Zoeken

Inloggen

Artikelen

RvS 151117 lumpsum schadevergoeding tzv letsel na gasexplosie; Belastingdienst dient deel immateriële schade vast te stellen voor bepaling recht op toeslagen

RvS 151117lumpsum schadevergoeding tzv letsel na gasexplosie; Belastingdienst dient deel immateriële schade vast te stellen voor bepaling recht op toeslagen

Inleiding

1. 
Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2. 
[appellante] heeft op grond van een vaststellingsovereenkomst met Achmea Schadeverzekeringen N.V. van 12 juli 2013 een schadevergoeding van € 320.000,00 ontvangen wegens een haar overkomen gasexplosie waarbij zij letsel heeft opgelopen. Vervolgens heeft de inspecteur van de Belastingdienst in de aanslag inkomstenbelasting van [appellante] over 2014 een grondslag sparen en beleggen van € 196.258,00 en een voordeel uit sparen en beleggen van € 7.850,00 in aanmerking genomen.

3. 
[appellante] heeft over 2014 voorschotten zorg- en huurtoeslag ontvangen. Bij besluit van 4 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [appellante] over 2014 definitief vastgesteld op onderscheidenlijk € 865,00 en € 2.505,00.

Bij de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 28 januari 2016 en 27 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze toeslagen herzien en vastgesteld op nihil, de betaalde voorschotten teruggevorderd en het verzoek van [appellante] om een deel van het vermogen bij de berekening van de toeslagen buiten beschouwing te laten, afgewezen. De dienst heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Uitvoeringsregeling) om immateriële schadevergoedingen buiten beschouwing te laten, omdat in de vaststellingsovereenkomst het bedrag van de schadevergoeding niet is opgesplitst in materiële en immateriële schade. Nu uit de aanslag inkomstenbelasting van [appellante] over 2014 volgt dat zij een voordeel uit sparen en beleggen van € 7.850,00 heeft, heeft zij over 2014 geen recht op huurtoeslag. Ook volgt uit die aanslag inkomstenbelasting dat een grondslag sparen en beleggen in aanmerking is genomen dat de inkomensgrens voor de zorgtoeslag van € 81.360,00 te boven gaat, zodat [appellante] daarom over 2014 evenmin recht op zorgtoeslag heeft, aldus de dienst.

De rechtbank heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard.

Hoger beroep

4. 
[appellante] betoogt – samengevat – dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen op goede gronden het verzoek om een deel van het vermogen van [appellante] buiten beschouwing te laten, heeft afgewezen en terecht de huur- en zorgtoeslag over 2014 op nihil heeft gesteld. Volgens [appellante] had de dienst de schadevergoeding op grond van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling buiten beschouwing moeten laten. Dat in de vaststellingsovereenkomst geen onderscheid is gemaakt tussen materiële en immateriële schadevergoeding, had voor de dienst aanleiding moeten zijn om daar nader onderzoek naar te doen alvorens tot besluitvorming over te gaan, aldus [appellante].

4.1. 
Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) en artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: Wzt) moet het vermogen van [appellante] worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en het recht op huur- en zorgtoeslag. Voor de huurtoeslag is van belang dat in artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is bepaald dat geen aanspraak op een tegemoetkoming bestaat, indien bij de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in aanmerking wordt genomen. Voorts is in artikel 2a, eerste lid, van de Wzt bepaald dat, in afwijking van artikel 7, derde lid, van de Awir, geen aanspraak op een zorgtoeslag bestaat indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001, van de belanghebbende in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 81.360,00.

Op grond van artikel 47 van de Awir kan een regeling worden gemaakt voor de toepassing van een hardheidsclausule voor groepen van gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde lid, van de Awir en artikel 2a, eerste lid, van de Wzt leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze regeling is neergelegd in de Uitvoeringsregeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8697), bestaat buiten de in de Uitvoeringsregeling opgesomde gevallen geen bevoegdheid tot het buiten toepassing laten van bezittingen en uitkeringen.

4.2. 
Ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 1o, van de Uitvoeringsregeling blijft op verzoek van de belanghebbende artikel 7, derde lid, van de Awir buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet IB 2001 zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar ontvangen immateriële schadevergoedingen. Ingevolge het vijfde lid kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid eveneens worden gedaan met betrekking tot het buiten toepassing laten van artikel 2a, eerste lid, van de Wzt indien de belanghebbende wel aanspraak op zorgtoeslag zou hebben indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet IB 2001, zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de eenmalige uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

In de toelichting bij artikel 9 van de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 27 december 2005, nr. 251, p. 31) staat dat immateriële schadevergoedingen een rol spelen in situaties, waarbij naar aanleiding van een ongeval een schadevergoeding is uitgekeerd. Alleen het gedeelte dat daadwerkelijk als smartengeld is verstrekt mag dan voor de vermogenstoets op de rendementsgrondslag in mindering worden gebracht, aldus de toelichting.

4.3. 
Uit de onder 4.2 vermelde regeling en de toelichting daarop volgt niet dat alleen vergoedingen van immateriële schade die als zodanig zijn benoemd onder het bereik van de in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling geregelde uitzondering vallen. Ook anderszins kan blijken dat een uitkering ter vergoeding van immateriële schade is gedaan.

In dit geval is aan [appellante] op grond van de vaststellingsovereenkomst een schadevergoeding betaald van € 320.000,00 voor de geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade wegens een haar overkomen gasexplosie waarbij zij letsel heeft opgelopen. Hiermee staat vast dat een deel van de schadevergoeding betrekking heeft op immateriële schade. Uit de overeenkomst blijkt echter niet welk deel van de uitkering geacht moet worden te dienen als vergoeding van de immateriële schade ten gevolge van het ongeval. Uit de persoonlijke omstandigheden van [appellante] blijkt dit evenmin. Gelet hierop was het aan de Belastingdienst/Toeslagen om vast te stellen, welk deel van het aan [appellante] uitgekeerde bedrag als vergoeding voor materiële schade en welk deel voor immateriële schade heeft te gelden en had de dienst bij twijfel in het voordeel van [appellante] dienen te beslissen. Ter vergelijking wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1792. Anders dan de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting heeft betoogd, is niet van belang dat die uitspraak betrekking heeft op een sommenverzekering en het hier om een lumpsum vergoeding gaat. In beide gevallen gaat het om een uitkering naar aanleiding van een ongeval die mede strekt tot vergoeding van immateriële schade. Gelet op het voorgaande is het besluit van 4 juli 2016 onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog slaagt. Hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

Slotoverwegingen

5. 
Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 juli 2016 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts ziet de Afdeling op basis van het onderzoek ter zitting aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. Ter zitting is gebleken dat het aan [appellante] uitgekeerde schadebedrag van € 320.000,00 betrekking heeft op inkomensschade en letselschade. Op grond van een redelijke inschatting van de verdeling van dit bedrag over deze twee schadesoorten is het naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat het bedrag voor de immateriële schade zo groot is, dat toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 1o, en het vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling ertoe leidt dat [appellante] over 2014 recht op huurtoeslag en zorgtoeslag heeft.

6. 
Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. stichtingpiv.nl/

Deze website maakt gebruik van cookies