelijk zichtbaar is waar de weg eindigt en de berm begint. Dit is door [eisende partij] niet betwist.

4.9.

[eisende partij] meent echter dat ondanks deze maatregelen toch sprake is van een gevaarzettende situatie, doordat er een groot hoogteverschil bestaat tussen de weg en de berm, waardoor de berm niet te allen tijde een veilige uitwijkmogelijkheid biedt op de smalle weg. Hierdoor is volgens [eisende partij] sprake van gevaarzetting, wat voor de Gemeente voorzienbaar was.

4.10.

De kantonrechter gaat daar niet in mee. Het staat weliswaar vast dat er een hoogteverschil is tussen de weg en de berm, maar ander dan [eisende partij] betoogt, brengt het enkele feit dat er sprake is van een hoogteverschil tussen de weg en de berm nog niet met zich dat er sprake is van gevaarzetting. Enig niveauverschil tussen de weg en de berm is bij landelijke wegen niet ongebruikelijk. Weggebruikers zullen er bij de door hen in acht te nemen voorzichtigheid rekening mee moeten houden dat wegen, inclusief de berm, niet steeds in perfecte staat verkeren. Daar komt bij dat het einde van de weg duidelijk wordt aangeven door een doorgetrokken streep aan beide zijden. Het is verkeersdeelnemers niet toegestaan om over een doorgetrokken streep te rijden.

4.11.

De kantonrechter oordeelt dat de Gemeente voldoende maatregelen heeft genomen om de gevolgen van de smalle weg te ondervangen en dat de weginrichting geen gevaar oplevert, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan. Het hoort bovendien tot de in het algemeen in acht te nemen voorzichtigheid van een weggebruiker om ervoor te zorgen dat hij voldoende zicht heeft op de weg en de nodige voorzichtigheid in acht neemt om tijdig te kunnen anticiperen op de situatie. Volgens vaste jurisprudentie strekt de op de wegbeheerder rustende zorgplicht niet zo ver dat rekening behoort te worden gehouden met weggebruikers die niet de in het algemeen te vergen voorzichtigheid in acht nemen.

4.12.

Daarbij is van belang dat de Gemeente niet bedacht hoeft te zijn op een situatie waarin een automobilist bij daglicht op de landbouwweg zich plotseling geconfronteerd ziet met een tegenligger die geen gebruik maakt van de uitwijkmogelijkheden op een passeerstrook of een inrit, waardoor de automobilist met een snelheid van 25 km per uur de berm inrijdt in plaats van te stoppen of stapvoets de tegenligger te passeren. De kans dat een dergelijke situatie voorkomt is klein en de kans dat een automobilist, die ervoor kiest om de berm in te rijden met een dergelijke snelheid waardoor dusdanige schade aan zijn auto ontstaat, is nog kleiner. Voor zover [eisende partij] door de tegenligger ‘gedwongen’ zou zijn uit te wijken naar de berm, omdat de tegenligger geen gebruik maakte van de passeerstrook, dan wel de inrit, kan dit niet aan de Gemeente worden tegengeworpen.

4.13.

Daar komt bij dat de Gemeente geen eerdere meldingen over deze weg heeft ontvangen. [eisende partij] stelt weliswaar dat de Gemeente meerdere meldingen heeft gehad over de gevaarlijke situatie ter plaatse, maar heeft deze stelling, die door de Gemeente wordt betwist, onvoldoende onderbouwd. De door [eisende partij] overgelegde getuigenverklaring van een buurtbewoner waarin staat dat deze getuige meerdere voorvallen en bijna-ongevallen op deze weg heeft gezien, toont namelijk niet aan dat er bij de Gemeente meldingen zijn gedaan over een eventuele gevaarzettende situatie. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de Gemeente op de hoogte was van een eventuele gevaarzettende situatie, dan wel dat dit bekend bij haar had moeten zijn, en dat van haar redelijkerwijs (eerder) maatregelen gevergd konden worden. De kantonrechter gaat niet mee met het betoog van [eisende partij] dat de Gemeente moet aantonen dat zij geen meldingen heeft ontvangen over deze weg. Hiermee gaat [eisende partij] voorbij aan het gegeven dat de stelplicht en bewijslast bij hem ligt.

4.14.

Voorts is het beleid van de Gemeente dat zij twee keer per jaar de berm door een aannemer laat schouwen en waar nodig laat opvullen. De Gemeente heeft onweersproken toegelicht dat er in het voorjaar van 2024 geen aanleiding bestond om de berm op te vullen. Het standpunt van [eisende partij] dat in mei 2025 de berm is opgevuld, waardoor de Gemeente zou erkennen dat er een gevaarzettende situatie was, gaat niet op. Het gegeven dat een jaar na het ongeval de berm is opgevuld, toont geenszins aan dat voor het ongeval sprake was van een gevaarzettende situatie, waarvan de Gemeente op de hoogte was, dan wel had moeten zijn, en waartegen zij eerder maatregelen had moeten nemen. De Gemeente heeft onweersproken toegelicht dat het gebruikelijk is om eventuele herstelwerkzaamheden uit te voeren naar aanleiding van bij haar binnengekomen meldingen, naast de gebruikelijke halfjaarlijkse schouwen.

4.15.

Gelet op al het bovenstaande concludeert de kantonrechter dan ook dat bij een normale oplettendheid van weggebruikers de betreffende weg geen gevaar oplevert voor weggebruikers. Om die reden is de Gemeente ook niet gehouden tot het nemen van extra onderhouds- en veiligheidsmaatregelen. De op de Gemeente als wegbeheerder rustende zorgplicht strekt ook niet zover dat elke oneffenheid, van welke aard ook, dient te worden verwijderd. Naar het oordeel van de kantonrechter is een dergelijke onderhoudstoestand als ter plaatse ten tijde van het ongeval geenszins ongebruikelijk voor een weg en berm als deze. Ook voldoet de weg aan het niveau dat van de wegbeheerder voor een dergelijke weg mag worden verwacht. Van de Gemeente hoeft niet te worden verwacht dat zij naast de reeds genomen maatregelen ook de hele berm opvult met steentjes/zand.

4.16.

De kantonrechter oordeelt dan ook dat van een gevaarlijke situatie geen sprake is, zodat er geen grond bestaat voor het aannemen van de aansprakelijkheid van de Gemeente op grond van artikel 6:162 BW. De kantonrechter wijst de vordering van [eisende partij] op die grond af.

4.17.

Dan komt de kantonrechter toe aan de vraag of de Gemeente aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW. Een weg is een opstal in de zin van artikel 6:174 BW. Op de Gemeente rust als wegbeheerder de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Deze verplichting is in artikel 6:174 lid 1 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. De Gemeente heeft echter onweersproken gesteld dat de berm geen onderdeel van de weg is en niet is bestemd als veilige uitwijkmogelijkheid voor weggebruikers. Uit de in het geding gebrachte foto’s kan ook niet worden afgeleid dat het wegdek en de berm zodanig feitelijk op elkaar zijn afgestemd, dat zij als één geheel dienden te worden beschouwd. Dit betekent dat de aansprakelijkheid niet kan worden beoordeeld op grond van artikel 6:174 BW, zodat de vordering van [eisende partij] ook op deze grond niet kan worden toegewezen. De kantonrechter wijst de vordering van [eisende partij] ook op deze grond af.

4.18.

Aangezien [eisende partij] bij dit vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten van de Gemeente worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.154,- salaris gemachtigde (2 punten x € 577,-). De gevorderde wettelijke rente daarover zal op de hierna in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen. Voor zover er nakosten zijn te maken, levert dit vonnis daarvoor de titel op.

1Artikel 93, aanhef en onder a, Rv.

2HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965: AB7079 (Kelderluik); HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283; HR 1 december 2023, ECLI:HR:2023:1674.

3HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010: BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), rov. 4.4.3 en 4.4.4; HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, (Reaal/Deventer).

 

Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17831