Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 220126 Wn-er stoot al dan niet knie; wg-er niet aansprakelijk; schade tijdens uitoefening werkzaamheden komt niet vast te staan

RBOBR 220126 Wn-er stoot al dan niet knie; wg-er niet aansprakelijk; schade tijdens uitoefening werkzaamheden komt niet vast te staan

2De feiten

2.1.

MFN is een internationaal detacheringsbureau dat zich bezighoudt met de detachering van productiemedewerkers.

2.2.

[eiser] is op grond van een uitzendovereenkomst met ingang van 3 oktober 2022 bij MFN in dienst getreden voor een periode van (ongeveer) een jaar. In dat kader is [eiser] vanaf 7 november 2022 uitgezonden aan [gedaagde 1] , een bedrijf dat (onder meer) truckonderdelen produceert door het bewerken en assembleren van giet- en smeedwerk en lassamenstellingen. [eiser] heeft bij [gedaagde 1] voornamelijk gewerkt als lasser, een functie waarin hij veel ervaring heeft.

2.3.

Op 2 mei 2023 heeft [eiser] met zijn begeleider bij MFN, mevrouw [A] , besproken dat hij zijn knie had gestoten, waarna hij op 8 mei 2023 naar de huisarts is geweest, vergezeld door [B] van MFN. [B] heeft ook een aantal andere doktersbezoeken van [eiser] bijgewoond.

2.4.

Op 3 september 2023 (vlak voor de einddatum van het dienstverband tussen MFN en [eiser] op 30 september 2023) hield het werk voor [eiser] bij [gedaagde 1] op.

2.5.

Bij afzonderlijke brief van 14 september 2023 heeft (de gemachtigde van) [eiser] [gedaagde 1] en MFN aansprakelijk gesteld “in verband met het door hem op 1 mei 2023 overkomen ongeval, waarbij cliënt letsel heeft opgelopen”.
De gemachtigde van [eiser] schrijft hierover het volgende:

“Cliënt was op het moment van het ongeval aan u uitgezonden door Metaal Flex Nederland B.V. te Hapert.

Uit het relaas cliënt leid ik af dat hij de opdracht heeft gekregen om elementen voor heftrucks in de lasruimte te lassen. Op enig moment stootte hij zijn knie. Als gevolg van het ongeval heeft cliënt letsel opgelopen dat bestond uit letsel aan de kruisbanden en de meniscus.

Op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek kom ik tot de conclusie dat u voor de gevolgen van het aan cliënt overkomen ongeval aansprakelijk bent.

(…)”.

Na deze brief heeft [eiser] niet meer gewerkt voor MFN.

2.6.

Bij e-mail van 5 oktober 2023 heeft MFN aansprakelijkheid van de hand gewezen1. Bij e-mail van 13 oktober 2023 heeft [gedaagde 1] aansprakelijkheid van de hand gewezen2.

2.7.

Bij dagvaarding van 3 juli 2024 heeft [eiser] MFN en [gedaagde 1] in rechte betrokken.

2.8.

De gestelde aansprakelijkheid van MFN is verzekerd bij Achmea Schade- verzekeringen N.V. (hierna genoemd: “Achmea”).

In opdracht van Achmea is een onderzoek uitgevoerd naar de toedracht van het gestelde arbeidsongeval3.

In het Rapport Toedrachtsonderzoek wordt op pagina 3 samenvattend geconcludeerd dat het daadwerkelijk plaatsvinden van het ongeval en de gestelde toedracht niet konden worden vastgesteld:

"Door mij, rapporteur, kon de exacte oorzaak van het ongeval niet vastgesteld worden. Benadeelde zou zijn knie gestoten hebben in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Er zijn echter geen getuigen die het ongeval daadwerkelijk hebben zien gebeuren. Behalve dat de exacte oorzaak niet kon worden vastgesteld, kon ook niet worden vastgesteld of het ongeval überhaupt heeft plaatsgevonden. Niemand heeft iets gezien, er is geen melding van een ongeval gemaakt en benadeelde heeft zich niet ziek gemeld".

2.9.

Op 4 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] desgevraagd screenshots van metadata van de door [eiser] aangeleverde foto’s verstrekt. Hieruit blijkt dat deze niet op 1 mei 2023 zijn genomen4.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval dat zich op 1 mei 2023 heeft voorgedaan en wel op grond van artikel 7:658 lid 2 en lid 4 BW;

b. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de door hem geleden schade als gevolg van het arbeidsongeval van 1 mei 2023, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet en de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure;

c. gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2.

[eiser] voert als grondslag van zijn vorderingen het volgende aan.

[eiser] is een arbeidsongeval overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

Hij heeft op 1 mei 2023 om 11.00 uur tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden zijn rechterknie tegen een metalen handgreep van het lasapparaat gestoten (hierna genoemd: “de gasklem”), waarop hij direct veel pijn had5. Er zijn geen rechtstreekse getuigen van het ongeval. Wel is er een aantal personen die [eiser] meteen na het ongeval hebben gezien. Zij hebben gezien dat [eiser] hinkend rondliep. Verder heeft [eiser] zijn arbeidsongeval meteen gemeld bij de supervisor en de dag erna bij de coördinator van het uitzendbureau. Deze coördinator zei [eiser] dat hij pijnstillers moest nemen en moest vragen om kompressen voor op zijn knie. Dat zou [eiser] helpen. Helaas hielp dit niet. [eiser] is toen door de coördinator naar een huisarts gebracht. De huisarts kon echter niets aan de knie zien en meende dat de pijn na vier weken zou wegtrekken. Toen dat niet gebeurde, heeft [eiser] opnieuw de huisarts bezocht die hem heeft doorverwezen naar de orthopeed. Daar is een röntgenfoto van de rechterknie gemaakt waarop de dokter zei dat sprake was van artrose. De pijn aan de knie bleef echter aanhouden. [eiser] vroeg om een andere huisarts die hem desgevraagd een doorverwijzing voor een MRI en een orthopeed heeft gegeven. Uit een brief van de huisarts van 8 november 2023 blijkt dat [eiser] acuut letsel aan de meniscus/kniebanden heeft. Er is sprake van een complexe scheur van de mediale meniscus, kraakbeendefect en elongatie (verrekking) van de beide kruisbanden6.

[eiser] ervaart tot op heden klachten en beperkingen aan de rechterknie.

Hiermee staat volgens [eiser] de aansprakelijkheid van gedaagden op grond van artikel 7:658 lid 2 en lid 4 BW vast, tenzij zij stellen en zo nodig bewijzen dat zij aan de op hen rustende zorgplicht jegens [eiser] hebben voldaan. [eiser] is van mening dat gedaagden niet aan de bedoelde zorgplicht hebben voldaan.

3.3.

MFN en [gedaagde 1] voeren afzonderlijk verweer, maar betwisten beiden - kort samengevat - primair dat op 1 mei 2023 een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, althans dat dit is gebeurd op de door [eiser] beweerde wijze en dat vaststaat dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden waarvoor MFN en [gedaagde 1] op grond van artikel 7:658 lid 2 en 4 BW in beginsel aansprakelijk zijn. Subsidiair, voor het geval [eiser] heeft bewezen dat het door hem gestelde arbeidsongeval daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, stellen MFN en [gedaagde 1] zich op het standpunt dat is voldaan aan de zorgplicht zoals neergelegd in artikel 7:658 lid 1 BW. Indien zou komen vast te staan dat [eiser] zijn knie heeft gestoten tegen een lasklem en niet voldaan is aan de zorgplicht uit artikel 7:658 lid 1 BW, betwisten MFN en [gedaagde 1] meer subsidiair de aannemelijkheid van het causaal verband en de schade en daarmee de noodzaak voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure.

MFN en [gedaagde 1] concluderen op grond van dit alles tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid

4.1.

Deze zaak heeft internationale aspecten. [eiser] heeft de [land nationaliteit] nationaliteit en woont thans in [land] . [eiser] heeft erop gewezen dat de kantonrechter, locatie Eindhoven, rechtsmacht en bevoegdheid toekomt, omdat MFN en [gedaagde 1] in haar rechtsgebied zijn gevestigd en de zaak betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst.

MFN en [gedaagde 1] hebben dat niet betwist.

Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de kantonrechter van Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen.

Wettelijk kader

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de werkgever (in dit geval: MFN) aansprakelijk voor schade die de werknemer (in dit geval: [eiser] ) lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn in lid 1 omschreven zorgplicht heeft voldaan, of dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft (in dit geval: [eiser] )), aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de opdrachtgever ( [gedaagde 1] ) aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

4.3.

Voorgaande brengt mee dat [eiser] allereerst moet stellen, en bij betwisting moet bewijzen, dat hij (i) schade heeft geleden en (ii) dat hij deze schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, met andere woorden dat er een causaal verband bestaat tussen de schade en de werkzaamheden.

Ten aanzien van het eerste punt (de werknemer heeft schade opgelopen) geldt dat [eiser] bij de aanvang van de procedure niet al meteen de exacte omvang van de schade hoeft te stellen. Aannemelijkheid van schade is in eerste instantie voldoende7 en voor verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is8.

In het kader van het tweede punt (causaal verband tussen schade en werkzaamheden) moet [eiser] stellen en voldoende aannemelijk maken, dat hij de gestelde schade tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Het betreft hier een condicio-sine-qua-non-verband waarvan [eiser] het bewijsrisico draagt.

Oordeelt de kantonrechter dat niet komt vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, dan strandt daarmee de vordering van [eiser] .

Schade geleden in de uitoefening van de werkzaamheden?

4.4.

Het primaire verweer van MFN en [gedaagde 1] ziet op voornoemd tweede punt: zij betwisten gemotiveerd dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daartoe voeren zij naast het feit dat niemand het ongeval heeft zien gebeuren in hun conclusie van antwoord het volgende aan:

- Er is geen melding gemaakt van een ongeval, geen ongevallenregistratieformulier ingevuld en geen BHV of Arbeidsinspectie ingeschakeld. [gedaagde 1] betwist dat aan [eiser] zou zijn opgedragen om door te werken, ondanks het beweerdelijke knieletsel. [eiser] is uit zichzelf verdergegaan met zijn werk. De bewering van [eiser] dat hij aan zijn collega [C] (hierna: [C] ) gemeld zou hebben dat hij ( [eiser] ) op 1 mei 2023 een arbeidsongeval heeft gehad, is onjuist9. [eiser] heeft niets over een ongeval verteld aan [C] . Wel heeft [C] , toen hij zag dat [eiser] wat moeilijk liep, aan [eiser] gevraagd of het ging. Hierop heeft [eiser] alleen maar geantwoord dat hij zijn knie had gestoten, waarna hij weer aan het werk is gegaan.

- [eiser] heeft zich vanaf 1 mei 2023 tot en met zijn laatste werkdag bij [gedaagde 1] op 3 september 2023 nooit ziek gemeld en heeft in die periode gemiddeld 45 uur per week gewerkt. Er was destijds dan ook geen enkele aanleiding om te denken dat [eiser] een arbeidsongeval was overkomen.

- [eiser] heeft bij dagvaarding foto's in het geding gebracht van de beweerdelijke locatie waar het ongeval zou zijn gebeurd. Uit het toedrachtonderzoek blijkt dat deze foto's niet de feitelijke situatie ter plaatse illustreren waarover [eiser] in zijn relaas melding maakt:

op de foto’s staat niet de lasbox waar [eiser] werkzaam was. Het gaat om een lasbox waar andere collega’s werkten die meer specialistisch laswerk verrichtten;

in de lasbox waar [eiser] werkte, zit de lasklem altijd onderaan de lastafel bevestigd zodat deze niet in de weg zit. Het is überhaupt niet mogelijk om de lasklem op hoogte aan de lastafel vast te maken;

in werkelijkheid zijn er (ook in andere lasboxen) nooit twee klemmen bevestigd, aangezien er maar één lasklem nodig is om te kunnen werken en deze altijd onderaan de lastafel bevestigd zit. De lasklem die op de foto zichtbaar is (en naar [eiser] stelt op kniehoogte zit) hoort daar niet te zitten en zit daar in de praktijk ook niet.

- De als productie 3 bij dagvaarding overgelegde foto’s zijn niet op de dag van het gestelde ongeval genomen.

- Verschillende betrokkenen ( [D] , [C] , [E] , [F] en [G] ) verklaren allemaal dat de situatie op de foto een geënsceneerde situatie is.

- Uit de overgelegde medische informatie volgt niet dat [eiser] een arbeidsongeval is overkomen. Alhoewel [eiser] stelt dat hij meteen veel pijn had, ontbreekt medische informatie uit de periode van 1 mei 2023 tot 14 juni 2023.

4.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] , ter weerlegging van het primaire verweer van MFN en [gedaagde 1] , gewezen op de getuigenverklaringen die hij heeft overgelegd bij dagvaarding. Daarin wordt door diverse getuigen gesteld dat zij op de hoogte zijn van het arbeidsongeval. Er is ook een getuige die bevestigt dat [eiser] het ongeluk aan [C] heeft gemeld. Verder heeft [eiser] een eigen verklaring overgelegd.

Daarbij blijkt uit het huisartsenjournaal dat [eiser] als (nader ingebrachte) productie 15 heeft overgelegd dat hij zich op 8 mei 2023 tot de huisarts heeft gewend. Deze heeft genoteerd: “heeft zich een week geleden gestoten aan een metalen pin aan de tafel. Denkt dat hij zijn meniscus gebroken heeft. Gebruikt pijnstillers. Wil MRI scan”.

Verder wijst [eiser] op de Whatsapp berichten die hij als productie 19 in het geding heeft gebracht. In deze berichten spreekt [eiser] al op 4 mei 2023 over een arbeidsongeval en vraagt hij om assistentie.

Verder heeft [eiser] als productie 22 diverse foto’s van de verschillende laskamers overgelegd. Deze foto’s zijn door [eiser] voorzien van de nummers (van rechts naar links) 1 tot en met 5. [eiser] werkte naar zijn zeggen in verschillende laskamers. Hij heeft vaak in laskamer nummer 3 gewerkt. Het ongeval is echter gebeurd in laskamer nummer 5.

Op 1 mei 2023 was [eiser] in die laskamer werkzaam, wat ook volgt uit de foto’s die door hem in het geding zijn gebracht. Het is volgens [eiser] niet juist dat de lasklem nooit op de wijze die is aangegeven in de dagvaarding aan de lastafel werd bevestigd. Dit volgt bijvoorbeeld uit productie 23. Dat is een foto van een laskamer van veel latere datum waaruit (ook) blijkt dat wel degelijk de lasklem op de eerdere foto’s getoonde wijze aan een lastafel werd bevestigd.

4.6.

MFN en [gedaagde 1] hebben er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat er geen bewijs is dat het arbeidsongeval daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, terwijl er wel voldoende tegenbewijs is geleverd. In aanvulling hierop wijst de gemachtigde van MFN erop dat de lasklem zich in de lezing van [eiser] bevond op 63 cm boven de vloer10, terwijl zijn knie veel lager zit en de huisarts begin mei 2023 slechts een kleine blauwe plek heeft waargenomen aan de binnenkant van het been, onder de knie. Ook deze feiten doen afbreuk aan de ongeloofwaardigheid van het relaas van [eiser] . Daarbij komt dat uit de (summiere) medische informatie die is overgelegd, blijkt dat de knieklachten worden veroorzaakt door artrose. Artrose ontstaat niet door een plotselinge triggering (zoals stoten), maar enkel door slijtage en tijdsverloop. Verder is scheefstand van het rechteronderbeen geconstateerd en dat lijdt tot extra slijtage.

Met alles wat door MFN en [gedaagde 1] is ingebracht staat volgens hen genoegzaam vast dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden, Voor zover zou moeten worden aangenomen dat [eiser] zijn knie wel heeft gestoten tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, staat genoegzaam vast dat hierdoor niet de gestelde schade is veroorzaakt.

4.7.

De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

4.7.1.

Het is aan [eiser] om te bewijzen dat hij tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij [gedaagde 1] schade heeft geleden. [eiser] heeft dit onvoldoende aannemelijk gemaakt want deugdelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt. Hij heeft geen, althans geen objectief en/of overtuigend bewijs geleverd dat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft [eiser] enige verklaringen van collega’s in het geding gebracht maar nog daargelaten dat deze collega’s niet uit eigen wetenschap hebben kunnen verklaren over het gestelde ongeval, hebben zij tijdens het toedrachtonderzoek verklaringen afgelegd die op relevante onderdelen afbreuk doen aan de stellingen van [eiser] . De eigen verklaring van [eiser] kan niet gelden als objectief bewijsmiddel.

4.7.2.

Bij het voorgaande komt dat de toedracht van het door [eiser] gestelde ongeval door MFN en [gedaagde 1] gemotiveerd is betwist. Deze betwisting is door [eiser] onvoldoende gemotiveerd en/of overtuigend weersproken. Dit geldt zelfs als wordt uitgegaan van de authenticiteit en juistheid van de door [eiser] ingebrachte foto’s en stellingen. Ter toelichting hierop overweegt de kantonrechter het volgende.

Uit het Rapport Toedrachtsonderzoek van Achmea volgt dat de rapporteur de volgende foto, die ook door [eiser] is ingebracht als productie 3 bij dagvaarding, als maatgevend heeft genomen. Uit die foto blijkt het volgende11:

De kantonrechter gaat er vanuit dat de lasklem inderdaad op 63 cm hoogte zat, want zoals door [eiser] gesteld bij dagvaarding is op bovenstaande foto (door hem ook ingebracht als productie 3 en genomen op 3 mei 2023)“de exacte locatie te zien” waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling is door of namens [eiser] aanvullend verklaard dat de situatie op 3 mei 2023, toen de door hem overgelegde foto is genomen, nog identiek was aan de situatie tijdens het arbeidsongeval. Zelfs ‘het blok’ dat is te zien op de foto, lag er op 1 mei 2023 ook, aldus [eiser] .

4.7.3.

[eiser] heeft de stelling van MFN, dat de lasklem bevestigd was op 63 cm boven de vloer niet weersproken. Ook heeft hij niet weersproken dat een knie van een persoon met de lengte van [eiser] (van minder dan 1,80 m) aanmerkelijk lager zit. Desgevraagd heeft de gemachtigde van [eiser] ter zitting wel verklaard dat de lasklem wel degelijk op de hoogte van de knie van [eiser] zat, maar dat komt de kantonrechter na enig feitelijk onderzoek12 - mede gelet op de tijdens de mondelinge behandeling waargenomen lengte van [eiser] - niet aannemelijk voor en enige onderbouwing of overtuigende toelichting is door de gemachtigde van [eiser] niet gegeven. De kantonrechter heeft bij haar beoordeling verder in aanmerking genomen dat de huisarts op 8 mei 2023 het letsel (een kleine blauwe plek) heeft waargenomen aan de binnenkant van het been, onder de knie, wat strookt met de conclusie in het toedrachtonderzoek dat de lasklem (indien al aanwezig) hoger heeft gezeten dan de knie van een persoon met een lengte als [eiser] . Dit door de huisarts waargenomen letsel kan - zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt - dus niet als bewijs dienen voor de stelling dat de lasklem (zoals getoond op bovenstaande foto) knieletsel bij [eiser] heeft veroorzaakt.

4.8.

Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat [eiser] op 1 mei 2023 (uit een gesteld knieletsel voortvloeiende) schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij [gedaagde 1] . Dit betekent dat het primaire, meest verstrekkende verweer van MFN en [gedaagde 1] slaagt, dat de overige stellingen van partijen geen bespreking meer behoeven en dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

1Zie productie 11 bij dagvaarding.

2Zie productie 6 bij dagvaarding.

3Het Rapport Toedrachtonderzoek van 28 augustus 2024 is bij conclusie van antwoord aan de zijde van MFN overgelegd als productie A.

4Zie productie B bij conclusie van antwoord van MFN.

5[eiser] heeft als productie 3 bij dagvaarding enkele foto’s in het geding gebracht van de plaats waar het ongeval is gebeurd. Op de laatste van deze foto's is volgens [eiser] de exacte locatie te zien.

6Zie productie 4 bij dagvaarding.

7Zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211.

8Zie HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435, r.ov. 3.4.

9[gedaagde 1] verwijst in dit verband naar de tweede verklaring van [C] , die als productie 7 bij haar conclusie van antwoord is bijgevoegd.

10Zie productie A bij conclusie van antwoord, bijlage 1, pg 5, foto 3.

11Zie bijlage 1 (interview) pg 5 bij het Rapport Toedrachtsonderzoek.

12De kantonrechter en de griffier hebben in navolging van de stelling van MFN zelf ook de hoogte gemeten van de vloer tot aan de knie.

 

Rechtbank Oost-Brabant 22 januari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:474