Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Amsterdam 011111 val van trap door schoonmaakster; hof volgt deskundige; geen schending zorgplicht

Hof Amsterdam 011111 val van trap door schoonmaakster; hof volgt deskundige; geen schending zorgplicht

2. De verdere beoordeling 

2.1 [appellante], die van 6 oktober 2003 tot en met 5 oktober 2004 als schoonmaakster in dienst geweest is van [geïntimeerde], is op 19 maart 2004 tijdens het schoonmaken van een vakantiebungalow ten val gekomen. Ten gevolge van dat ongeval heeft [appellante] letsel opgelopen. Het onderhavige geschil betreft de vraag of [geïntimeerde] te kort is geschoten in haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW en aansprakelijk is voor de door [appellante] ten gevolge van het ongeval geleden schade. 

2.2 [appellante] heeft ter onderbouwing van haar vordering onder meer aangevoerd dat [geïntimeerde] haar met een ondeugdelijke trap heeft laten werken. Bij het tussenarrest van 16 februari 2010 heeft het hof overwogen een deskundigenbericht te willen inwinnen omtrent de vraag of het voor [appellante] mogelijk was de trap in verband met het schoonmaken van de hoge delen van de douchewand en het rooster op een zodanige manier in de badkamer te plaatsen dat de trap veilig kon worden betreden. 
Bij het tussenarrest van 1 maart 2011 is [S.], inspecteur van de Arbeidsinspectie, als deskundige benoemd en heeft het hof de volgende vragen geformuleerd: 
1) Kon [appellante] met behulp van een standaardhuishoudtrap van licht aluminium met vier treden en een platform (zoals destijds door de deskundige onderzocht) haar werkzaamheden bestaande in het schoonmaken van de hoge delen van de douchewand en het plafondrooster op een veilige manier in de badkamer van de bungalow met nummer [nummer] in het bungalowpark [O.] in [gemeente] verrichten? 
2) Was een grotere mate van veiligheid bij de uitvoering van deze werkzaamheden bereikt indien een andere (bijvoorbeeld kleinere) trap ter beschikking was gesteld? 
3) Heeft U overigens nog opmerkingen die voor deze zaak van belang kunnen zijn? 

2.3.1 De deskundige (die destijds op 24 maart 2004 een onderzoek is gestart naar aanleiding van het [appellante] overkomen ongeval en zijn bevindingen heeft vastgelegd in een op 3 december 2004 gedateerd ongevalsrapport) heeft met betrekking tot vraag 1 het volgende geantwoord: 
“Regels m.b.t. het in een arbeidsrelatie gebruiken van trappen en ladders stonden ten tijde van het ongeval genoemd in het Arbeidsomstandighedenbesluit, de artt. 3.2 (algemene vereisten arbeidsplaats), 3.16 (voorkomen valgevaar), 7.3 lid 2 (geschiktheid arbeidsmiddel) en 7.4 (deugdelijkheid arbeids-middel) deze laatste in combinatie met de beleidsregel 7.4-4. 
Daarnaast gaven het Besluit Draagbaar klimmaterieel en de NEN 2484 regels en voorschriften o.a. over de constructie van, de markering op en de inhoud van de gebruiksaanwijzing voor draagbaar klimmaterieel. Deze zijn door mij gebruikt om 
te bepalen of aan het Arbeidsomstandighedenbesluit werd of kon worden voldaan. De trap was stabiel in de ruimte op te stellen, bood steeds een veilige steun en houvast en was met het gezicht naar de trap toe te beklimmen. Om haar werkzaamheden in de kleine doucheruimte uit te voeren hoefde er niet te ver opzij geleund te worden en kon met beide voeten op een trede worden gestaan. De mij onderzochte trap was deugdelijk, voorzien van een opgebrachte gebruikershandleiding en een verwijzing naar de NEN2484 en week, voor zover door mij te beoordelen, niet af van de NEN2484. 

Tegen het bovengenoemde wettelijke kader afgezet vind ik dat de werkzaamheden, bestaande uit het schoonmaken van de hoge delen van de douchewand en het plafond rooster, met inachtneming van de gebruiksaanwijzing, op een veilige manier op deze trap konden worden uitgevoerd.” 

2.3.2 De deskundige heeft in zijn rapport ook de vragen van partijen naar aanleiding van de hun toegezonden conceptrapportage besproken. Op de pagina’s 4 en 5 van zijn rapport vermeldt en beantwoordt de deskundige de door mr. K. Weijers, de advocaat van [geïntimeerde], gestelde vragen. De deskundige geeft - nader gevraagd naar zijn (hiervoor geciteerde) antwoord op de eerste vraag van het hof - aan dat de onderhavige werkzaamheden niet alleen “op” maar ook “met” de door hem onderzochte trap op een veilige manier konden worden uitgevoerd. De hem door mr. Weijers gestelde vraag: 
“Kan de onderhavige ongevalstrap in het licht van alle omstandigheden en wettelijke regelgeving van dat moment als voldoende veilig arbeidsmiddel worden gekwalificeerd en of de betreffende werkzaamheden van mevrouw [appellante] daarmee redelijkerwijs op een veilige manier konden worden verricht?” beantwoordt de deskundige vervolgens met “ja”. 

2.3.3 Op de tweede vraag van het hof heeft de deskundige onder meer het volgende geantwoord: 
“De opstelling van de trap met de onderste trede dicht tegen de badrand gaf geen vrije ruimte rond de trap en dat maakte het betreden en afstappen minder veilig. Een kleinere trap had mee vrije ruimte rond de trap gegeven en had geen andere belemmering gegeven om daar de te verrichten werkzaamheden veilig uit te voeren.” 

2.3.4 Op de vraag van mr. R.J. van Velzen, advocaat van [appellante], of er gelet op artikel 3 lid 1 onder b Arbowet een verplichting voor [geïntimeerde] bestond een kleinere trap ter beschikking te stellen, antwoordt de deskundige (op pagina 6 van zijn rapport): 
“Ik ben het niet eens met de mening van de heer van Velzen dat het gebruik van een kleinere trap verplicht was. 
Ik vind niet dat door het inzetten van de grotere trap, dit onverkort inhoudt dat er niet is voldaan aan het gestelde in artikel 3 van de Arbowet. De trap kon goed in de ruimte worden opgesteld en kon conform de gebruikershandleiding worden gebruikt.” 

2.4 Het hof neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de zijne. Dat betekent dat er van mag worden uitgegaan dat [appellante] met de haar ter beschikking gestelde trap de haar door [geïntimeerde] opgedragen werkzaamheden, bestaande uit het schoonmaken van de hoge delen van de douchewand en het plafondrooster, op een veilige manier kon uitvoeren en dat [geïntimeerde] haar zorgplicht niet heeft geschonden doordat zij [appellante] voor de desbetreffende werkzaamheden geen kleinere trap ter beschikking heeft gesteld. In het eerste tussenarrest van 10 februari 2009 is (in overweging 4.5) is reeds beslist dat [geïntimeerde] haar voor de desbetreffende werkzaamheden in redelijkheid ook geen ander middel dan een trap ter beschikking had hoeven te stellen. Dat betekent dat ook grief IV faalt. 
2.5 De slotsom moet zijn dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de schade die [appellante] ten gevolge van het haar op 19 maart 2004 overgekomen ongeval heeft geleden en lijdt.  LJN BX6620

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies