Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 240626 eenzijdig ongeval; dwarslaesie 21 jarige bestuurder na botsing tegen boom; 102 km/u (30 toegestaan); weigering bloedproef

RBNHO 240626 eenzijdig ongeval; dwarslaesie 21 jarige bestuurder na botsing tegen boom; 102 km/u (30 toegestaan)
- alcohol niet aangetoond maar weigering bloedproef leidt tot verval dekking WA, casco en SVI; 
- regres ass. 15 lid 1 WAM; bestuurder mocht vanwege snelheid en weigering bloedproef niet te goeder trouw aannemen dat aansprakelijkheid gedekt was
- subrogatieverbod 7:962 lid 3 BW strikt uitgelegd;  B.V. van vader als verzekeringnemer valt daarbuiten

2De feiten

2.1.

Op 30 december 2020 omstreeks 21:14 uur heeft op de [adres] te [plaats] in de gemeente Barneveld een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden (hierna: het ongeval). [eiser] , destijds 21 jaar oud, raakte als bestuurder van een personenauto (hierna: de BMW) met daarin drie andere inzittenden van de weg en botste tegen een boom. [eiser] heeft als gevolg van het ongeval ernstig letsel opgelopen, onder meer bestaande uit een incomplete dwarslaesie. Hij heeft langdurig moeten revalideren. De overige drie inzittenden hebben als gevolg van het ongeval ook letsel opgelopen.

2.2.

De BMW was in eigendom van [de B.V.] De vader van [eiser] is indirect medeaandeelhouder en medebestuurder van deze vennootschap. [eiser] reed met toestemming van zijn vader in de BMW.

2.3.

De BMW was verzekerd bij Ansvar voor wettelijke aansprakelijkheid, casco en schadeverzekering voor inzittenden. Op het polisblad staat vermeld dat op de autoverzekering onder meer de Algemene Voorwaarden Motorrijtuigenverzekering, model AVMR 20181101 (021) (hierna: de algemene voorwaarden) en de Bijzondere voorwaarden Schadeverzekering inzittenden, Prima model 122016 (hierna: de bijzondere voorwaarden) van toepassing zijn.

2.4.

Artikel 9.4 ‘Medewerkingsplicht’ van de algemene voorwaarden bepaalt, voor zover van belang, dat een verzekerde bij (een gebeurtenis die kan leiden tot) schade verplicht is zijn volle medewerking te verlenen en alles na te laten wat de belangen van Ansvar kan schaden. De sanctie bij niet nagekomen verplichtingen is volgens artikel 9.6 van de algemene voorwaarden geen recht op uitkering van de schade in het geval Ansvar daardoor in haar belangen is geschaad.

2.5.

Artikel 10.1 ‘Gebruik van alcohol, drugs en medicijnen’ van algemene voorwaarden luidt als volgt, voor zover van belang:

“Er is geen dekking voor schade die veroorzaakt is terwijl de bestuurder onder zodanige invloed van alcohol of enig bedwelmend of opwekkend middel verkeerde dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig behoorlijk te besturen. (…) Het weigeren van een ademtest, een speekseltest of een urine- of bloedproef leidt ook tot geen recht op uitkering. Deze uitsluiting geldt niet voor de verzekeringnemer die aantoont dat de hiervoor beschreven uitsluitingsgronden zich buiten zijn weten en tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem in redelijkheid geen verwijt treft.”

2.6.

Artikel 10.5 van de algemene voorwaarden bepaalt, samengevat, dat ook geen recht op uitkering bestaat als de schade is veroorzaakt doordat sprake is van opzettelijk handelen of van grove schuld of van bewuste roekeloosheid.

2.7.

Artikel 7 ‘Aanvullende uitsluitingen’ van de bijzondere voorwaarden bepaalt dat de algemene uitsluitingen die worden genoemd in de algemene voorwaarden eveneens van toepassing zijn op deze dekking en dat bovendien voor deze dekking nog de volgende uitsluitingen gelden, voor zover van belang:
“7.2. Niet verzekerd is schade veroorzaakt terwijl de bestuurder van het motorrijtuig onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank of enig bedwelmend of opwekkend middel verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig behoorlijk te besturen, dan wel het rijden hem bij wet of door de overheid zou zijn verboden.

7.2.1.

Ook als de bestuurder bij aanhouding een ademtest, speekseltest of een urine- of bloedproef weigert, verleent verzekeraar geen dekking.

7.2.2.

Deze uitsluiting geldt niet voor de verzekerde die aantoont dat de in dit artikel beschreven situatie zich buiten zijn weten en tegen zijn wil heeft voorgedaan en dat hem ter zake hiervan in redelijkheid geen verwijt treft.”

2.8.

Ansvar heeft na het ongeval (via Turien, de assuradeur die als gevolmachtigde van Ansvar optreedt) de schaderegeling opgestart met [eiser] en met de overige inzittenden van de BMW. Zij heeft aan hen uitkeringen verstrekt.

2.9.

De politie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar (de toedracht van) het ongeval. De politie heeft een proces-verbaal FO-Verkeer en een proces-verbaal analyse voertuig data opgemaakt. Daarnaast heeft de politie [eiser] als verdachte en de overige inzittenden als getuigen gehoord en daarvan proces-verbaal opgemaakt.

2.10.

Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft op 31 december 2020 tegenover de politie het volgende verklaard, voor zover van belang:

“Ik denk dat wij ongeveer 50 á 60 kilometer per uur reden. We kwamen net uit de bocht gereden, dus veel harder zou het niet geweest zijn. Ik voelde dat wij over een drempel reden. Ik voelde dat we over nog een drempel reden. Het ging voor mijn gevoel erg hard. Ik voelde dus dat er twee drempels heel kort achter elkaar kwamen. Ik merkte dat de bestuurder het macht over het stuur verloor. Ik voelde alles draaien en zag een boom op mij af komen.”

2.11.

Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) heeft op 5 januari 2021 tegenover de politie het volgende verklaard, voor zover van belang:

“Omstreeks 20.00 uur reden wij vanaf [plaats] naar [plaats] , vanwege corona is er verder toch niets te doen. Ik zat op de achterbank achter de bijrijder in de auto. Op een gegeven moment sloegen wij rechtsaf de [adres] op. Ik zag dat in de bocht een verkeersbord stond met daarop de aangegeven snelheid van 30 km/uur. Ik weet nog dat wij niet heel hard over de [adres] reden, ik schat de snelheid op 40 km/uur. Ik voelde dat er veel hobbels en kuilen in de weg zaten. Vervolgens voelde ik dat de bestuurder de macht over het stuur verloor en probeerde op de weg te blijven. Ik voelde dat ik hevig door de auto heen en weer werd geslingerd. Hierdoor heb ik mogelijk mijn hoofd gestoten, en ben ik het bewustzijn verloren.”

2.12.

In het proces-verbaal analyse voertuig data, opgemaakt op 7 maart 2021, heeft de politie na onderzoek van de aangetroffen data in de BMW het volgende geconcludeerd, voor zover van belang:
“De bestuurder van de auto heeft 5 seconden voor de botsing met de boom gereden met een snelheid van 94 km/h. De snelheid van het voertuig werd tot 1,5 seconden voor de botsing verhoogd tot 102 km/h. Vanaf 1,5 seconden voor de botsing werd het gaspedaal van het voertuig geheel losgelaten/niet meer bediend. 1 seconde voor de botsing werd het rempedaal van het voertuig bediend en werd het ABS systeem geactiveerd. Ook werd er vanaf dit moment naar links gestuurd met het voertuig. Op het moment van de botsing met de boom werd een voertuigsnelheid geregistreerd van 87 km/h.”

2.13.

Op 23 maart 2021 heeft de politie [eiser] om toestemming verzocht om het bloedblok dat na het ongeval bij hem in het ziekenhuis was afgenomen te laten analyseren. [eiser] heeft dat verzoek geweigerd.

2.14.

De politie heeft op 22 april 2021 een proces-verbaal FO-Verkeer opgemaakt. Dat bevat een verkeersongevallenanalyse (hierna: de VOA). Daarin is het volgende vermeld over de oorzaak en toedracht, voor zover van belang:
“Op woensdag 30 december 2020 omstreeks 21:14 uur reed de personenauto op de [adres] , gelegen in de plaats [plaats] , komende uit de richting Achterveld en gaande in de richting [plaats] . Deze weg was gelegen in een 60 km/h zone. In de personenauto zaten 4 inzittenden. Bij het naderen van perceelnummer 15, vanuit de rijrichting van de personenauto gezien gelegen aan de linkerzijde van de rijbaan, passeerde de personenauto een verkeersbord waarop de maximumsnelheid van 30 km/h aangeduid stond. Vervolgens naderde de personenauto twee drempels, waarvan de tweede drempel voorafgegaan werd door een verkeersbord dat wees op een slecht wegdek.

De bestuurder van de personenauto paste bij zowel de verkeersborden als de drempels zijn snelheid onvoldoende aan en overschreed daarbij de daar geldende maximumsnelheid in ernstige mate. Na de tweede drempel, c.q. verhoging, reed de personenauto zeer waarschijnlijk met zijn rechter voorwiel in een diep gat van de daar ter plaatse in zeer slechte staat zijnde rijbaan. Hierdoor, dan wel door de combinatie van drempels/wegverhogingen en het slechte wegdek, in combinatie met de hoge snelheid, verloor de bestuurder vermoedelijk de controle over zijn voertuig en raakte in de rechtsgelegen berm. Vervolgens raakte de personenauto met de rechtervoorzijde een boom, waarna de personenauto meer dan haaks ten opzichte van de wegas, omgezet werd en op de rijbaan neerkwam en daar vermoedelijk (vrijwel) direct tot stilstand kwam.”

2.15.

Getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) heeft op 21 mei 2021 tegenover de politie het volgende verklaard, voor zover van belang:

“Ik vermoed dat we met een snelheid van 40 km/uur reden. Plots hoorde ik een knal. Ik had het idee dat een van de banden ploften of dat we in een gat reden. Ik hoorde aan de motor van de auto dat [eiser] gas gaf, in plaats van remmen. Vervolgens zag ik dat [eiser] moeite had om het voertuig onder controle te houden. Hierop zag ik dat wij recht op een boom af reden.”

2.16.

Op 14 juli 2021 heeft [eiser] als verdachte tegenover de politie het volgende verklaard, voor zover van belang:

“V: Weet je wat de maximumsnelheid daar is?

A: Nee

V: Hoe hard denk je dat je daar mocht?

A: Ik dacht 50 ofzo

V: Heb je verkeersborden gezien?

A: Nee het was een grote donkere boel daar dus dat heb ik niet gezien

(…)

V: Weet je nog hoe hard je reed?

A: Nee. In mijn ogen reden we die straat in, al pratend en toerend. Opeens klapte ik ergens overheen. Ik hoorde [getuige 1] roepen: ‘ [getuige 3] , [getuige 3] ”. Ik heb toen volle bak het gas in getrapt in plaats van te remmen. En toen klapten we tegen de boom.

V: Heb je de drempels gemerkt?

A: Ik zei altijd al dat er drempels waren geweest. Die indruk had ik al. Van mijn vader had ik vernomen dat er ook grote gaten in de weg zaten.

V: Had je enig idee hoe hard je reed voor dat je op het gas drukte?

A: Nee ik denk 40 a 50 reed.

V: Uit het onderzoek blijkt dat 5 seconden voor het ongeval de snelheid volgens de computer van de auto 94 km/h betrof.

A: Ik kan me niet voorstellen dat ik zo hard reed. Ik denk dat dit nadat ik dus het gas in had getrapt.

V: Daarna wordt de snelheid nog opgevoerd naar 102 km/h.

A: Ja dat klopt wel met wat ik me herinner dat ik dus het gas intrapte.

V: Toen een seconde voor het ongeval wordt de rem geactiveerd.

A: Ja dat kan wel kloppen dat ik het laatste moment alsnog volle bak heb geremd.

Ik weet nog dat dit was op het moment dat ik de boom op mij af zag komen.

(…)

O: Er is bloed afgenomen voor middelengebruik onderzoek. Dat is geweigerd, klopt dat?

A: Ja

V: Waarom wilde je dat niet?

A: ja dat hoeft niet

V: Hoe kwam de informatie over het bloedonderzoek naar middelen gebruik hij jou?

A: Daar werd ik over gebeld en ik lag toen in het revalidatiecentrum. Mijn advocaat zei dat ik het niet moest doen omdat daar geen reden

V: Is jou medegedeeld dat dit gevolgen kan hebben voor strafbaarstelling voor rijden onder invloed?

A: Nee, maar ik wilde het ook niet. Ik had het ook overlegd met mijn advocaat en die zei ook dat het niet nodig was. Ik had ook geen middelen gebruikt.”

2.17.

In 2022 heeft de officier van justitie de strafzaak tegen [eiser] geseponeerd op sepotgrond 52 ‘door feit of gevolgen getroffen’.

2.18.

Bij brief van 25 augustus 2022 heeft Turien namens Ansvar aan [eiser] bericht dat zij op basis van het weigeren van het bloedonderzoek en het feit dat sprake is bewuste roekeloosheid door [eiser] , gelet op de vastgestelde snelheid in verhouding tot de ter plaatse toegestane snelheid, geen dekking verleent uit hoofde van de afgesloten WA-verzekering, Cascoverzekering en SVI-verzekering. Turien heeft het schaderegelingstraject afgebroken en bij [eiser] terugbetaling gevorderd van een totaal uitgekeerd bedrag van € 126.614,39 (bestaande uit € 34.322,70 aan Cascoschade , € 71.790,86 aan WA-schade en € 20.490,83 aan SVI-schade).

2.19.

Ondanks verzoeken daartoe van [eiser] heeft Turien namens Ansvar geweigerd de schaderegeling weer ter hand te nemen.

3Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - Ansvar te bevelen de door haar met [de B.V.] gesloten verzekeringsovereenkomst na te komen en de in redelijkheid aan het ongeval toe te rekenen schade aan hem te vergoeden, met veroordeling van Ansvar in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] baseert zijn vordering op artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 3:296 BW. Volgens [eiser] heeft hij als derde-verzekerde recht op vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden ongevalsgerelateerde schade. De uitsluitingsclausules waarop Ansvar zich beroept, zijn niet van toepassing. Ansvar moet daarom de verzekeringsovereenkomst nakomen door polisdekking te verlenen voor de gevolgen van het ongeval, en de schaderegeling hervatten, aldus [eiser] .

3.3.

Ansvar voert verweer. Ansvar concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

Ansvar betwist dat er polisdekking is. Volgens Ansvar heeft [eiser] de toegestane maximumsnelheid van 30 km/u met meer dan 60 km/u overschreden. Daardoor is sprake van opzet, grove schuld en/of bewuste roekeloosheid van [eiser] . Ansvar wijst er in dit verband op dat het donker was, [eiser] ter plaatse niet bekend was, het ongeval plaatsvond met een brede auto op een onverlichte, smalle landweg met een slecht wegdek, en aan weerszijde bomen dicht langs de weg stonden. Daarnaast moet er volgens Ansvar van worden uitgegaan dat [eiser] reed onder invloed van alcohol of een ander bedwelmend of opwekkend middel. Polisdekking ontbreekt eveneens, omdat [eiser] heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een bloedproef. Daarmee heeft [eiser] bovendien zijn mededelingsplicht geschonden waardoor Ansvar in haar belangen is geschaad. Ansvar komt, gelet op dit handelen van [eiser] , een beroep op meerdere polisuitsluitingen toe (zie 2.4 tot en met 2.7) op grond waarvan schade als gevolg van het ongeval niet is gedekt onder de door Ansvar geboden verzekering. Ansvar is dan ook niet gehouden om het schaderegelingstraject met [eiser] te hervatten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

Ansvar vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht verklaart dat [eiser] aansprakelijk is voor het ongeval en de hieruit voortvloeiende schade;

b. voor recht verklaart dat [eiser] gehouden is aan Ansvar te vergoeden de door haar uitgekeerde en nog uit te keren (schade)vergoedingen ten gevolge van het ongeval;

c. [eiser] veroordeelt tot betaling aan Ansvar van € 168.035,01, althans een door de rechtbank nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, en

d. [eiser] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.7.

Ansvar legt aan de vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.

Hoewel polisdekking ontbreekt, heeft Ansvar uitkeringen gedaan aan [eiser] , aan de andere inzittenden en aan [de B.V.] in overeenstemming met de voor haar uit de WAM voortvloeiende verplichtingen jegens de benadeelden. Ansvar heeft het recht deze schadevergoedingen te verhalen op [eiser] . Zij baseert zich op de navolgende grondslagen.
Ten aanzien van de uitkeringen aan [eiser] uit hoofde van de SVI-verzekering grondt Ansvar haar vordering op onverschuldigde betaling. Wat betreft de vergoede schade van de andere inzittenden beroept Ansvar zich op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 15 lid 1, tweede volzin, WAM. Volgens Ansvar mocht [eiser] , gelet op zijn exorbitante snelheidsovertreding, zijn middelengebruik en/of zijn weigering mee te werken aan een bloedproef niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.
Over de vergoede cascoschade aan de auto stelt Ansvar dat [de B.V.] een vorderingsrecht op [eiser] heeft en dat dit bij wijze van subrogatie is overgegaan op Ansvar (artikel 7:962 lid 1 BW). Aldus maakt Ansvar aanspraak op betaling van een totaalbedrag van € 168.035,01.

3.8.

[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Ansvar. [eiser] voert vier afzonderlijke verweren aan. Samengevat luiden deze als volgt.

3.8.1.

Er is geen sprake (geweest) van gedragingen die maken dat [eiser] de voorwaarden van de verzekering heeft geschonden. [eiser] heeft de BMW niet onder invloed van enig verdovend middel bestuurd. Ook heeft [eiser] niet opzettelijk en bewust een ‘exorbitante’ snelheidsovertreding begaan. De schatting van de gereden snelheid is door alle inzittenden van de BMW onderschreven. In de aanloop van het ongeval heeft [eiser] de toegestane maximale snelheid niet of nauwelijks overschreden. [eiser] heeft te snel gereden, omdat hij met de BMW in een gat in of langs de weg is gereden, waarna hij is geschrokken en – mede vanwege zijn gebrek aan ervaring met het rijden met een auto met een automatische transmissie – het gaspedaal in plaats van het rempedaal per ongeluk volledig heeft ingetrapt. Dit speelde zich af op een onoverzichtelijke en in abominabele staat verkerende weg.
In het geval wel sprake zou zijn van een bewuste snelheidsovertreding moet rekening worden gehouden met een gebruikelijke marge van 7% die autofabrikanten aanhouden, zodat de daadwerkelijke snelheid 88 km/u betrof in plaats van 94 km/u. Verder is relevant dat de 60 km/u zone vlak voor de plaats van het ongeval in een 30 km/u zone is overgegaan, zodat de kans groot is dat hij daarvoor al de macht over het stuur en snelheid was verloren. Daarnaast was de bebording ter plaatse niet op orde, nu een verkeersbord met een waarschuwingsteken en daarboven een bord met de tekst ‘EIGEN WEG’ op de grond heeft gelegen en niet zichtbaar is geweest. Gelet hierop is een overschrijding van de maximumsnelheid op een verlaten landweg in de nachtelijke uren met 28 km/u niet voldoende om van opzet, bewuste roekeloosheid of grove schuld te kunnen spreken. Daarnaast heeft [eiser] met zijn weigering om het afgenomen bloed te laten analyseren geen verzekeringsvoorwaarden geschonden.

3.8.2.

[eiser] kan als derde-verzekerde de bescherming van artikel 15 lid 1, tweede volzin, WAM niet worden ontzegd. [eiser] heeft te goede trouw mogen aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering zou zijn gedekt.

3.8.3.

De vordering tot betaling van € 168.035,01 is onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk blijft of de hoogte van de gedane uitkeringen in redelijkheid tot stand is gekomen. De onderliggende schadestukken ontbreken.

3.8.4.

De gevorderde cascoschade aan de BMW stuit af op het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.

Stelplicht en bewijslast

4.2.

Ansvar voert aan dat zij niet is gehouden dekking te verlenen voor de gevolgen van het ongeval. Ansvar beroept zich op diverse uitsluitingsclausules uit de autoverzekering.

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan Ansvar stelt, op haar de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het voldoen aan de voorwaarden van de uitsluiting(en). Ansvar is namelijk degene die zich op de rechtsgevolgen van de uitsluiting(en) beroept.

Gebruik van alcohol en/of drugs

4.3.

Ansvar voert primair aan dat de schade door het ongeval is veroorzaakt terwijl [eiser] onder zodanige invloed van alcohol of enig bedwelmend of opwekkend middel verkeerde dat hij niet in staat moest worden geacht het motorvoertuig behoorlijk te besturen. In de polisvoorwaarden is dekking voor die schade uitgesloten.

4.4.

Dit verweer volgt de rechtbank niet. Ansvar gaat er van uit dat [eiser] ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of drugs verkeerde. Ter zitting heeft Ansvar bevestigd dat zij daarvoor geen bewijs, maar slechts vermoedens heeft. Ansvar verwijst naar de strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie. Het enkele feit dat het Openbaar Ministerie de verdenking had van alcohol en/of drugsgebruik door [eiser] is niet voldoende om aan te nemen dat [eiser] daadwerkelijk voorafgaand aan het ongeval onder invloed van die middelen was. Die conclusie kan ook niet worden afgeleid uit het feit dat [eiser] de bloedproef heeft geweigerd. [eiser] betwist uitdrukkelijk dat hij de BMW onder invloed van enig verdovend middel heeft bestuurd en dat hij de bloedproef niet heeft geweigerd om middelengebruik te verdoezelen. Tegenover de betwisting door [eiser] heeft Ansvar dan ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [eiser] de BMW onder invloed van alcohol en/of drugs heeft bestuurd. Daarmee is de gestelde uitsluiting niet aan de orde.

Weigering van een bloedproef

4.5.

Ansvar voert subsidiair aan dat [eiser] medewerking aan een bloedproef heeft geweigerd. Dat leidt op grond van artikel 10.1 van de algemene voorwaarden en artikel 7.2.1. van de bijzondere voorwaarden tot geen recht op uitkering, aldus Ansvar.

4.6.

[eiser] betwist dat hij de verzekeringsvoorwaarden heeft geschonden. [eiser] stelt dat het woord ‘bloedproef’ in de voorwaarden geen duidelijke definitie kent. Volgens het Juridisch Woordenboek is een bloedproef een gedwongen bloedafname die wordt gevorderd bij weigering een ademproef af te leggen. Conform deze definitie is geen sprake van een weigering van een bloedproef door [eiser] . Hij heeft namelijk geen bloedafname geweigerd, maar enkel geweigerd om het afgenomen bloed te laten analyseren.

Verder heeft Ansvar innerlijk tegenstrijdige artikelen – voornoemde artikelen 10.1 en
7.2.1 – aan de verzekeringsovereenkomst verbonden. Artikel 7.2.1. van de bijzondere voorwaarden bepaalt dat dekking alleen is uitgesloten als een bloedproef bij aanhouding wordt geweigerd. [eiser] is niet aangehouden. Volgens [eiser] is sprake van onduidelijke bepalingen die ‘contra proferentem’ – dus ten gunste van hem als consument en ten nadele van Ansvar – moeten worden uitgelegd.

4.7.

De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Ansvar heeft de verzekeringsovereenkomst met [de B.V.] gesloten en niet met een consument. Reeds daarom kan [eiser] geen beroep doen op de contra-proferentemregel. Bovendien vindt de rechtbank artikel 10.1 van de algemene voorwaarden en artikel 7.2.1 van de bijzondere voorwaarden niet innerlijk tegenstrijdig en onduidelijk. Beide bepalingen - die naast elkaar gelden - houden in de kern in dat een verzekerde die bij een schade-incident betrokken is geraakt moet meewerken aan (in dit geval) een bloedproef. Anders dan [eiser] veronderstelt omvat een bloedproef ook een analyse van het bloed. Het afgenomen bloed wordt namelijk onderzocht op de aanwezigheid van alcohol en andere middelen die de rijvaardigheid kunnen verminderen (zoals drugs). Bij een andere uitleg - dat het meewerken aan een bloedproef alleen het afnemen van bloed omvat - zou de bepaling in een geval waarin de betrokkene niet vrijwillig meewerkt of kan meewerken aan bloedafname (bijvoorbeeld door de gevolgen van een ongeval, zoals bij [eiser] aan de orde was), zinledig zijn. Zonder toestemming van de betrokkene mag het bloed namelijk niet geanalyseerd worden.3 Het gaat erom dat een verzekeraar juist door middel van onderzoek moet kunnen vaststellen dat een bestuurder al dan niet onder invloed van alcoholhoudende drank of drugs heeft gereden. Artikel 7.2.1 moet in samenhang met artikel 7.2 van de bijzondere voorwaarden worden gelezen en dus zo worden uitgelegd, zoals Ansvar aanvoert, dat het weigeren medewerking te verlenen aan een ademtest, speekseltest of een urine-of bloedproef ook ertoe leidt dat geen dekking wordt verleend.

4.8.

Vaststaat dat [eiser] een analyse van het afgenomen bloed heeft geweigerd na een verzoek daartoe van de politie. Daarmee heeft [eiser] , gezien het voorgaande, een bloedproef in de zin van de polisvoorwaarden geweigerd.

4.9.

[eiser] heeft over de weigering aangevoerd dat het toestemmingsverzoek kwam op een moment dat hij zwaar getraumatiseerd en fysiek zeer beperkt was. De rechtbank stelt vast dat het toestemmingsverzoek op 23 maart 2021 is gedaan, bijna drie maanden na het ongeval. [eiser] doorliep toen een revalideringstraject. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij op dat moment in een dusdanige fysieke en mentale toestand verkeerde dat zijn weigering om mee te werken aan een bloedproef is te rechtvaardigen. [eiser] beschikte bovendien over bijstand van een letselschadebureau en een strafrechtadvocaat, welke laatste hij over het verzoek heeft geraadpleegd. Dat [eiser] naar eigen zeggen onbekend was met de juridische c.q. verzekeringsrechtelijke implicaties van zijn afwijzende beslissing kan hem dan ook niet baten. De enkele stelling van [eiser] dat hij het verzoek mede heeft geweigerd vanwege de niet empathische en dreigende wijze waarop de agent hem bejegende levert evenmin een rechtvaardigingsgrond op. Kortom, [eiser] heeft niet aangetoond dat hem ter zake van de weigering mee te werken aan een bloedproef in redelijkheid geen verwijt treft.

Tussenconclusie: geen dekking

4.10.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het weigeren van de bloedproef in dit geval op grond van de polisvoorwaarden leidt tot geen recht op uitkering. Het aanbod van [eiser] om alsnog uitslagen van het ziekenhuis van een bloedafname, te weten zijn bloedwaardes van de bewuste avond, te overleggen leidt niet tot een ander oordeel. Dit maakt namelijk de eerdere weigering om mee te werken aan het bloedonderzoek niet ongedaan. [eiser] heeft daarmee verhinderd dat Ansvar kon vaststellen of sprake was van alcohol- of drugsgebruik.

4.11.

Ansvar hoeft dus geen dekking te verlenen voor de ongevalsgerelateerde schade van [eiser] . Daarmee behoeven de andere door Ansvar gestelde uitsluitingen van polisdekking geen bespreking meer.

4.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] in conventie tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst jegens hem en het hervatten van de schaderegeling moeten worden afgewezen.

Terugvordering van Ansvar

De uitkeringen aan [eiser]

4.13.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen polisdekking is leidt er in reconventie toe dat geen rechtsgrond bestaat voor de uitkeringen die Ansvar op basis van de SVI-verzekering aan [eiser] heeft gedaan. Dat betekent dat die bedragen onverschuldigd zijn betaald en dat Ansvar, zoals zij heeft gedaan, teruggave kan vorderen van een gelijk bedrag op grond van artikel 6:203 lid 2 BW.

4.14.

Ansvar vordert een totaalbedrag van € 30.411,99 dat zij heeft uitgekeerd in verband met de door [eiser] geleden schade. Ter onderbouwing van deze vordering verwijst Ansvar naar de door haar overgelegde productie 7, die onder meer een overzicht van uitkeringen bevat. Ter zitting heeft Ansvar opgemerkt dat de op dat overzicht vermelde uitkeringen van 11 maart 2025 en 10 april 2025 buiten het gevorderde bedrag van € 30.411,99 vallen. Op het overzicht zijn verder uitkeringen vermeld - onderbouwd met facturen - die niet zijn gedaan aan [eiser] , maar aan Streefkerken Advocaten, aan BUREAU MR. P. KREMER B.V., aan 1Medisch adviseur B.V. en aan Mo Hopman Arbeidsdeskundig Bureau. Ansvar heeft deze uitkeringen niet nader toegelicht, terwijl Streefkerk Advocaten en Bureau Kremer door Ansvar zelf zijn ingeschakeld. Op grondslag van onverschuldigde betaling aan [eiser] is de vordering tot terugbetaling van deze uitkeringen daarom niet toewijsbaar. Een andere grondslag voor die vordering is niet gesteld. De gevorderde betaling van uitkeringen aan Letselschadebureau Kloppenburg op 21 april 2021 (€ 3.000,-) en aan Nederlands Letselschade Inst. op 12 januari 2022 (€ 835,-) is evenmin toewijsbaar, reeds omdat deze vorderingen niet met stukken zijn onderbouwd. Wél kunnen de gevorderde voorschotten, in totaal € 10.000,-, als onverschuldigd betaald worden toegewezen. [eiser] heeft niet betwist dat bedrag te hebben ontvangen.

De uitkeringen aan de andere inzittenden

4.15.

Ansvar vordert verder de schadevergoedingen die zij onder de WAM aan de andere inzittenden van de BMW heeft uitgekeerd, in totaal een bedrag van € 103.290,32. Ansvar stelt dat zij een verhaalsrecht heeft op [eiser] als aansprakelijke persoon op grond van artikel 15 lid 1 WAM, omdat is voldaan aan de voorwaarden voor een beroep op de zogeheten ‘tenzij-bepaling’.

4.16.

[eiser] betwist dat Ansvar op grond van artikel 15 WAM de schade op hem kan verhalen. Volgens [eiser] kan hem als derde-verzekerde de bescherming van artikel 15 lid 1, tweede volzin, WAM niet worden ontzegd. Hij heeft geen redenen gehad om aan verzekeringsdekking te twijfelen en daarmee te goeder trouw mogen aannemen dat zijn aansprakelijkheid - als daarvan al sprake is, wat hij betwist - onder de verzekering zou zijn gedekt.

4.17.

Artikel 15 lid 1 WAM bepaalt het volgende:

“De verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.”

4.18.

Vaststaat dat [eiser] het ongeval heeft veroorzaakt door met te harde snelheid tegen een boom aan te rijden. Daarbij hebben meerdere inzittenden letsel opgelopen. [eiser] is dan ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de uit het ongeval voortvloeiende schade van deze benadeelden en dus de aansprakelijke persoon als bedoeld in artikel 15 lid 1, eerste volzin, WAM. Op basis van de overgelegde stukken is komen vast te staan dat Ansvar op grond van de WAM schadebedragen aan de benadeelden heeft vergoed.

4.19.

Verder volgt uit wat de rechtbank hiervoor in conventie heeft overwogen dat de schade als gevolg van het ongeval van dekking is uitgesloten, omdat [eiser] medewerking aan een bloedproef heeft geweigerd. Omdat [eiser] niet de verzekeringnemer onder de polis is, geldt dat Ansvar alleen de schade op [eiser] kan verhalen als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (de zogeheten tenzij-bepaling). Dit is het geval indien [eiser] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering werd gedekt of als hij dat in de gegeven omstandigheden behoorde te weten.4 Het is aan Ansvar de feiten en omstandigheden te stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) te bewijzen die aan het beroep op de tenzij-bepaling ten grondslag worden gelegd.

4.20.

Ansvar wijst op de volgende omstandigheden waaruit volgens haar blijkt dat [eiser] goede reden had moeten hebben tot twijfel dat polisdekking ontbrak:

  • -

    [eiser] heeft een bloedproef na een verkeersongeval geweigerd, welke weigering op zichzelf al een strafbaar feit is;

  • -

    [eiser] heeft de toegestane maximumsnelheid met meer dan 60 km/u overschreden;

  • -

    [eiser] heeft minimaal vijf seconden, dus over een afstand van meer dan 130 meter van de ongevalslocatie, gereden met een snelheid van 94 km/u, waarna [eiser] zijn snelheid nog heeft verhoogd;

  • -

    [eiser] reed in een brede auto in het donker, op een onverlichte, smalle landweg die toegankelijk was voor verkeer in beide richtingen;

  • -

    De landweg had aan beide zijden bomen en een slecht wegdek;

  • -

    [eiser] was ter plaatse niet bekend.

4.21.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voorafgaand aan het ongeval een ernstige verkeersfout heeft gemaakt die hem ook kan worden verweten. De rechtbank gaat daarbij uit van de juistheid van de technische bevindingen van de politie over de gereden snelheid met de BMW (zie 2.12). De inschattingen van de inzittenden van de BMW over de door hen ervaren snelheid, zoals die blijken uit hun verklaringen als getuige bij de politie, zijn onvoldoende om deze bevindingen opzij te zetten. Volgens de aangetroffen data in de BMW heeft [eiser] vijf seconden voor de botsing met de boom gereden met een snelheid van 94 km/u. [eiser] had het gaspedaal gedurende (minimaal) 1 seconde volledig ingedrukt. Vervolgens was het gaspedaal voor een halve seconde 37% bediend waarna het gaspedaal voor een halve seconde niet werd bediend. Daarna werd opnieuw het gaspedaal bediend gedurende 1,5 seconde. De snelheid werd tot 1,5 seconden voor de botsing verhoogd tot 102 km/u. [eiser] remde 1 seconde voor de botsing, waarna hij met een snelheid van 87 km/u tegen de boom botste. Niet in geschil is dat op en nabij de ongevalslocatie een maximumsnelheid van 30 km/u gold. Zelfs als een correctie op de vastgestelde snelheid wordt toegepast, wat volgens [eiser] gebruikelijk is, is daarmee sprake van een ernstige overschrijding van de toegestane maximumsnelheid. In de VOA is opgenomen dat [eiser] zowel bij de verkeersborden met de aanduidingen maximumsnelheid 30 km/u en slecht wegdek (vanuit de rijrichting van de BMW gezien) als bij de twee drempels binnen de 30 km/u zone zijn snelheid onvoldoende had aangepast.

4.22.

De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat hij zich niet bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. [eiser] reed, zoals hiervoor uiteengezet, al met een veel te hoge snelheid voordat hij de twee drempels passeerde en/of met het rechtervoorwiel van de BMW in een gat reed. Het is een feit van algemene bekendheid dat veel te hard rijden gevaarlijk is, dit strafrechtelijke consequenties kan hebben en dat dit een van de meest voorkomende oorzaken van auto-ongelukken is. [eiser] had bovendien moeten begrijpen dat zulk onvoorzichtig rijgedrag in een omgeving zoals hier aan de orde, bij een autoverzekeraar als Ansvar vragen oproept over mogelijk alcohol- of drugsgebruik door de bestuurder. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven door de (niet gerechtvaardigde) weigering van [eiser] mee te werken aan een bloedproef, zoals in conventie is overwogen. In de gegeven omstandigheden had [eiser] goede reden om aan het bestaan van een dekking te twijfelen. [eiser] mocht aldus niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.

4.23.

Het beroep van Ansvar op artikel 15 lid 1 WAM slaagt. Dit brengt mee dat Ansvar, voor zover zij schade vergoedt aan de andere inzittenden van het ongeval, een verhaalsrecht heeft op [eiser] als aansprakelijke persoon. De rechtbank zal de door Ansvar gevorderde verklaring(en) voor recht toewijzen op de wijze als hierna in het dictum vermeld.

4.24.

Ansvar vordert een bedrag van € 47.054,73 inzake de door [getuige 1] geleden schade, een bedrag van € 7.796,28 inzake de door [getuige 2] geleden schade en een bedrag van € 48.439,31 inzake de door [getuige 3] geleden schade.

4.25.

[eiser] vindt dat deze schadebedragen onvoldoende zijn onderbouwd.

4.26.

De rechtbank stelt voorop dat de verzekeraar van de aansprakelijke partij de vrijheid en de verantwoordelijkheid heeft om zelf de schade van de benadeelden (buitengerechtelijk) af te wikkelen. Bij een buitengerechtelijke afwikkeling van de schade gaat het veelal om een bedrag ineens (via een vaststellingsovereenkomst) en is sprake van een afweging van goede en kwade kansen. Een en ander brengt mee dat geen al te gedetailleerde specificatie van de diverse schadeposten kan worden verlangd. Wel moet vast komen te staan dat de betrokken schade-elementen voldoende aannemelijk zijn. Om de aansprakelijke partij te kunnen verplichten tot betaling aan de verzekeraar heeft deze recht op enige nadere toelichting en onderbouwing van de schadeposten.

4.27.

Ansvar verwijst ter staving van de vordering inzake de door [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] geleden schade naar de producties 8 tot en met 10 die zij in het geding heeft gebracht. Daaruit blijkt dat Ansvar de schade van [getuige 1] en [getuige 3] volledig heeft afgewikkeld. Ansvar heeft naar aanleiding van overgelegde facturen betalingen gedaan ten behoeve van [getuige 1] en [getuige 3] voor hun persoonlijke schade, zorg/ziektekosten, buitengerechtelijke kosten en medische verschotten. Daarnaast heeft Ansvar in juni 2021 een bedrag van € 5.000,- aan persoonlijke schade aan [getuige 2] uitgekeerd en in augustus 2022 een bedrag van € 2.796,28 aan de ziektekostenverzekeraar van [getuige 2] .

4.28.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Ansvar met de overgelegde stukken, in het licht van het onder 4.26 verwoorde beoordelingskader, voldoende onderbouwd dat het aannemelijk is dat de schade van de inzittenden als gevolg van het ongeval het door Ansvar vergoede (totaal)bedrag van € 87.174,08 bedroeg (€ 47.054,73 voor [getuige 1] , € 7.796,28 voor [getuige 2] en € 32.323,07 voor [getuige 3]5). Deze bedragen komen de rechtbank ook niet onredelijk voor. Het bedrag van € 87.174,08 kan dan ook op [eiser] worden verhaald. Voor toewijzing van een hogere vergoeding voor [getuige 3] ontbreekt een onderbouwing, zodat de vordering in zoverre wordt afgewezen.

De uitkering van de cascoschade

4.29.

Ansvar vordert verder een bedrag van € 34.332,70 inzake de cascoschade aan de BMW. Ansvar stelt dat zij dit bedrag aan de verzekeringnemer ( [de B.V.] ) heeft uitgekeerd. [de B.V.] heeft een recht op schadevergoeding jegens [eiser] als aansprakelijke persoon. Dit vorderingsrecht is bij wijze van subrogatie overgegaan overgegaan op Ansvar (artikel 7:962 lid 1 BW), aldus Ansvar.

4.30.

[eiser] voert aan dat deze vordering afstuit op het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW. De vader van [eiser] was de bezitter van de BMW. De onderneming waarvan hij de DGA is moet als verzekeringnemer worden aangemerkt. [eiser] heeft daarmee te gelden als bloedverwant in de eerste lijn van de (materiële) verzekeringnemer, zodat Ansvar niet in de schadevergoedingsvordering op [eiser] is gesubrogeerd, aldus [eiser] .

4.31.

Dit verweer faalt. Ingevolge artikel 7:962 lid 3 BW krijgt de verzekeraar geen vordering op onder andere een bloedverwant in de rechte lijn van de verzekerde. Ansvar stelt terecht dat dit artikel strikt moet worden uitgelegd volgens de jurisprudentie. Vaststaat dat [de B.V.] de autoverzekering heeft afgesloten. De vader van Ansvar is samen met een andere persoon indirect bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschap. Gelet hierop heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat de relatie tussen hem en [de B.V.] als verzekeringnemer onder het bereik van artikel 7:962 lid 3 BW valt. Dit artikel staat er dan ook niet aan in de weg dat Ansvar regres kan nemen op [eiser] .

4.32.

Ansvar heeft de aan [de B.V.] uitgekeerde cascoschade onderbouwd met een rapport van DEKRA en een factuur van Van Poelgeest Autoschade. [eiser] heeft tegen de omvang van de gevorderde schade geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat het bedrag van € 34.332,70 toewijsbaar is.

Slotsom

4.33.

De slotsom is dat [eiser] zal worden veroordeeld tot betaling aan Ansvar van een totaalbedrag van (€ 10.000,-+ € 87.174,08 + € 34.332,70 =) € 131.506,78.

Wettelijke rente

4.34.

De terugvorderingen van Ansvar hebben verschillende grondslagen. Dit heeft gevolgen voor de ingangsdatum van de wettelijke rente. De gevorderde rente kan niet worden toegewezen vanaf de primair door Ansvar genoemde datum 30 december 2020.

De wettelijke rente over de wegens onverschuldigde betaling terug te betalen gelden is namelijk pas verschuldigd na verzuim om aan de desbetreffende aanmaning te voldoen. De wettelijke rente over een verhaalsvordering op grond van artikel 15 lid 1 WAM is pas verschuldigd vanaf het moment dat Ansvar de benadeelden van het ongeval schadeloos heeft gesteld. Ansvar heeft niet gesteld per grondslag - die zij in deze procedure ook nog heeft gewijzigd - welke ingangsdatum wegens het verzuim van [eiser] moet worden aangehouden respectievelijk wanneer zij de benadeelden van het ongeval schadeloos heeft gesteld. Daarom zal de rechtbank de gevorderde rente toewijzen vanaf de datum van indiening van de eis in reconventie, te weten 12 maart 2025.
 

1Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen

2Schadeverzekering Inzittenden

3Zie artikel 163 lid 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

4Hoge Raad 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164.

5Dit is de optelsom van de bedragen genoemd in het overzicht dat Ansvar als productie 10 heeft overgelegd (met uitzondering van het daarin doorgestreepte bedrag).

 

Rechtbank Noord-Holland 24 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8396