RBOVE 090626 geen letsel; eenzijdig ongeval tegen lantaarnpaal naast stoep; gemeente niet aansprakelijk; weginrichting niet gebrekkig
- Meer over dit onderwerp:
RBOVE 090626 geen letsel; eenzijdig ongeval tegen lantaarnpaal naast stoep; gemeente niet aansprakelijk; weginrichting niet gebrekkig
locatie ongeval: https://maps.app.goo.gl/EkJc5zbZcYhFvCR37
3De feiten
3.1
[partij A] is op vrijdagavond 2 mei 2025 tegen een lantaarnpaal op het Stationsplein in Kampen gereden ter hoogte van de in- en uitrit naar de Burgemeester van Engelenweg. Door die aanrijding is de lampenkap van de lantaarnpaal losgekomen en op haar auto gevallen. De auto is door het ongeval aanzienlijk beschadigd.
3.2
Op 5 mei 2025 heeft [partij A] melding bij de politie gemaakt van het ongeval en op 8 mei 2025 heeft [partij A] telefonisch contact met de gemeente gehad over het ongeval.
3.3
Op 12 mei 2025 heeft [partij A] de gemeente een brief gestuurd over het ongeval waarin zij onder meer meldt dat de politie haar erop heeft gewezen dat ze de gemeente aansprakelijk kan stellen voor de door haar geleden schade omdat de lantaarnpaal niet op de stoep van het Stationsplein staat. Om die reden hadden er paaltjes om de lantaarnpaal moeten staan.
3.4
Op 27 mei 2025 is daarop door de gemeente in een brief gereageerd naar [partij A] . In de brief heeft de gemeente onder meer gemeld dat er navraag is gedaan bij de medewerkers van ‘Weg- en Waterbouw’ en ‘Verkeer’, dat de lantaarnpaal goed zichtbaar is en niet onrechtmatig op het Stationsplein staat en dat de gemeente niet aansprakelijk is voor de schade aan de auto van [partij A] .
3.5
Op 10 juli 2025 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [partij A] en een medewerker van de gemeente.
3.6
Naar aanleiding van dat telefoongesprek heeft de gemeente [partij A] op 24 juli 2025 een brief gestuurd waarin zij mededelen dat zij de zaak opnieuw hebben doorgesproken met medewerkers van ‘Weg- en Waterbouw’ en ‘Verkeer’, dat de zaak is voorgelegd aan nog een andere verkeersdeskundige en dat de lantaarnpaal er niet onrechtmatig staat, omdat de lantaarnpaal buiten de openbare rijbaan staat en goed zichtbaar is. Door de gemeente wordt ook geschreven: ‘Het is niet onrechtmatig dat deze lantaarnpaal hier staat. Het is echter geen handige plek. Daarom zal de lantaarnpaal worden verplaatst.’
3.7
Op 20 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] de gemeente aangeschreven. In de brief schrijft de gemachtigde dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [partij A] geleden schade en dat de gemeente daarom ook de schade aan haar auto van € 4.300,- moet betalen en de kosten van de eigen bijdrage van € 176,-. Hij sommeert de gemeente daartoe over te gaan.
3.8
Bij brief van 27 augustus 2025 wijst de gemeente de aansprakelijkheid wederom af.
4Het geschil
in conventie
4.1
[partij A] vordert – samengevat – voor recht te verklaren dat de gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld waardoor zij aansprakelijk is voor de door [partij A] geleden schade van € 4.476,- en zij vordert ook de gemeente te veroordelen tot het betalen van die schade, te vermeerderen met rente en kosten.
4.2
De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van
[partij A] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3
De gemeente vordert, na vermindering van de eis ter zitting, – samengevat – [partij A] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 250,- te vermeerderen met rente en kosten.
4.4
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling van de vorderingen
5.1
Omdat de vorderingen van [partij A] en de gemeente met elkaar samenhangen worden deze gezamenlijk besproken.
De gemeente is niet aansprakelijk
5.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente de beheerder is van de in- en uitrit van het Stationsplein aan de kruising met de Burgemeester Engelenweg te Kampen en de zich aldaar bevindende lantaarnpaal. Bij de beoordeling van de door [partij A] gestelde aansprakelijkheid van de gemeente als wegbeheerder voor de gevolgen van het ongeval is het volgende van belang.
5.3
Op grond van artikel 6:174 BW is de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een gebrek aan de openbare weg, waaronder de weguitrusting. Van een gebrek is sprake als de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor een gevaar oplevert voor personen of zaken. Het betreft hier een zogenaamde risico- aansprakelijkheid.
5.4
Voor de invulling van de vraag of de inrichting van de weg voldoet aan de daaraan te stellen vereisten moeten de criteria zoals opgenomen in het zogenaamde Kelderluik-arrest toegepast en beoordeeld worden. 1 Deze beoordeling is dus van belang om tot risico- aansprakelijkheid van de gemeente te kunnen komen.
5.5
Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de weg deugdelijk is waarbij het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan en het voorkomen van gevaar voor personen en zaken van belang is. Ook is van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is, hoe ernstig het gevaar is en welke veiligheidsmaatregelen mogelijk zijn en redelijkerwijs verwacht mogen worden. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan de aan de gemeente als wegbeheerder toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen.2 Er moet ook rekening mee gehouden worden dat enerzijds van de gemeente mag worden verwacht dat zij bij het inrichten van een weg er rekening mee houdt dat verkeersdeelnemers niet altijd goed opletten, maar ook anderzijds dat van de verkeersdeelnemers mag worden verlangd dat zij wel oplettend zijn. Dit alles moet worden ingevuld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
5.6
Volgens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering rusten op [partij A] de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk is voor de door [partij A] geleden schade. Het is dus aan haar om in de eerste plaats te stellen en zo nodig te bewijzen dat de (inrichting van de) weg ten tijde en ter plaatse van het ongeval niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden en dat de weg daardoor een gevaar oplevert voor personen of zaken. [partij A] is niet geslaagd in die op haar rustende stelplicht en bewijslast. De kantonrechter licht dat als volgt toe.
5.7
De toedracht van het ongeval is, anders dan de gemeente aanvoert, voldoende komen vast te staan. Door [partij A] is namelijk onweersproken gesteld dat zij op 5 mei 2025 met haar auto vanaf de Burgemeester Engelenweg vanuit de richting van [plaats] naar het station reed en ter hoogte van de grijze middenstrook bij het Stationsplein voorsorteerde om linksaf te slaan naar de in- en uitritconstructie richting het busstation. Hoewel partijen daarover discussiëren is het niet relevant of een [partij A] tegemoetkomende automobilist op dezelfde middenstrook linksaf wilde slaan en of die daarbij een gevaarlijke stuurbeweging heeft gemaakt. Tussen partijen is immers niet in geschil (en daarmee staat vast) dat [partij A] schrok tijdens haar voorsorteeractie, als gevolg daarvan een onverwachte stuurbeweging heeft gemaakt en dat dat de botsing met de lantaarnpaal heeft veroorzaakt.
5.8
Door [partij A] is niet gesteld dat de lantaarnpaal an sich gebrekkig is, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat dat ook niet het geval is. Aan [partij A] kan worden toegegeven dat de betreffende lantaarnpaal na een herinrichting van het Stationsplein niet langer op maar naast de stoep stond, maar door [partij A] is niet gesteld dat dit niet is toegestaan. Zij heeft evenmin voldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van een gebrekkige inrichting van de weg. Zij heeft daartoe enkel gesteld dat de betreffende lantaarnpaal midden op de rijroute stond maar dit is door de gemeente gemotiveerd weersproken. Door de gemeente is namelijk onweersproken toegelicht dat de lantaarnpaal twee meter van de stoep stond en dat een ruimte van ruim 21 meter over bleef voor elkaar passerende auto’s bij de in- en uitrit naar het Stationsplein. Bovendien is door de gemeente onweersproken aangevoerd dat het gaat om een stationsgebied waarbij een maximale snelheid van 30 kilometer per uur geldt, dat de verkeersintensiteit beperkt is omdat er een andere aanrijroute over de weg is en dat de lantaarnpaal goed zichtbaar was. Uit deze geschetste omstandigheden blijkt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet dat de positie van de lantaarnpaal ten opzichte van de in- en uitritconstructie gebrekkig was. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de in- en uitritconstructie van het Stationsplein aan de kruising met de Burgemeester Engelenweg met de zich aldaar bevindende lantaarnpaal op 5 mei 2025 voldoende deugdelijk was, nu door [partij A] ook geen andere feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit blijkt dat de plek als gebrekkig moet worden beschouwd.
5.9
Dat de gemeente in de weken na het ongeval de lantaarnpaal heeft voorzien van rood lint en een waarschuwingsbord en de paal in oktober 2025 uiteindelijk heeft verwijderd doet ook niet af aan het oordeel dat de inrit- en uitritconstructie op 5 mei 2025 voldeed. De gemeente heeft namelijk de beleidsvrijheid om hiertoe over te gaan en de gemeente heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat zij hiermee voldoet aan haar zorgplicht door zoveel mogelijk te voorkomen dat er nogmaals een ongeluk met de lantaarnpaal zou plaatsvinden nu zich dat eenmaal had voorgedaan.
5.10
De kantonrechter merkt nog op dat als wel was komen vast te staan dat sprake was van een gebrekkige weginrichting waarin de gemeente gehouden was veiligheidsmaatregelen te treffen, dan nog niet valt in te zien dat het ongeluk van [partij A] voorkomen zou zijn door het treffen van de door haar gestelde veiligheidsmaatregelen. Het plaatsen van paaltjes of een hek om de lantaarnpaal had er immers niet voor gezorgd dat een botsing was voorkomen. Ook in dat geval had [partij A] namelijk de onverwachte stuurbeweging gemaakt waardoor zij tijdelijk de controle over haar auto verloor en in dat geval was zij dan tegen de paaltjes of het hek gebotst.
5.11
Nu de botsing van [partij A] met de lantaarnpaal niet het gevolg is van een gebrekkige weginrichting bij de in- en uitritconstructie van het Stationsplein in Kampen maar van een door [partij A] gemaakte stuurfout, is de gemeente niet op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de door [partij A] geleden schade.
5.12
De gemeente is evenmin aansprakelijk voor de door [partij A] geleden schade op grond van artikel 6:162 BW. Voor de beoordeling van deze grondslag van aansprakelijkheid moet namelijk eveneens aansluiting worden gezocht bij de criteria zoals die volgen uit het Kelderluik- arrest. Uit het voorgaande volgt reeds dat de weginrichting voldeed. Door [partij A] zijn geen aanvullende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er desondanks sprake was van een gevaarzettende situatie of dat onvoldoende gewaarschuwd was voor de weginrichting. Bovendien heeft de gemeente onweersproken toegelicht dat de gemeente niet bekend was met eerdere ongevallen of bijzonderheden met betrekking tot de wegsituatie bij de in- en uitritconstructie van het Stationsplein in Kampen. Nu niet komt vast te staan dat er sprake was van een gevaarzettende situatie evenmin kan worden aangenomen dat de gemeente onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de weginrichting, komt aansprakelijkheid van de gemeente ook op deze grondslag niet vast te staan.
5.13
De kantonrechter zal de vorderingen van [partij A] dan ook afwijzen.
[partij A] is aansprakelijk
5.14
[partij A] is aansprakelijk voor de door de gemeente geleden schade aan de lantaarnpaal nu zij onrechtmatig heeft gehandeld. Door de gemeente is immers onweersproken gesteld dat zij schade heeft geleden omdat [partij A] na een onverwachte uitwijkmanoeuvre tegen de lantaarnpaal is gebotst waardoor de lampenkap van de paal is losgekomen en op de auto van [partij A] is beland.
5.15
[partij A] heeft weliswaar gesteld dat de gemeente zich had kunnen verzekeren tegen deze schade, maar dit doet niet af aan de aansprakelijkheid van [partij A] . Nu bovendien niet is gesteld of gebleken dat de gemeente verplicht is zich voor dergelijke schade te verzekeren, terwijl wel vaststaat dat de schade is geleden omdat door de gemeente onweersproken is gesteld dat de lantaarnpaal is gerepareerd en [partij A] - [partij A] het schadebedrag niet heeft weersproken, zal de kantonrechter het door de gemeente gevorderde bedrag van € 250,- toewijzen.