RBGEL 250326 Geen letsel, gemeente niet aansprakelijk voor botsing met stoeprand op 5 meter brede weg
- Meer over dit onderwerp:
RBGEL 250326 Geen letsel, gemeente niet aansprakelijk voor botsing met stoeprand op 5 meter brede weg
2De feiten
2.1.
Vanaf medio 2022 tot begin 2023 zijn op een bepaald weggedeelte van de Doctor Hartogsweg in Ede herinrichtingswerkzaamheden uitgevoerd. De betreffende locatie (hierna: weggedeelte) werd voorzien van rode klinkerbestrating en aan weerszijden van de rijbaan kwamen grijze trottoirbanden.
2.2.
Op 13 mei 2024 heeft [eiser] , via een digitaal formulier, de gemeente aansprakelijk gesteld voor schade aan haar motorvoertuig. In het formulier staat, voor zover hier van belang:
“(…)
Datum schade: 29-12-2023
(…)
Toedracht: Op 29 december reed ik rond 18:00 van de Dr. Hartogsweg naar de Akulaan, in de regen. Net bij de overgang van deze twee wegen kwam mij een aantal auto’s tegemoet, waardoor ik iets moest uitwijken, ook al omdat mijn Volkswagenbus vrij breed is. De versmalling aldaar was niet alleen slecht te zien, maar de Akulaan is daar wel heel erg smal: slechts 5 meter, terwijl hij iets verderop 5m40 is. Gevolg was dat ik met een enorme klap van de stoeprand afreed, hetgeen mij niet alleen een band, maar zelfs een wiel kostte.
(…)”
2.3.
De gemeente heeft op 4 juni 2024 aansprakelijkheid afgewezen.
2.4.
[eiser] heeft op 24 juni 2024 en 19 augustus 2024 laten weten het niet eens te zijn met de afwijzing. De gemeente heeft daar op gereageerd, maar bleef bij haar afwijzing. Op 27 september 2024 heeft [eiser] een brief aan de gemeenteraad en aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede geschreven. De raadsadviseur en een bestuursadviseur/woordvoerder van een wethouder hebben een reactie naar [eiser] gestuurd. Op 25 november 2024 heeft [eiser] gevraagd om een gesprek met de burgemeester. Na wat e-mailcorrespondentie over en weer was de burgemeester bereid een telefonische afspraak te maken. Die afspraak heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente te veroordelen om aan haar, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, € 1.411,37 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2024 tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt [eiser] ten grondslag dat de gemeente, als bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is, nu het gevaar zich heeft verwezenlijkt (art. 6:174 BW). De gemeente is verantwoordelijk voor de inrichting van de openbare weg. De inrichting van het weggedeelte is volgens haar niet veilig. Het weggedeelte is namelijk te smal, althans de berm is eerst een berijdbare (gras)berm en gaat daarna over in een berm met (tamelijk hoge) stoepbanden die niet meer eenvoudig te gebruiken zijn. De smalle weginrichting staat niet duidelijk aangegeven door middel van een bord, het weggedeelte is niet goed verlicht en er is sprake van een te diep ingegraven afvoerput. De gebrekkige weginrichting levert gevaar op en dat gevaar heeft zich verwezenlijkt, nu de bus van [eiser] is beschadigd, aldus [eiser] .
3.3.
[eiser] stelt verder dat de gemeente de schade die [eiser] heeft geleden, doordat de openbare weg gebrekkig is, moet vergoeden. Die schade bestaat enerzijds uit, kort gezegd, een nieuw wiel en een nieuwe velg (inclusief arbeidskosten die daarbij komen kijken en btw) van € 911,37. Anderzijds bestaat de schade uit € 500,00 als vergoeding voor de inspanningen die [eiser] heeft moeten verrichten om de gemeente te bewegen tot een uitkering (buitengerechtelijke incassokosten) en voor het voeren van de onderhavige procedure (proceskosten). Het gaat dan om minstens tien uur werk á € 50,00 per uur. Daarnaast is wettelijke rente verschuldigd, omdat de gemeente te laat betaalt, aldus [eiser] .
3.4.
De gemeente voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gemeente betwist dat het weggedeelte gebrekkig is, ze betwist ook dat sprake is van gevaar voor personen of zaken (het weggedeelte is veilig volgens haar), ze betwist de toedracht (de schade is volgens haar niet op de door [eiser] gestelde wijze geleden / ontstaan) en ze betwist de hoogte van de door [eiser] gestelde schade. Tot slot doet de gemeente een beroep op eigen schuld van [eiser] (art. 6:101 BW).
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Bij de eisen die in art. 6:174 lid 1 BW staan, gaat het om eisen die uit het oogpunt van veiligheid aan de desbetreffende opstal gesteld mogen worden. Daarbij spelen gedragsnormen als veiligheidsvoorschriften en in het algemeen aan een bezitter of gebruiker van die zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen een belangrijke rol. Het antwoord op de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand hangt af van verschillende omstandigheden, waaronder de aard van de opstal, de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden. Verder dient in aanmerking te worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar en ook de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Daarbij kan, voor het geval de aansprakelijkheid op een overheidslichaam rust, mede betekenis toekomen aan de hem toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen. Deze gezichtspunten begrenzen de aansprakelijkheid op grond van art. 6:174. De wetgever heeft een te ruime aansprakelijkheid van de bezitter willen voorkomen door bepaalde begrenzingen die in afdeling 6.3.1 van het Burgerlijk Wetboek aan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad worden gesteld, ook te laten gelden voor de onderhavige aansprakelijkheid. Van een op de bezitter van een zaak rustende garantienorm is dan ook geen sprake. Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het dus aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (vergelijk Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, overweging 4.4.3 en 4.4.4 -Wilnisser dijkdoorbraak).
4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het weggedeelte aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Met medewerking van een verkeerskundige heeft de gemeente toegelicht dat het weggedeelte veilig is en niet te smal. Ook is, onder meer onderbouwd door middel van foto’s, door de gemeente betoogd dat de juiste bebording aanwezig is en (genoeg) verlichting. De gemeente heeft ook gemotiveerd betwist dat de put te diep zou zijn ingegraven. [eiser] heeft naar aanleiding van deze betwistingen door de gemeente haar stellingen niet verder onderbouwd. Zij heeft aangegeven dat er geen getuigen(verklaringen) waren van het (eenzijdige) ongeval en dat zij niet over nadere bewijzen beschikt.
4.3.
[eiser] heeft zich nog beroepen op de eisen van redelijkheid en billijkheid / de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er kunnen volgens haar geen bijzondere eisen aan de bewijslast gesteld worden. Het is juist dat, ook in het civiele recht / privaatrecht, een overheid (in dit geval een gemeente) bij de uitoefening van een privaatrechtelijke bevoegdheid, gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (art. 3:14 BW). Door [eiser] is echter niet onderbouwd en het is de kantonrechter ook niet gebleken, dat de gemeente zich op een onjuiste manier heeft gedragen tegenover [eiser] . De gemeente heeft steeds op berichten van [eiser] gereageerd en verder is ook niet gesteld of gebleken welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door de gemeente geschonden zou zijn. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een op art. 6:174 lid 1 BW gebaseerde vordering, rusten op [eiser] (vergelijk Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, overweging 3.6.1). Dat de gemeente daar een beroep op doet of daarnaar verwijst, maakt niet dat ze bijvoorbeeld haar bevoegdheid misbruikt.
4.4.
Tot slot wijst de kantonrechter nog op het volgende. In het aansprakelijkheidsrecht is het uitgangspunt dat ieder zijn eigen schade draagt. Alleen als duidelijk is dat een ander een terecht verwijt kan worden gemaakt, moet die ander (in dit geval de gemeente) een schadevergoeding betalen. In deze zaak is het zo dat de gemeente geen schadevergoeding hoeft te betalen. Maar ook geldt in deze zaak dat zelfs al zou de gemeente een verwijt gemaakt kunnen worden (wat dus niet het geval is), die schadevergoedingsverplichting verminderd wordt wanneer sprake is van eigen schuld bij [eiser] (art. 6:101 BW). Van eigen schuld is in dit geval sprake. Naar het oordeel van de kantonrechter had [eiser] namelijk, er veronderstellenderwijs van uitgaande dat het ongeval plaatsgevonden heeft zoals [eiser] beschreven heeft, moeten wachten tot de tegenliggers gepasseerd waren. Zij had dus het weggedeelte niet moeten oprijden, helemaal niet nu sprake was van slecht zicht. Het zonder meer “de berm” in rijden, die daar niet voor is bedoeld, omdat hij bestaat uit trottoirbanden, is niet de juiste manier. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eiser] de situatie ter plaatse kende, omdat de weginrichting al ongeveer een jaar hetzelfde was en zij in de buurt woont en er dus vaak komt.
4.5.
De conclusie is dat [eiser] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwistingen door de gemeente en er bij haar sprake is van eigen schuld. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Rechtbank Gelderland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2433
