RBNHO 180626 straf; dodelijk verkeersongeval; na bill. corr; geen ES vanwege instappen bij bestuurder o.i.v. alcohol en zonder rijbewijs en aanmoedigen tot hard rijden
- Meer over dit onderwerp:
RBNHO 180626 straf; dodelijk verkeersongeval; na bill. corr; geen ES vanwege instappen bij bestuurder o.i.v. alcohol en zonder rijbewijs en aanmoedigen tot hard rijden
Standpunten van partijen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen kunnen worden toegewezen maar dat ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] het toe te wijzen bedrag aan schokschade moet worden gematigd tot een bedrag van € 10.000,00. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op eigen schuld van het slachtoffer [slachtoffer 2] . De schade is volgens de raadsvrouw mede een gevolg van de omstandigheden dat het slachtoffer bij de verdachte in de auto is gestapt terwijl hij wist dat de verdachte geen rijbewijs had en onder invloed van alcohol was, en dat het slachtoffer de verdachte heeft aangemoedigd harder te rijden. Deze omstandigheden kunnen aan het slachtoffer worden toegerekend, waardoor de schadevergoedingsplicht jegens het slachtoffer moet worden verminderd. Beantwoording van de vraag in hoeverre deze moet worden verminderd, levert een onevenredige belasting op voor het strafproces zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Eigen schuld-verweer
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vorderingen reeds niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard omdat een vaststelling van de “eigen schuld” van [slachtoffer 2] als bedoeld in artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de door hem geleden schade een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vastgesteld zou moeten worden dat de door [slachtoffer 2] opgelopen schade mede het gevolg is geweest van omstandigheden die aan hem zouden kunnen worden toegerekend, de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de ernst van de gevolgen voor [slachtoffer 2] , eist dat de schade volledig voor rekening van de verdachte blijft. De grove verkeersfouten en het roekeloze rijgedrag van de verdachte die tot het ongeluk hebben geleid zijn in grote mate kwalijker dan de keuze van [slachtoffer 2] om in te stappen in de auto bij een bestuurder die onder invloed is van alcohol en geen rijbewijs heeft. Ook het aanmoedigen van de verdachte om harder te rijden, maakt dit niet anders, omdat dit de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid als bestuurder van de auto ontslaat om daarin niet mee te gaan. Daarnaast neemt de rechtbank mee de ernst van de gevolgen voor [slachtoffer 2] , die bij het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval is overleden. De rechtbank zal de vorderingen inhoudelijk behandelen. Rechtbank Noord-Holland 18 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7247