Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 040326 til-incident met serveerkar; ongeval en schade als gevolg daarvan niet aannemelijk gemaakt

RBLIM 040326 til-incident met serveerkar; ongeval en schade als gevolg daarvan niet aannemelijk gemaakt

4De beoordeling

4.1.

In deze procedure staat de vraag centraal of [werkgever] , als werkgever, op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [werknemer] stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

4.2.

Artikel 7:658 BW regelt de werkgeversaansprakelijkheid. In dat artikel is bepaald dat de werkgever – kort gezegd – aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij – voor zover hier relevant – aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan. Deze zorgplicht is ruim en vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden1.

4.2.1.

Op de werknemer rust de stelplicht, en indien betwist, de bewijslast om aan te tonen dat de schade op het werk of in de uitvoering van de werkzaamheden is veroorzaakt. De werknemer hoeft niet de exacte toedracht van het ongeval te bewijzen, maar wel dat de schade is ontstaan tijdens de werkzaamheden2.

4.3.

Kern van het geschil is de stelling van [werknemer] dat hij ischias heeft gekregen ten gevolge van de uitoefening van zijn werkzaamheden, meer in het bijzonder door het tillen van een serveerkar. [werkgever] heeft betwist dat een dergelijk ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de werkzaamheden of dat de ischias daarvan het gevolg is. De kantonrechter overweegt als volgt.

4.3.1.

[werknemer] stelt in de dagvaarding dat hij op enig moment in de periode 1 tot 4 november 2024 de opdracht heeft gekregen desserts voor te bereiden. Deze moesten op borden worden geplaatst en naar de lift worden gebracht. Om bij die lift te komen, moest [werknemer] met de serveerkar volgens zijn zeggen drie traptreden op. Ondanks dat [werknemer] heeft gevraagd om hulp bij zijn collega’s, zou hij die niet hebben gekregen. Hij heeft daarom geprobeerd de serveerkar de traptreden op te tillen. Dat is niet goed gegaan en [werknemer] kreeg pijn in zijn rug. Waar [werknemer] met de serveerkar naar onderweg was, is bij dagvaarding niet verduidelijkt. Bij conclusie van repliek heeft [werknemer] toegelicht dat hij de desserts in de koeling moest plaatsen, maar dat daar geen plaats was. Om die reden moest [werknemer] de serveerkar optillen, omdat het niet hygiënisch zou zijn om de desserts op de grond te plaatsen. De foto’s waarnaar wordt verwezen in het toedrachtsonderzoek van de voorraadkamer zijn niet de plek waar het ongeval volgens [werknemer] heeft plaatsgevonden. Het ongeval vond namelijk plaats op weg van de koeling naar de lift, aldus de conclusie van repliek. [werknemer] heeft na het vermeende tilincident nog twee weken doorgewerkt, voordat hij zich wegens rugklachten heeft ziekgemeld bij zijn leidinggevende.

4.3.2.

[werkgever] (h)erkent de door [werknemer] geschetste toedracht niet. Zo zijn er geen traptreden die genomen hoeven te worden om bij de lift te komen. Uit het toedrachtsonderzoek dat [werkgever] heeft laten uitvoeren, is over de situatie ter plaatse het volgende opgenomen:

“Vanuit de keuken rijdt men met een serveerkar door de (smalle) gang naar de lift. Vanuit de lift kun maar via één route naar de voorraadkamer, waar ook de koeling is gesitueerd. Om de voorraadkamer te betreden moet je door een toegangsdeur. Deze toegangsdeur is te bereiken door op een plateau (10 centimeter) te stappen. Vervolgens dien je over een drempel van ongeveer 7,5 centimeter te stappen waarna je de voorraadkamer naar achter loopt waar de koelingen zijn.”.

4.4.

De kantonrechter stelt allereerst voorop dat het rapport van het toedrachtsonderzoek, ondanks dat [werknemer] niet betrokken is geweest bij de opstelling daarvan, bruikbaar is in deze procedure. In hetgeen namens [werknemer] naar voren is gebracht, ziet de kantonrechter geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de rapportage voor wat betreft de daarin opgenomen feitelijke situatie van de werkomstandigheden. Het had op de weg van [werknemer] gelegen om deugdelijk te stellen op welke punten het rapport niet zou stroken met de werkelijkheid. Dit heeft hij nagelaten.

4.5.

Wat betreft het tilincident stelt de kantonrechter vast dat dit door niemand is waargenomen. Onduidelijk blijft bovendien wanneer, waar en op welke wijze het incident zou hebben plaatsgevonden. Zo [werknemer] gevolgd moet worden in zijn stelling dat hij vanuit de koeling naar de lift is gegaan met de serveerkar, wordt de verdere door [werknemer] geschetste toedracht gemotiveerd weerlegt door [werkgever] . Er zijn daar namelijk geen traptreden. Wel blijkt uit het toedrachtsonderzoek dat, om de koeling te verlaten, een drempel moet worden genomen, maar dat zijn niet de traptreden waar [werknemer] de serveerkar overheen heeft getild, zo wordt namens [werknemer] bij conclusie van repliek gesteld. Al met al kan de kantonrechter dan ook niet anders dan vaststellen dat [werknemer] er niet in is geslaagd om te onderbouwen dát of op welke wijze zich een ongeval heeft voorgedaan, waaruit hij schade zou leiden.

4.6.

Wat die schade betreft, merkt de kantonrechter nog op dat uit de rapportage3 van de Poolse arts uit de anamnese volgt dat een zware last is getild en dat als gevolg daar pijn is ontstaan. De anamnestisch verstrekte informatie is dus informatie die [werknemer] heeft verstrekt en die niet medisch geobjectiveerd is. Hoewel niet betwist wordt door [werkgever] dat [werknemer] last heeft van ischias, wordt wel betwist dat dit is ontstaan door of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. De kantonrechter is met [werkgever] van oordeel dat op geen enkele wijze is komen vast te staan, laat staan aannemelijk gemaakt, dat [werknemer] die ischias heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij [werkgever] . Mede gezien ook het tijdsverloop van bijna 3 maanden tussen het vermeende incident, de klachten en het eerste huisartsenbezoek, is het bestaan van de schade die het gevolg zou zijn van de bij de werkzaamheden uitgevoerde tilbeweging, onvoldoende onderbouwd.

4.7.

De vorderingen van [werknemer] worden afgewezen

1ECLI:NL:HR:2008:BC9225

2ECLI:NL:HR:2001:AB1430

3Productie 7 bij dagvaarding

 Rechtbank Limburg 4 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2286