Overslaan en naar de inhoud gaan

PHR 091026 AG De Bock; prejudiciële vraag: een arbeidsongeschikte werknemer bouwt vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband

PHR 091026 AG De Bock; prejudiciële vraag: een arbeidsongeschikte werknemer bouwt vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband

1. Inleiding en samenvatting

1.1

Deze prejudiciële procedure gaat over de vraag of tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen worden opgebouwd. De kantonrechter in de rechtbank Rotterdam heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad.

1.2

De vraag moet worden beantwoord aan de hand van de in het recht van de Europese Unie ontwikkelde rechtsregels over het recht op vakantie. Op grond van die Europese rechtsregels is de opbouw van vakantiedagen gekoppeld aan het daadwerkelijk hebben gewerkt, maar geldt daarop een uitzondering voor onder meer arbeidsongeschikte werknemers. Arbeidsongeschikte werknemers bouwen dus vakantiedagen op ondanks dat zij niet hebben gewerkt.

1.3

Ook volgt uit het EU-recht dat aan het ontstaan van het recht op vakantie geen voorwaarde mag worden verbonden. Het Nederlandse recht doet dat nu juist wel. Art. 7:634 lid 1 BW stelt de opbouw van vakantiedagen immers afhankelijk van het recht op loon. Hierdoor bouwen werknemers tijdens een slapend dienstverband geen vakantiedagen op. Dit is in strijd met het EU-recht. Gelet op de directe werking van het recht op vakantie, zoals neergelegd in art. 31 lid 2 Handvest, moet art. 7:634 lid 1 BW door de rechter buiten toepassing worden gesteld voor wat betreft de opbouw van vakantiedagen tijdens een slapend dienstverband.

1.4

In de rechtspraak van het HvJEU is een uitzondering aanvaard op de regel dat tijdens perioden van arbeidsongeschiktheid opgebouwde vakantiedagen niet kunnen vervallen of verminderen, namelijk in de situatie waarin het nationale recht voorziet in een overdrachtsperiode (verval- of verjaringstermijn) voor die dagen, mits de overdrachtsperiode wezenlijk langer is dan de referentieperiode waarin de vakantiedagen zijn opgebouwd. Een wettelijke vervaltermijn van vijftien maanden na het kalenderjaar waarin de dagen zijn opgebouwd, heeft het HvJEU daarbij aanvaardbaar geacht. Het Nederlandse recht kent echter een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 7:642 BW); de vervaltermijn van zes maanden (art. 7:640a BW) is niet van toepassing indien de werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest om de vakantie op te nemen, zoals aan de orde is bij een arbeidsongeschikte werknemer die is vrijgesteld van de re-integratieverplichtingen.

1.5

De rechtspraak van het HvJEU biedt geen aanknopingspunten om een uitzondering te aanvaarden op de Unierechtelijke uitgangspunten dat (a) ook een zieke werknemer vakantiedagen tegen loonwaarde opbouwt, en (b) dat daaraan geen voorwaarden (zoals loonbetaling) mogen worden verbonden. Hoe dan ook zal een uitzondering op het in art. 31 lid 2 Handvest gewaarborgde recht op vakantie moeten voldoen aan de eisen van art. 52 lid 1 Handvest. Een dergelijke uitzondering biedt het Nederlandse recht niet.

1.6

Tegen deze achtergrond luidt het antwoord op de prejudiciële vraag m.i. dat de arbeidsongeschikte werknemer ook tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen tegen loonwaarde opbouwt. Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2026, ECLI:NL:PHR:2026:984.

↑