Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 130526 Ouders vragen toestemming om schadevergoeding na ongeval kind over te maken op eigen rekening; toegewezen voor materiële schade

RBOBR 130526 Ouders vragen toestemming om schadevergoeding na ongeval kind over te maken op eigen rekening; toegewezen voor materiële schade

Beoordeling

Verzoekers zijn de ouders én bewindvoerders van betrokkene. Verzoekers vragen machtiging om een bedrag van € 82.530,68 ten laste van het vermogen van betrokkene in rekening te mogen brengen. Aan het verzoek ligt, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Door een ernstig ongeval op 24 juli 2024 is betrokkene gewond geraakt, waarna zij in het ziekenhuis is opgenomen en daarna langdurig is verpleegd door haar moeder. De materiële en immateriële schade van het ongeval is door middel van een vaststellingsovereenkomst afgehandeld, waardoor er in totaal een bedrag van € 92.000,00 aan betrokkene is uitgekeerd. In de vaststellingsovereenkomst is het volgende opgenomen; “Wettelijk vertegenwoordiger en verzekeraar komen overeen dat de door belanghebbende geleden en te lijden schade wordt vastgesteld op een bedrag van € 92.000,00. Met dit bedrag vergoedt verzekeraar alle materiële en immateriële schade, die belanghebbende heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.”

Verzoekers vragen om een bedrag van € 82.530,68 over te mogen maken naar hun eigen rekening ter zake de kosten die zij hebben gemaakt tijdens de ziekenhuisopname en thuisverpleging van betrokkene. De kosten die worden gedeclareerd bestaan onder meer uit gederfde inkomsten, verblijfskosten in het ziekenhuis, onderhoud van de tuin van verzoekers, kosten voor verpleging en misgelopen vakanties waarvoor geen toereikende verzekering was afgesloten.

Op verzoek van de kantonrechter is er een verklaring overgelegd door de uitkerende verzekeringsmaatschappij om te kunnen beoordelen welke bedragen door de verzekeringsmaatschappij zijn uitgekeerd en voor welk doel. Uit deze verklaring blijkt dat er uiteindelijk een bedrag van € 65.000,00 aan materiële schadevergoeding is uitgekeerd en een bedrag van € 27.000,00 aan smartengeld.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Uit de overgelegde documentatie blijkt dat verzoekers de kosten die zij ten grondslag leggen aan dit verzoek, nagenoeg ook als materiële schade hebben opgevoerd in de onderhandelingen met de verzekeringsmaatschappij die hebben geresulteerd in de vaststellingsovereenkomst. Omdat de uitkerende verzekeringsmaatschappij nagenoeg dezelfde opgave van kosten heeft beoordeeld als die is voorgelegd aan de kantonrechter, ziet de kantonrechter geen grond om af te wijken van het bedrag dat de verzekeringsmaatschappij heeft uitgekeerd aan materiële schadevergoeding, te weten een bedrag van € 65.000,00. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat het uitgekeerde smartengeld, te weten € 27.000,00, beschikbaar moet blijven voor betrokkene. Het smartengeld betreft immers een vergoeding voor de immateriële schade die betrokkene (en niet verzoekers) heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden. De kantonrechter zal daarom het verzoek gedeeltelijk toewijzen, voor een bedrag van € 65.000,00. Rechtbank Oost-Brabant 13 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3358