Overslaan en naar de inhoud gaan

CRvB 170626 Over eigen kracht in de Jeugdwet; bovengebruikelijke hulp in totaal 56 uur en 5 minuten per week; geen voorziening voor jeugdhulp

CRvB 170626 Over eigen kracht in de Jeugdwet; bovengebruikelijke hulp in totaal 56 uur en 5 minuten per week; geen voorziening voor jeugdhulp 

zie voor de verordening: lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR739391/1

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 6 maart 2025. Het geschil ziet niet op de toegekende jeugdhulp verleend door professionele hulpverleners.

1.1.

In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de gemeenteraad met de Verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2018 (Verordening 2018) de opdracht van artikel 2.9 van de Jeugdwet (Jw) onvoldoende ten uitvoer heeft gelegd. Die Verordening biedt geen kader als in dat artikel bedoeld. Niet is geregeld wat de voorwaarden zijn voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij, een individuele voorziening. Weliswaar zijn de termen formele en informele ondersteuning in de Verordening 2018 gedefinieerd – te weten ondersteuning die met een vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget (pgb) wordt geboden door een deskundige respectievelijk een niet-deskundige – maar niet geregeld is wanneer een verzoek om een pgb voor informele ondersteuning verleend door de ouders wordt afgewezen. Elders wordt de term gebruikelijke hulp wel gedefinieerd: de normale, dagelijkse zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s), inwonende kinderen of huisgenoten. Maar aan het voldoen aan deze definitie worden geen gevolgen verbonden. Aan de jeugdige en de ouders wordt op deze wijze onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, geboden ten aanzien van de vraag waarop recht bestaat en wat de afwegingsfactoren zijn. Het bepaalde in de Verordening 2018 kan gezien het voorgaande niet ten grondslag worden gelegd aan de besluiten van 6 december 2022 en 6 maart 2023. De Jw geeft, gelet op artikel 2.9 van die wet, dat kader evenmin. Niet duidelijk is dan ook binnen welk juridisch sluitend afwegingskader deze besluiten tot stand zijn gekomen. Dit betekent dat deze besluiten een deugdelijke wettelijke grondslag ontberen en in strijd zijn met de wet. Aan het college is opdracht gegeven nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen.

De bestreden besluiten

2. De gemeenteraad van Súdwest-Fryslân heeft op 8 mei 2025 de Verordening Jeugdhulp van de gemeente Súdwest-Fryslân 2025 (Verordening 2025) vastgesteld. Het college heeft vervolgens ter uitvoering van de uitspraak van de Raad de thans bestreden besluiten genomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in de Verordening 2025 een kader is opgenomen voor de beoordeling van de aanvraag van een voorziening voor hulp die ouders aan hun kind bieden. JPH Consult heeft voorafgaand aan de besluiten van 6 december 2022 en 6 maart 2023 een nader onderzoek verricht om te beoordelen of het gezin over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beschikt om in de ondersteungingsbehoefte van appellanten te voorzien. Uit de adviezen van JPH Consult van 7 oktober 2022, die zijn opgesteld naar aanleiding van dit onderzoek, blijkt dat het gezin over voldoende eigen mogelijkheden beschikt om de problemen zelf op te lossen en dat door een goede afstemming tussen werk en zorg/hulpverlening ervoor gezorgd kan worden dat er altijd iemand thuis is om appellanten de hulp te bieden die zij nodig hebben. De ouders zijn beschikbaar om de kinderen die hulp te bieden en er is geen sprake van dreigende overbelasting of financiële problemen door de combinatie van zorg/hulpverlening en werk. Gelet op deze omstandigheden wordt van de ouders verwacht dat zij die benodigde hulp bieden en wordt hiervoor geen voorziening voor jeugdhulp toegekend, aldus het college. Over de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2020 had het college met het besluit van 6 maart 2023 aan appellanten een voorziening voor jeugdhulp voor de informele ondersteuning door de ouders voor totaal 40 uur per week toegekend in de vorm van een pgb. Dit heeft het college in stand gelaten.

Het standpunt van appellanten

3. Appellanten zijn het met de bestreden besluiten niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellanten hebben aangevoerd, de beroepsgronden, of de bestreden besluiten in stand kunnen blijven. De Raad komt tot het oordeel dat de beroepen niet slagen. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.

Appellanten voeren aan dat het college de bestreden besluiten niet had mogen baseren op de Verordening 2025. Dit is in strijd met de rechtszekerheid.

4.1.1.

Met betrekking tot deze grond wordt als volgt overwogen. De Verordening 2025 is op 17 mei 2025 in werking getreden, onder gelijktijdige intrekking van de daarvóór geldende Verordening. In de Verordening 2025 is overgangsrecht opgenomen. In artikel 22, derde lid, van de Verordening 2025, is bepaald dat op bezwaarschriften die nog in behandeling zijn na inwerkingtreding van de nieuwe verordening, de nieuwe verordening van toepassing is. De Verordening 2025 heeft dus onmiddellijke werking. Appellanten stellen dat de toepassing van deze bepaling achterwege moet blijven omdat die toepassing leidt tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd op dit punt en gezien de uitspraak van 6 maart 2025 geen aanknopingspunten om deze bepaling van – algemeen aanvaard – overgangsrecht buiten toepassing te laten. Met het bestreden besluit heeft het college toepassing gegeven aan artikel 22, derde lid. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Daarbij weegt mee dat, zoals het college ook ter zitting heeft toegelicht, toepassing van de oude regelgeving voor appellanten niet gunstiger was.

4.2.

Appellanten voeren voorts aan dat de Verordening 2025 nog steeds niet voldoet aan de eisen die de Jw stelt. De bestreden besluiten ontberen dan ook wederom een deugdelijke wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 2.9 van de Jw en zijn in strijd met de wet.

4.2.1.

Daarover wordt als volgt overwogen. In artikel 6 van de Verordening 2025 is opgenomen wat de criteria en afwegingsfactoren zijn bij het beoordelen of sprake is van gebruikelijke hulp en eigen mogelijkheden (eigen kracht). Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Hieronder wordt – voor zover relevant – in ieder geval verstaan gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders en bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan. In artikel 6, zesde en zevende lid, van de Verordening 2025 is dit nader uitgewerkt ten aanzien van onder meer – zoals hier van belang – de bovengebruikelijke hulp. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen bovengebruikelijke hulp in kortdurende en langdurige situaties. Voor een langdurige situatie, zoals hier aan de orde, worden weegfactoren genoemd en bestaat een restcategorie: overige individuele omstandigheden. Als die factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp, aldus lid 7.

4.2.2.

Los van de vraag of de financiële situatie onderdeel is van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, is naar het oordeel van de Raad met artikel 6, zesde en zevende lid, van de Verordening 2025 voor het overige met betrekking tot de criteria die hier aan de orde zijn een voldoende uitwerking gegeven aan artikel 2.9 van de Jw, zoals nader is uitgelegd in de uitspraken van de Raad van 29 mei 2024.2 De stelling van appellanten dat het Burgerlijk Wetboek (BW) nergens genoemd is, maakt dit niet anders. Uit de tekst van de Verordening 2025 blijkt dat rekening is gehouden met het bepaalde in het BW omtrent de plicht van ouders hun kinderen te verzorgen en op te voeden.

4.2.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders bovengebruikelijke hulp verlenen en ook de omvang van deze hulp is niet in geschil. Beide partijen sluiten hiervoor aan bij de in de adviezen van JPH Consult van 7 oktober 2022 opgenomen omvang van de bovengebruikelijke hulp van in totaal 56 uur en 5 minuten per week (17 uur en 45 minuten voor [naam kind A] , 19 uur en 15 minuten voor [naam kind B] en 19 uur en 5 minuten voor [naam kind C] ). Appellanten willen dat het college voor deze bovengebruikelijke hulp een voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een pgb verstrekt.

4.2.4.

Anders dan appellanten stellen, zijn in de adviezen van JPH-Consult van 7 oktober 2022 de criteria van artikel 6, zesde en zevende lid, van de Verordening 2025, voorzover relevant in dit geschil, terug te vinden, met uitzondering van de financiële situatie. Dat dit niet steeds puntsgewijs aan de orde is gekomen, doet hier in dit geval niet aan af. Uit die adviezen blijkt niet van problemen bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van die hulp en bij de belasting van de ouders. Het betoog van appellanten dat de financiële situatie door JPHConsult niet is meegewogen, kan hen niet baten. Wat er ook zij van de vraag of dit element onderdeel is van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, niet is gebleken dat in de periode hier in geding de financiële situatie van de ouders van appellanten tot problemen heeft geleid. Dat betekent dan ook dat appellanten niet in aanmerking komen voor een voorziening voor jeugdhulp. Centrale Raad van Beroep 17 juni 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:789