Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Arnhem 050607 causaal verband staat voorshands voldoende vast

Hof Arnhem 050607 causaal verband tussen asbestblootstelling en mesothelioom staat voorshands voldoende vast
4.18   [appellanten] hebben gesteld dat de ziekte mesothelioom bij mevrouw [A.] is veroorzaakt door blootstelling aan het asbestcementafval dat zij en haar echtgenoot van Eternit hebben gekregen en waarmee zij het erf van hun boerderij en de verbindingsweg tussen de boerderij en de hoofdweg hebben verhard. Hiervoor (4.5) heeft het hof als onvoldoende betwist aangenomen dat appellant sub 1 en mevrouw [A.] in de jaren zestig en zeventig tot, in ieder geval, 1974 doorgaans eenmaal per maand, asbestcementafval hebben afgehaald bij de Eternitfabriek in Goor en dat afval vervolgens hebben gebruikt voor de verharding van het erf en de weg tussen de boerderij en de hoofdweg. Vaststaat verder dat uit door TNO in juli 2000 verricht onderzoek is gebleken dat op het erf van de boerderij aan de [adres] in [woonplaats] en op twee andere locaties op dat adres asbesthoudend materiaal, afkomstig van de Eternitfabriek in Goor, is aangetroffen.   

4.19  Blootstelling aan asbest wordt als veruit de belangrijkste oorzaak van de ziekte mesothelioom beschouwd. Het hof vindt daarvoor steun in veel beschikbare (medische) literatuur, waaronder het AVM colloquium van 3 november 1999 van J. van Kessel (productie 9 cva), de publicatie van H.T. Planteydt (productie 10 cva), het in de zaak [...] en [...] opgemaakte deskundigenrapport van oktober 1997, het ‘Report of the Advisory Committee on Asbestos Cancers to the Director of the International Agency for Research on Cancer’ (prod. 4 akte bij pleidooi Eternit) en de publicatie uit 1988 van P.H.J.J. Swuste, A. Burdorf en J.A.M. Klaver, Asbest, het inzicht in de schadelijke gevolgen in de periode 1930 – 1969 in Nederland’ (prod. 2 akte bij pleidooi [appellanten]). Volgens voornoemd deskundigenrapport van oktober 1997 worden niet alle mesotheliomen door asbest veroorzaakt, maar wordt thans ‘algemeen aangenomen dat 80 à 85% van de diffuse maligne mesotheliomen door asbest worden veroorzaakt’ , is van de resterende 15 à 20% vrijwel nooit een oorzaak gevonden en zijn niet alle asbestsoorten even belangrijk als oorzaak van mesothelioom: het meest gevaarlijk is crocidoliet (blauw asbest), gevolgd door bruin asbest (amosiet) terwijl het meest gebruikte en geproduceerde witte asbest (chrysotiel) slechts in zeldzame gevallen als oorzaak kan worden aangemerkt. In dat verband verdient opmerking dat uit het door TNO in verband met de ‘Beoordeling aanvraag subsidieregeling Asbestwegen Goor’ in juli 2000 verrichte onderzoek (productie 17 cva) blijkt dat zowel op het erf als op de beide andere locaties op het adres [adres] in [woonplaats] crocidoliet (blauw asbest) is aangetroffen, hetgeen door Eternit niet is bestreden.

4.20  Op grond van dit een en ander (4.18 en 4.19) oordeelt het hof dat de kans dat de ziekte mesothelioom bij mevrouw [A.] is veroorzaakt door asbestblootstelling, en wel door blootstelling aan het asbestcementafval dat zij en haar echtgenoot in de periode 1967 tot en met 1970 van Eternit hebben gekregen en waarmee zij vervolgens het erf van hun boerderij en de weg tussen de boerderij en de hoofdweg hebben verhard, zodanig groot is dat daarmee het causaal verband voorshands, behoudens tegenbewijs, voldoende vaststaat. Van Eternit mag vervolgens worden verwacht dat zij tegenover hetgeen reeds (voorshands) als bewezen is aangenomen harerzijds voldoende feiten en omstandigheden stelt die tot een ander oordeel omtrent het oorzakelijk verband kunnen leiden. Daaromtrent oordeelt het hof als volgt.

4.21  Eternit heeft het causaal verband betwist. Zij heeft er daarbij onder meer op gewezen (a) dat mevrouw [A.] ruim 60 jaar binnen een straal van 1 kilometer van de voormalige Eternit fabriek heeft gewoond en verwijst in dat verband naar overgelegde producties over ‘neigbourhood-exposure’, (b) dat ook andere oorzaken dan asbestblootstelling het mesothelioom kunnen hebben veroorzaakt in welk verband zij verwijst naar een artikel uit 1996 van haar medisch adviseur Dr. [C.] (prod. 5 cva) ‘Mesothelioma unrelated to asbestos:the mesothelioma background or spontaneous incidence’ en (c) dat voor vrouwen – anders dan voor mannen – het attributief risico voor mesothelioom rond de 23 % ligt, zodat 67% van de gevallen bij vrouwen niet aan asbest kan worden toegeschreven (prod. 13 cva, notitie Dr. [C.] ‘Opwerpingen ivm. de zaak Boode-Heuten). In het onder (b) vermelde artikel van [C.] wordt betoogd dat blootstelling aan asbest niet de enige oorzaak van mesothelioom is, maar dat ook het mineraal erioniet, radioactieve straling en littekenvorming in de longen (van bijvoorbeeld de ziekte tuberculose) als andere mogelijke oorzaken van mesothelioom kunnen worden aangemerkt, terwijl ook sprake zou kunnen zijn van het spontaan opkomen van de ziekte, of van ‘cases induced by unknown causes’. Er zijn door Eternit echter geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat enige andere concrete oorzaak (bijvoorbeeld één van de door haar medisch adviseur geschetste mogelijke oorzaken) tot de ziekte bij mevrouw [A.] kan hebben geleid. Het hof merkt in dat verband op, dat de als productie 1 bij inleidende dagvaarding overgelegde medische stukken geen aanknopingspunt voor een andere oorzaak bieden en dat, in tegendeel, de brief van het Medisch Spectrum Twente van 7 december 1999 bij de anamnese onder meer vermeldt: ‘Geen TB en/of contacten daarmee’. Evenmin zijn concrete (statistische) gegevens overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de kans bestaat dat mevrouw [A.], gelet op de korte afstand van de boerderij tot de Eternit fabriek, als gevolg van ‘neighbourhood-exposure’ de ziekte mesothelioom heeft opgelopen, en zo ja, hoe groot die kans is. Nu bovendien niets concreets is aangevoerd omtrent enige andere oorzaak van het bij mevrouw [A.] aangetroffen mesothelioom, noch daarvan anderszins concreet iets is gebleken, kan in het midden blijven welke betekenis toekomt aan het relatief lage attributief risico daarop voor mesothelioom bij vrouwen en de juistheid van de daarop in het rapport (deelrapport 1 en 2) van het Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam van juni 2005 respectievelijk augustus 2005 (prod. 22 en 23 repliek) gemaakte – en door Eternit uitvoerig bestreden – kanttekeningen.

4.22  De conclusie moet derhalve zijn dat Eternit niet voldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot een ander oordeel omtrent voornoemd condicio sine qua non causaal verband kunnen leiden, zodat aan het leveren van tegenbewijs door Eternit niet wordt toegekomen. Het bewijsaanbod van Eternit wordt derhalve als niet ter zake dienend gepasseerd.
LJN BA6364

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies