Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 140726 doodslag; toewijzing vordering stiefvader t.z.v. affectieschade onvoldoende gemotiveerd; in strafprocedure niet ontvankelijk

HR 140726 doodslag; toewijzing vordering stiefvader t.z.v. affectieschade onvoldoende gemotiveerd; in strafprocedure niet ontvankelijk
 

3Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van affectieschade van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

3.2.1

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor onder meer doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1] op 13 november 2021.

3.2.2

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Een bijlage bij dat verzoek houdt onder meer in:

“Affectieschade

In 1983 is moeder een relatie aangegaan met [benadeelde 1] . De kinderen waren pubers. [slachtoffer 1] was 13 jaar oud. [benadeelde 1] is na enkele maanden ingetrokken bij het gezin en heeft de vaderrol op zich genomen. [slachtoffer 1] had al jaren geen contact meer met zijn biologische vader. Hij bouwde een goede band op met [benadeelde 1] . Voor [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [slachtoffer 1] was [benadeelde 1] de vader die ze zo lang gemist hadden. Op 28 juni 1985 zijn [betrokkene 3] en [benadeelde 1] met elkaar in het huwelijksbootje gestapt (...). Tot zijn 20e levensjaar heeft [slachtoffer 1] bij zijn moeder en [benadeelde 1] in huis gewoond. Al die tijd was sprake van een duurzame relatie in gezinsverband. [benadeelde 1] fungeerde als feitelijk vader voor [slachtoffer 1] . Het verlies van [slachtoffer 1] raakt [benadeelde 1] enorm.

Voordat de Wet Affectieschade werd aangenomen, dienden kamerleden Groothuizen en Van Nispen een motie in. Zij verzochten de regering om stiefouders en/of stiefkinderen van een slachtoffer dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade toe te kennen als bij biologische verwanten. Dit indien sprake was van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter.

Op 9 mei 2017 nam de Tweede Kamer deze motie met algemene stemmen aan. Dit houdt in dat ook stiefouders en/of stiefkinderen dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade krijgen als de biologische ouders en kinderen. Deze motie stelt stiefouders immers gelijk aan biologische ouders, mits sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter.

Nu stiefvader gelijkgesteld dient te worden aan de biologische ouder, wordt een bedrag van € 17.500,00 ter vergoeding van affectieschade gevorderd.”

 

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank onder meer wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van deze benadeelde partij bevestigd met overneming van de gronden. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag opgelegd ten behoeve van de benadeelde partij. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“7.2 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] (de stiefvader van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van 17.500 euro, bestaande uit affectieschade, als gevolg van de dood van zijn stiefzoon, te vermeerderen met de wettelijke rente.

(...)

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, nu een stiefvader volgens de wet geen aanspraak heeft op vergoeding van affectieschade.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, zoals bedoeld in het derde lid van dat artikel. Naar de letter van de wet vallen stiefouders daar niet onder. Echter, bij goedkeuring van het wetsvoorstel dat vergoeding van affectieschade mogelijk maakt, is eveneens een motie (Kamerstukken II 2016/17, 34257, nr. 10) aangenomen om “stiefouders en/of stiefkinderen van een slachtoffer dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade toe te kennen als bij biologische verwanten, indien sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter” (Handelingen TK 2016/2017, nr. 72, item 13).

De benadeelde is stiefvader van [slachtoffer 1]. Uit de toelichting op de vordering blijkt onder meer dat het slachtoffer jarenlang, namelijk tot zijn 20e, bij zijn moeder en [benadeelde 1] inwoonde en dat [benadeelde 1] feitelijk als vader van [slachtoffer 1] fungeerde, terwijl de biologische vader buiten beeld was. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat tussen het overleden slachtoffer en [benadeelde 1] een relatie in gezinsverband bestond, dat een duurzaam karakter had. Dat [slachtoffer 1] op het moment van overlijden niet meer thuiswonend was bij [benadeelde 1] en zijn moeder doet daaraan niet af. Dat maakt dus dat [benadeelde 1] terecht aanspraak maakt op een vergoeding wegens affectieschade, overeenkomstig hetgeen geldt voor biologische ouders. Uit het Besluit vergoeding affectieschade volgt dat hij recht heeft op 17.500 euro, zoals hij ook gevorderd heeft. De vordering is dus toewijsbaar.

De rechtbank wijst de vordering aldus volledig toe tot een bedrag van 17.500 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 (datum overlijden slachtoffer). De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde en zal aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f WvSr opleggen.”

3.3

Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) luiden artikel 6:107 lid 1, aanhef en onder b, en lid 2 en artikel 6:108 lid 1, 3 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):

- Artikel 6:107 lid 1, aanhef en onder b, en lid 2 BW:

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:

b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.

2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de gekwetste;

b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft;

f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.”

- Artikel 6:108 lid 1, 3 en 4 BW:

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

(...)

3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.

4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;

b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;

f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”

3.4

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies. (Vgl. HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1619).

3.5

Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij in 1983 als stiefvader deel is gaan uitmaken van het gezin waarin het toen 13-jarige slachtoffer tot zijn 20e levensjaar opgroeide, en dat het slachtoffer ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 – de ‘gebeurtenis’ als bedoeld in artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder e, BW – dus niet meer ‘thuiswonend’ was. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat stiefouders ‘naar de letter’ niet onder de in artikel 6:108 lid 4 BW bedoelde personen vallen, maar dat uit de door de rechtbank genoemde motie, weergegeven onder 4.6 in de conclusie van de advocaat-generaal, zou volgen dat stiefouders ‘dezelfde bedragen ter vergoeding van affectieschade krijgen als biologische ouders’. Op grond hiervan heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade tot het bedrag van € 17.500 toegewezen.


 

3.6.1

Dit – door het hof overgenomen – oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van de rechtbank onvoldoende kan worden afgeleid op welke in artikel 6:108 lid 4 BW vermelde grond en op welke door de rechtbank vastgestelde omstandigheden de rechtbank de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd.
Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c, BW geldt dat in deze bepaling de stief- of pleegouder niet is opgenomen. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder e, BW geldt dat uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 – de ‘gebeurtenis’ als bedoeld in artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder e, BW – al geruime tijd niet meer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW geldt dat de rechtbank geen nadere feiten heeft vastgesteld over de intensiteit, aard en duur van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij die een beroep op deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling kunnen dragen.
Dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de onder 3.3 bedoelde wet de wens naar voren komt dat – zoals ten aanzien van pleegouders uiteindelijk ook is vastgelegd in de in artikel 6:108 lid 3 BW bedoelde algemene maatregel van bestuur – ouders en stiefouders, als de wet aan hen een aanspraak geeft op vergoeding van affectieschade, aanspraak kunnen maken op bedragen van gelijke hoogte, maakt dit alles niet anders.

3.6.2

Het voorgaande brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).

3.6.3

Het cassatiemiddel slaagt. Mede gelet op wat onder 3.6.1 is overwogen, moet worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van de zaak na vernietiging door de Hoge Raad om uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, een onevenredige belasting van het strafgeding, zoals bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, zou opleveren. De Hoge Raad zal daarom bepalen dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1264