Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 241225 eiseres niet ontvankelijk nu enkel verlof voor hoger beroep is gevraagd en geen procedure ten principale is ingesteld

RBMNE 241225 eiseres niet ontvankelijk nu enkel verlof voor hoger beroep is gevraagd en geen procedure ten principale is ingesteld
- kostenveroordeling ten laste van eiseres t.z.v. griffiegeld wederpartij

2De kern van de zaak

2.1.

[eiseres] is het niet eens met de uitspraak van 9 april 2025 die deze rechtbank heeft gedaan in de deelgeschilprocedure met zaak-/rekestnummer 586925 / HA RK 25-1. Zij wil daarvan in hoger beroep. SOM en [gedaagde sub 2] hebben daar geen bezwaar tegen. De rechtbank geeft in dit vonnis geen toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep, omdat niet het hele geschil aan de bodemrechter wordt voorgelegd. De rechtbank verklaart [eiseres] daarom niet-ontvankelijk.

3De achtergrond van het geschil

3.1.

[eiseres] en [gedaagde sub 2] zijn als fietsers met elkaar in botsing gekomen. [eiseres] is daarbij gevallen en gewond geraakt. Zij vindt dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het ongeval en haar schade moet vergoeden. Omdat partijen daar met elkaar niet uitkwamen is [eiseres] bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure begonnen om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid. De deelgeschilrechter heeft beslist dat [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk is voor het ongeval, kort gezegd omdat [eiseres] geen voorrang had. De verklaringen voor recht over aansprakelijkheid en schadevergoeding die [eiseres] in deelgeschil heeft gevraagd zijn daarom afgewezen.

4De beoordeling

Toetsingskader voor het geven van verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep

4.1.

Om van een uitspraak in een deelgeschilprocedure hoger beroep te kunnen instellen moet eerst een bodemprocedure worden gestart. In die bodemprocedure moet het hele geschil, ‘de eigenlijke rechtsvraag’, worden voorgelegd of, in de woorden van artikel 1019cc lid 3 Rv, er moet een ‘procedure ten principale’ worden ingesteld. Anders dan bij een deelgeschil kan dus niet volstaan worden met het voorleggen van een ‘deel van het geschil’ (een of enkele aspecten waarover discussie is). Door deze route krijgt een deelgeschilbeschikking kort gezegd de status van een tussenvonnis. Dit betekent dat beslissingen die in de deelgeschilbeschikking staan dezelfde bindende kracht hebben als (eind)beslissingen in tussenvonnis. In de bodemprocedure moet dan aan de bodemrechter verlof worden gevraagd om in hoger beroep te mogen van de deelgeschilbeschikking (als van een tussenvonnis). Verder is het zo dat van een deelgeschilbeschikking alleen hoger beroep kan worden ingesteld als daarin bindende eindbeslissingen staan over de materiële rechtsverhouding van partijen. Dit volgt uit artikel 1019bb samen met artikel 1019cc lid 1 en 3 Rv. Over de termijn voor het instellen van hoger beroep heeft de Hoge Raad in het arrest van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) beslist dat deze gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Omdat een deelgeschilbeschikking in een bodemprocedure zoals gezegd de status krijgt van tussenvonnis zal de rechtbank als het gaat om de start van de appeltermijn aansluiten bij deze regeling ook al wijkt die af van dat wat in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv is bepaald over het aanvangsmoment van de appeltermijn. Bij het beoordelen van het verlenen van verlof moet de rechter er van de Hoge Raad ook op letten of het openstellen van hoger beroep niet tot onredelijke vertraging van de procedure leidt (zie punt 3.2.4 van het arrest van 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924).

Niet het volledige geschil wordt voorgelegd

4.2.

Met de dagvaarding van 24 oktober 2025 is [eiseres] een bodemprocedure gestart. Aan het einde van de dagvaarding is de vordering (het petitum) opgenomen. Dat petitum is zo geformuleerd:
“mitsdien het de rechtbank moge behagen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eiseres] verlof te verlenen om (tussentijds) hoger beroep te mogen instellen tegen de deelgeschilbeschikking van 9 april 2025;

II. een mondelinge behandeling te bepalen als uw rechtbank meent dat de vordering dient te worden toegelicht.”
4.3. De rechtbank is van oordeel dat met deze vordering geen ‘procedure ten principale’ is ingesteld zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 3 Rv. Gevorderd wordt verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep. Dat is geen vordering die normaal gesproken in een bodemprocedure wordt (kan worden) ingesteld. Om te bereiken dat in een lopende bodemzaak, na een tussenvonnis, hoger beroep mag worden ingesteld, moet een verlofverzoek aan de zaaksrechter worden gedaan. Er wordt in de zaak zoals die (voor) [eiseres] is aangebracht aan de rechtbank geen oordeel gevraagd over de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en ook niet over daarmee samenhangende onderwerpen zoals de verplichting tot het betalen van schadevergoeding door [gedaagde sub 2] en/of SOM.

Het verlof wordt niet verleend, [eiseres] is niet-ontvankelijk

4.4.

Dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat geen verlof wordt verleend voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking, ook al is daarin met het oordeel dat [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk is tegenover [eiseres] wel een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv. Dit geldt ook voor het feit dat het verzoek wel op tijd is gedaan en de inschatting is dat een hoger beroep ook niet tot onredelijke vertraging zal leiden. Ook al is dus (verder) aan alle vereisten voor het instellen van tussentijds hoger beroep voldaan, kan dat er toch niet toe leiden dat de rechtbank toestemming geeft om in hoger beroep te gaan van de deelgeschilbeschikking van 9 april 2025.

[eiseres] moet de proceskosten betalen

4.5.

[eiseres] krijgt geen gelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van SOM en [gedaagde sub 2] worden begroot op het bedrag van € 714,00 dat voor griffierecht aan de rechtbank is betaald.Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7072