Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 040826 rijden onder invloed achteroprijder onvoldoende vast te stellen o.b.v. enkele vermelding daarvan in p-v

GHARL 040826 geen letsel; achteroprijder niet aansprakelijk voor kop-staartbotsing; voorligger remt plotseling sterk voor afrit;
- rijden onder invloed achteroprijder onvoldoende vast te stellen o.b.v. enkele vermelding daarvan in p-v

2De kern van de zaak

2.1.

Op 13 augustus 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto’s. De auto van [appellante] is total loss geraakt. Zij heeft vergoeding van haar schade, bestaande uit schade aan het voertuig en de expertisekosten, gevorderd. [geïntimeerde] heeft geweigerd die schade te vergoeden, waarna [appellante] hem heeft gedagvaard voor de kantonrechter. Die heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. (geen publicatie bekend, red. LSA LM) De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.

2.2.

Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand en licht dat hierna toe.

3De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.

Het hof is op grond van art. 4 van de Verordening 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (Brussel I-bis) bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

3.2.

Op 13 augustus 2022 reed de echtgenoot van [appellante] , [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot] ), op de Rijksweg A2 komende uit de richting Amsterdam en gaande in de richting Utrecht. Ter hoogte van het tankstation Breukelen/Maarssen is hij van achteren aangereden door [geïntimeerde] . Daarbij is de auto van [appellante] total loss geraakt.

3.3.

Van het ongeval is door de politie een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is onder meer opgenomen:

Locatie

(…)

Hectometer: 52,5 R

(…)

Toedracht

1: [geïntimeerde] , NL kenteken […]

2: [appellante] , Belgisch kenteken […]

(…)

Voor 1 reed 2 in dezelfde richting. Doordat 2 hard inremde om vermoedelijk de afrit te nemen, reed 1 in op het voertuig van 2.

Op dat moment was 1 niet in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg was te overzien en waarover deze vrij was.

Hierdoor reed 1 tegen 2.

(…)

Voorlopige selectietest(en) ‘rijden onder invloed’ uitgevoerd? JA, alleen niet helder gekregen wie er gereden heeft bij beiden voertuigen. Beiden inzittenden van 1 waren onder invloed van alcohol.

3.4.

[echtgenoot] en [geïntimeerde] hebben na het ongeval een Schade Aanrijdingsformulier (SAF) ingevuld. Op de door hen gezamenlijk ingevulde en ondertekende voorkant is onder meer een tekening opgenomen:

[geïntimeerde] heeft op de voorkant van het SAF vermeld: “hij remde plotseling waardoor ik hem niet meer kon ontwijken”.

3.5.

[appellante] heeft gesteld dat [geïntimeerde] onvoldoende afstand heeft gehouden en art. 19 RVV 1990 heeft overtreden. [geïntimeerde] heeft de toedracht die door [appellante] is gesteld betwist. Hij heeft aangevoerd dat [echtgenoot] plotseling sterk remde om de afrit naar het tankstation nog te halen. Daardoor kon hij de auto van [appellante] niet meer ontwijken.

3.6.

[appellante] ziet eraan voorbij dat het enkele feit dat een achteropaanrijding plaatsvindt, niet steeds het gevolg hoeft te zijn van een overtreding van de in art. 19 RVV 1990 neergelegde regel. Indien immers een voor een auto rijdend voertuig een volkomen onverwachte manoeuvre uitvoert of een niet te verwachten beweging maakt (zoals plotseling sterk remmen) kan dat worden beschouwd als de oorzaak van de aanrijding.

3.7.

Anders dan [appellante] heeft aangevoerd rust op [geïntimeerde] dus niet zonder meer de bewijslast van zijn stelling dat hij wél voldoende afstand heeft gehouden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt de bewijslast bij degene die zich op de rechtsgevolgen van bepaalde feiten beroept. Dat is niet anders bij aanrijdingen zoals hier aan de orde. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of van deze hoofdregel kan of moet worden afgeweken.1

3.8.

Uit de door [echtgenoot] en [geïntimeerde] opgemaakte tekening blijkt dat de aanrijding plaatsvond vlak voor het verdrijvingsvlak dat de uitrit naar het tankstation scheidt van de hoofdrijbaan. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat [echtgenoot] sterk remde, alvorens de afrit te nemen. [echtgenoot] heeft ook verklaard dat hij op de hoofdrijbaan heeft geremd, maar dat was volgens hem gelijkmatig en niet sterk. Dat is door [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden. Deze omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van de hoofdregel dat op [appellante] de bewijslast rust van de feiten waaruit de rechtsgevolgen voortvloeien.

3.9.

[appellante] heeft verder gesteld dat [echtgenoot] de Nederlandse taal niet machtig is en hulp heeft gehad bij het invullen van het SAF. Aanvankelijk heeft zij gesteld dat die werd gegeven door medewerkers van het takelbedrijf, maar op de zitting zou de politie hem hebben geholpen. Hem was de strekking van het SAF niet duidelijk. Wat hier ook van zij: op de voorzijde is door de betrokkenen samen een tekening gemaakt en is het formulier ingevuld en voor akkoord ondertekend door [echtgenoot] en [geïntimeerde] . Dat alles is door [appellante] niet bestreden. Daarbij komt dat het formulier aansluit bij het proces-verbaal van de politie. Het hof ziet niet in waarom daar geen waarde aan zou kunnen worden toegekend.

3.10.

[appellante] heeft voorts aangevoerd dat [geïntimeerde] onder invloed van alcohol heeft verkeerd. Zij beroept zich op de hiervoor onder 3.3 geciteerde passage uit het proces-verbaal van de politie. Deze passage is onvoldoende duidelijk om vast te stellen dat sprake is van overtreding van art. 8 WVW, zoals [appellante] betoogt. Het enkele feit dat vermeld wordt dat sprake is van “onder invloed van alcohol” is niet voldoende om daaruit zo’n conclusie te trekken, omdat geen vervolgonderzoek is uitgevoerd en de uitslag (P, A of F) niet is vermeld. [appellante] vermeldt verder ook niets over concrete omstandigheden die daar verder zicht op zouden geven.

3.11.

[appellante] heeft nog een bewijsaanbod gedaan, maar dat is zo algemeen dat het hof daaraan voorbij gaat. Van haar had in hoger beroep mogen worden verwacht dat zij dit behoorlijk zou specificeren. Dat heeft zij nagelaten.

De conclusie

3.12.

Uit het bovenstaande volgt dat de bezwaren van [appellante] tegen het vonnis van de kantonrechter niet slagen. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.2

1HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1065.

2HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5124