GHDHA 220926 ontslag op staande voet tijdens ziekte; voor omvang billijke vergoeding (€ 50.000) is het afschrikwekkend doel belangrijk
- Meer over dit onderwerp:
GHDHA 220926 ontslag op staande voet tijdens ziekte; voor omvang billijke vergoeding (€ 50.000) is het afschrikwekkend doel belangrijk
6Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
Geen dringende reden
6.1
Centraal in deze zaak staat de rechtsgeldigheid van het door Prijsvrij aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet. In de bestreden beschikking is geoordeeld dat van een dringende reden geen sprake is, als volgt.
Autorijden
Prijsvrij heeft in de ontslagbrief (kort gezegd) vermeld dat uit het observatieverslag van Hoffmann Bedrijfsrecherche blijkt dat [verweerder] op meerdere dagen in maart 2025 zelfstandig auto heeft gereden en dat Prijsvrij heeft geconstateerd dat hij op 13 april 2025 heeft deelgenomen aan de marathon van Rotterdam en dat hij deze ook heeft uitgelopen, terwijl in de rapportage van de bedrijfsarts van 1 april 2025 is opgenomen dat [verweerder] nog niet zelfstandig auto rijdt en dat sprake is van beperkingen met betrekking tot langdurige/zware fysieke inspanning.
[verweerder] heeft verklaard dat hij tijdens het consult van 1 april 2025 tegen de bedrijfsarts heeft gezegd dat hij sinds eind februari 2025 (toen hij medicatie had voor zijn ziekte) kleine stukjes auto rijdt, maar dat hij nog niet in staat was om langere afstanden, zoals woon-werkverkeer en de afstand naar Den Bosch voor het consult bij de bedrijfsarts, te rijden.
Deze verklaring van [verweerder] is plausibel. Deze strookt ook met de bevindingen van Hoffmann, die heeft geconstateerd dat [verweerder] op 17 maart, 24 maart en op 1 april 2025 slechts enkele (zeer) korte ritjes met de auto heeft gereden om zijn kind naar school te brengen en om een boodschap te doen, en dat de broer van [verweerder] hem op 1 april 2025 naar de bedrijfsarts in Den Bosch heeft gebracht.
De verklaring van [verweerder] vindt steun in de overgelegde schriftelijke verklaring van zijn broer van 22 augustus 2025. Daarin is ook vermeld dat [verweerder] op 1 april 2025 aan de bedrijfsarts heeft verteld dat hij inmiddels weer wat korte ritjes met de auto had gereden, maar dat langere ritten nog niet mogelijk waren.
Prijsvrij heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat zij niet met de bedrijfsarts heeft besproken dat Hoffmann heeft geconstateerd dat [verweerder] inmiddels korte afstanden auto rijdt en hoe dit zich verhoudt met het verslag van de bedrijfsarts van 1 april 2025. Meer in het bijzonder had Prijsvrij de bedrijfsarts kunnen vragen wat [verweerder] nu precies over het autorijden heeft gezegd tijdens het consult op 1 april 2025. Dit had wel op de weg van Prijsvrij gelegen, maar dat heeft zij niet gedaan.
De conclusie is dat op grond van de door Prijsvrij aangevoerde feiten en omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat [verweerder] de bedrijfsarts en Prijsvrij heeft misleid over het autorijden.
Hardlopen
[verweerder] heeft gesteld dat hij al tijdens het eerste consult bij de eerste bedrijfsarts op 3 januari 2025 heeft meegedeeld dat hij 4 keer per week hardliep en dat hij in training was voor de marathon van Rotterdam. Dit blijkt ook uit de door [verweerder] overgelegde notities van deze bedrijfsarts (pagina 20 van de medische kaart van [verweerder] ). Dat dit niet in de rapportage van de bedrijfsarts van 3 januari 2025 is opgenomen, kan niet aan [verweerder] worden verweten.
Verder had het op de weg van Prijsvrij gelegen om het hardlopen met de bedrijfsarts te bespreken. Prijsvrij wist immers dat [verweerder] zeer actief was met hardlopen en dat hij recent een halve marathon had gelopen. Dit blijkt uit de e-mail van Prijsvrij van 6 januari 2025. De gemachtigde van Prijsvrij heeft dit tijdens de zitting nog eens erkend. Zowel de bedrijfsarts als Prijsvrij waren er dus al begin januari 2025 van op de hoogte dat [verweerder] zeer intensief hardliep.
Uit niets blijkt dat de gemachtigde van [verweerder] tijdens een telefoongesprek op 9 januari 2025 aan de gemachtigde van Prijsvrij heeft meegedeeld dat [verweerder] niet meer zou hardlopen. Prijsvrij heeft er vervolgens zelf voor gekozen om over te stappen naar een nieuwe bedrijfsarts. Voor zover deze bedrijfsarts niet op de hoogte was van het hardlopen, valt dit niet aan [verweerder] te verwijten. Prijsvrij, die hier kennelijk zwaar aan tilde, had de bedrijfsarts hierover zelf kunnen informeren.
De conclusie van de kantonrechter is dat op grond van de door Prijsvrij aangevoerde feiten en omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat [verweerder] de bedrijfsarts en Prijsvrij heeft misleid over het hardlopen.
Sociale media
De stelling van Prijsvrij dat het (op)volgen van berichten op LinkedIn door [verweerder] niet te verenigen valt met het volgens de bedrijfsarts niet kunnen verrichten van beeldschermwerk is niet relevant. Immers, deze reden is in de ontslagbrief niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. Alleen al hierom kan het gebruik van sociale media niet als dringende reden worden aangemerkt.
6.2
Met de principale grief 1 komt Prijsvrij op tegen dit oordeel, als volgt.
Het is niet juist dat [verweerder] op 1 april 2025 tegen de bedrijfsarts heeft gezegd dat hij sinds eind februari 2025 kleine stukjes auto rijdt, maar dat hij nog niet in staat was om langere afstanden te rijden. Uit de correspondentie met de bedrijfsarts volgt dat [verweerder] toen heeft gezegd dat hij nog geen auto reed in verband met het feit dat de visus per dag en soms per moment wisselde. [verweerder] heeft dus in strijd met de waarheid verklaard en is dus terecht op deze grond ontslagen.
Volgens Prijsvrij had [verweerder] de bedrijfsarts moeten informeren over het hardlopen. Uit de rapportages en correspondentie met de bedrijfsarts blijkt dat [verweerder] heeft gezegd dat hij geen (zware) fysieke inspanning kon leveren, terwijl hij topfit moet zijn geweest. Dat de vorige bedrijfsarts wist dat [verweerder] een paar keer per week hardliep is een andere kwestie dan de zware voorbereiding op een marathon. Dat [verweerder] de marathon van Rotterdam heeft gelopen wist Prijsvrij pas op 13 april 2025, zodat het onmogelijk was dit aan de bedrijfsarts mee te delen. Prijsvrij heeft de gemachtigde van [verweerder] uitdrukkelijk nagevraagd of [verweerder] nog zo intensief trainde, maar daar wilde zij geen uitspraak over doen.
Prijsvrij erkent dat zij het opvolgen van social mediaberichten niet in de ontslagbrief als ontslagreden heeft genoemd. Echter, deze omstandigheid draagt wel bij aan het beeld dat Prijsvrij heeft gekregen van [verweerder] . Namelijk dat hij zijn energie (en visuele inzet achter een beeldscherm) wél kan inzetten voor privézaken, maar niet voor Prijsvrij.
Prijsvrij is van mening dat de kantonrechter ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat de bedrijfsarts op 3 januari 2025 heeft geoordeeld dat er benutbare mogelijkheden waren. [verweerder] had daarom op dat moment gehoor moeten geven aan het verzoek van Prijsvrij om te onderzoeken welke werkzaamheden konden worden verricht. Zou dit zijn gebeurd, dan was deze kwestie daarna mogelijk niet zo geëscaleerd.
Tot slot is Prijsvrij van mening dat van belang is dat de bedrijfsarts heeft bevestigd dat de prognose ten aanzien van herstel en re-integratie mogelijk anders waren geweest, als [verweerder] had verteld over het trainen voor de marathon en het feit dat hij wel degelijk kon autorijden.
6.3
De principale grief 1 faalt. Het hof neemt het oordeel van de kantonrechter, en de gronden waarop dit oordeel is gebaseerd, over. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.
Op Prijsvrij ligt de bewijslast van de feiten en omstandigheden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. In de kern lijkt Prijsvrij te betogen dat [verweerder] minder ziek was dan hij deed voorkomen en dat [verweerder] de bedrijfsarts informatie heeft onthouden, waardoor de bedrijfsarts zich een onjuist oordeel heeft gevormd over de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en diens mogelijkheden tot re-integratie.
Prijsvrij heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep evenwel te kennen gegeven de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] als zodanig niet te betwisten (pleitaantekeningen 20). Het hof gaat er dus van uit dat [verweerder] in de periode waar het om gaat, arbeidsongeschikt was. Het verwijt van Prijsvrij ziet dus inmiddels kennelijk erop dat de bedrijfsarts een onjuist advies heeft gegeven over de inzetbaarheid van [verweerder] en diens re-integratiemogelijkheden doordat [verweerder] geen openheid van zaken heeft gegeven over het autorijden en het hardlopen.
Het feit dat bedrijfsarts [bedrijfsarts] (naderhand) heeft verklaard dat bij bekendheid van het marathonlopen “de prognose tav van herstel en reintegratie mogelijkheden er wellicht anders kunnen uitzien” vormt onvoldoende bewijs van de stelling van Prijsvrij dat de bedrijfsarts als gevolg van misleiding door [verweerder] een onjuist advies heeft gegeven. Dat geldt ook voor de overgelegde verklaring van neuroloog
dr. [neuroloog] , nog los van de vraag wat een neuroloog kan verklaren over de spierziekte Myasthenia Gravis. Ook in samenhang vormen deze verklaringen onvoldoende bewijs.
Billijke vergoeding
6.4
De kantonrechter heeft geoordeeld dat Prijsvrij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [verweerder] op die grond aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Daartoe heeft de kantonrechter als volgt overwogen.
Prijsvrij is na de ziekmelding door [verweerder] er al snel ‘met gestrekt been’ is ingegaan en in zeer korte tijd een conflict heeft laten ontstaan.
Zo heeft Prijsvrij begin januari (vrij kort na de ziekmelding van [verweerder] ) de juistheid van de ziekmelding betwijfeld en hem een aantal keren opgeroepen op kantoor te verschijnen op straffe van opschorting van het loon, hoewel de bedrijfsarts had geadviseerd dat [verweerder] alleen als telefonische vraagbaak voor collega’s beschikbaar zou kunnen zijn.
Prijsvrij is dus volstrekt ten onrechte tot (de aankondiging van) een loonopschorting en zelfs een loonstop overgegaan.
Ook in de daaropvolgende periode heeft Prijsvrij niet gehandeld zoals van een goed werkgever verwacht mag worden.
Op grond van het bij Prijsvrij – ten onrechte – bestaande wantrouwen met betrekking tot de ziekmelding en de beperkingen van [verweerder] heeft zij er niet voor gekozen om (telefonisch) in gesprek te gaan met [verweerder] en hem te vragen om een toelichting, maar zij heeft er voor gekozen om Hoffmann Bedrijfsrecherche in te schakelen. Dit is in de gegeven omstandigheden een buitenproportionele maatregel. Daarmee heeft Prijsvrij bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [verweerder] en zijn gezin.
Hoffmann heeft [verweerder] op verschillende dagen bij zijn woning geobserveerd, is hem gevolgd en heeft diverse foto’s gemaakt. De kantonrechter kan zich goed voorstellen dat de inzet van Hoffmann voor veel extra stress bij [verweerder] heeft gezorgd, terwijl stress volgens de bedrijfsarts gezien zijn ziektebeeld juist zoveel mogelijk vermeden moet worden.
In een periode waarin [verweerder] in een kwetsbare levensfase verkeerde, heeft Prijsvrij hem niet gesteund, maar het hem juist extra moeilijk gemaakt en hem de mogelijkheid ontnomen om op enig moment bij Prijsvrij te kunnen re-integreren. Weliswaar was sprake van een tijdelijke arbeidsovereenkomst (voor de duur van een jaar) en ontvangt [verweerder] thans een Ziektewetuitkering, maar gelet op de overige hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en in aanmerking nemende dat door het optreden van Prijsvrij het solliciteren bij een nieuwe werkgever lastiger is (omdat [verweerder] niet bij Prijsvrij heeft kunnen re-integreren), is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een hoge mate van verwijtbaarheid van Prijsvrij.
6.5
De kantonrechter heeft in het voorgaande aanleiding gezien om aan [verweerder] een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto toe te kennen. De wettelijke rente over de billijke vergoeding is toegewezen vanaf twee weken na de datum van de bestreden beschikking.
6.6
De principale grief 3 richt zich tegen dit oordeel, als volgt.
Primair stelt Prijsvrij zich op het standpunt dat deze billijke vergoeding dient te worden afgewezen, omdat het ontslag op staande voet terecht is verleend.
Subsidiair is Prijsvrij van mening dat het bedrag van € 50.000,-- bruto te hoog is. Op het moment van de ziekmelding van [verweerder] was hij nog maar 5,5 maand in dienst van Prijsvrij en op het moment van het ontslag op staande voet, betrof dit 9,5 maand. Dit dienstverband zou van rechtswege eindigen op 30 juni 2025. Het dienstverband van [verweerder] was daarmee nog niet duurzaam of bestendig ontwikkeld. Ook was er geen sprake van een opgebouwde inkomenszekerheid of carrièreperspectief binnen Prijsvrij.
Er was geen enkele kans dat Prijsvrij per 1 juli 2025 ervoor zou hebben gekozen het dienstverband van [verweerder] te verlengen. Er bestonden grote twijfels over het functioneren, de motivatie en de ziekmelding van [verweerder] . Als gevolg daarvan zou het dienstverband ook zonder het ontslag op staande voet zijn geëindigd, maar dan op 30 juni 2025.
Daarnaast is het ook niet aannemelijk dat [verweerder] zich voor lange tijd aan Prijsvrij zou hebben verbonden. Het ligt in de rede dat hij op zoek zou zijn gegaan naar ander werk. In dat geval had [verweerder] zelfs geen recht gehad op een transitievergoeding, die nu wel is verkregen. Ook met deze omstandigheid dient conform rechtspraak rekening te worden gehouden in het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
Binnen deze kaders kon [verweerder] redelijkerwijs slechts 2,5 maand resterende loonverwachting hebben, waarvan reeds 1,5 maand zijn gecompenseerd door de gefixeerde schadevergoeding en de laatste maand een Ziektewetuitkering is toegewezen. Daarmee is zijn materiële schade minimaal.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de verstoorde arbeidsverhouding in overwegende mate door Prijsvrij is veroorzaakt. De feiten laten zien dat [verweerder] substantieel heeft bijgedragen aan de escalatie.
Tot slot heeft de kantonrechter in de beschikking geoordeeld dat [verweerder] re-integratiekansen zijn ontnomen. Dit oordeel kan Prijsvrij moeilijk volgen. Uit de stukken blijkt allereerst dat [verweerder] zelf al geen intentie had om bij Prijsvrij te re-integreren. De bedrijfsarts omschreef dit ook al als een motivatieprobleem. Daarbij geldt ook op dit punt dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook zou zijn geëindigd op 30 juni 2025, waarmee de re-integratiemogelijkheden bij Prijsvrij niet meer zouden bestaan. Het is Prijsvrij dan ook niet duidelijk welke mogelijkheden [verweerder] precies zouden zijn ontnomen als de samenwerking niet op 15 april 2025, maar op 30 juni 2025 zouden zijn geëindigd.
6.7
De incidentele grief richt zich eveneens tegen de toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto , en wel als volgt.
Door te kiezen voor ontslag op staande voet kwam [verweerder] ziek en zonder re-integratietraject op straat te staan. Hierdoor heeft Prijsvrij ervoor gezorgd dat [verweerder] na de einddatum van het contract ook niet in staat was om snel ander werk te vinden of zijn positie op de arbeidsmarkt te herstellen. De werkloosheid van een jaar na het ontslag is het directe gevolg van het handelen van Prijsvrij.
Hierbij speelt een cruciale rol dat [verweerder] niet goed kan inschatten waar hij toe in staat is indien hij weer volledig aan het werk zal gaan. De mogelijkheid tot een rustige opbouw in werkzaamheden en re-integratie is hem immers ontnomen, waardoor zijn belastbaarheid in reguliere arbeid nooit getest is.
Prijsvrij blijft haar eigen fouten miskennen en de schuld op [verweerder] schuiven. Het is zeer ongepast om te handelen zoals Prijsvrij heeft gedaan, terwijl [verweerder] door de zwaarste periode van zijn leven ging.
Het is aannemelijk dat Prijsvrij, zolang zij haar eigen verantwoordelijkheid niet erkent en herkent, in toekomstige gevallen vergelijkbaar zal handelen. Een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto heeft in ieder geval geen afschrikkende werking gehad.
Door het ontslag op staande voet en het uitblijven van re-integratie lijdt [verweerder] maandelijks een aanzienlijk inkomensverlies. Het verschil tussen zijn loon en de Ziektewetuitkering bedraagt € 1.820,43 bruto per maand. Dit verlies loopt sinds april 2025 door en zal, zolang geen duurzaam dienstverband wordt gevonden en de uitkering lager blijft dan het oorspronkelijke loon, voortduren. Bovendien brengt dit ook een risico met zich mee dat [verweerder] bij het vinden van een nieuwe baan, zal instromen op een aanmerkelijk lager niveau in salaris. Dit betekent dat er sprake is van een structureel inkomensverlies en daarbij ook gemiste pensioenopbouw. De billijke vergoeding dient dit structurele inkomensverlies te compenseren.
[verweerder] is inmiddels (vanaf 14 april 2026) op onbetaalde basis gestart bij GI Travel voor de duur van 6 weken. Hij krijgt hier de kans om te re-integreren.
De Ziektewetuitkering van [verweerder] loopt naar verwachting af in december 2026. Daarna zal hij - afhankelijk van de dan geldende medische beoordeling – zijn aangewezen op een WIA-uitkering of, indien daarop geen recht bestaat, op andere (lagere) voorzieningen of eigen middelen. Dit betekent dat de inkomensachteruitgang na afloop van de Ziektewet structureel kan toenemen en dat de financiële onzekerheid voor [verweerder] op langere termijn aanzienlijk is.
Gelet op dit alles is volgens [verweerder] een billijke vergoeding van € 70.000,-- bruto gerechtvaardigd.
6.8
Zowel de principale grief 3 als de incidentele grief faalt. Het hof komt op dezelfde gronden als die de kantonrechter heeft gehanteerd tot het oordeel dat Prijsvrij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daar voegt het hof aan toe dat niet is te begrijpen dat Prijsvrij op – geparafraseerd – onderbuikgevoelens [verweerder] agressief heeft bejegend en hem onnodig en op ongepaste wijze onder grote druk heeft gezet. Daar komt nog bij dat Prijsvrij [verweerder] op staande voet heeft ontslagen op een moment dat hij zich als gevolg van ziekte in een kwetsbare positie bevond.
6.9
De billijke vergoeding strekt ertoe om het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever te compenseren, ook om dit gedrag in de toekomst te voorkomen. Met dit laatste kan bijvoorbeeld worden tegengegaan dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan.1 De billijke vergoeding kan als middel dienen om de werkgever te wijzen op de noodzaak haar gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen.2 Het gaat hier dan niet alleen om het voorkomen van het uit kostenoogpunt kiezen voor een vernietigbaar ontslag als hiervoor genoemd. Het kan ook gaan om het voorkomen van ander ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever die in eventuele volgende gevallen tot een einde van de arbeidsovereenkomst kan leiden.
6.10
Voor de omvang van de billijke vergoeding is in dit concrete geval het afschrikwekkend doel belangrijk. [general counsel] heeft desgevraagd bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat Prijsvrij achteraf bezien wellicht met meer nuance had kunnen handelen, maar hij heeft geen afstand genomen van het ernstig verwijtbaar gedrag. Prijsvrij ziet de ernstige verwijtbaarheid van haar gedrag kennelijk niet in. Voor het hof is die ernstige verwijtbaarheid evident. Het valt niet uit te sluiten dat als gevolg van het handelen van Prijsvrij het herstel en de re-integratie van [verweerder] ernstig zijn bemoeilijkt en vertraagd, waardoor [verweerder] schade heeft geleden in de vorm van gederfd inkomen.
6.11
De omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst ook zonder het ontslag op staande voet op korte termijn tot een einde zou zijn gekomen en naar verwachting daarna niet zou zijn voortgezet, heeft tot gevolg dat de ‘waarde’ van de arbeids-overeenkomst – uitgedrukt in verwacht inkomstenverlies – beperkt is. Het werkelijke inkomensverlies dat [verweerder] heeft geleden komt afgerond uit op € 4.550, - bruto (zijnde het verschil tussen zijn ziektewetuitkering en zijn salaris bij Prijsvrij over de periode dat de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd.)
6.12
Gezien de ernst van het verwijtbaar handelen van Prijsvrij en de geringe mate waarin Prijsvrij hierin inzicht heeft getoond, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een billijke vergoeding waarbij enkel het inkomensverlies van [verweerder] wordt gecompenseerd. Als het hof zich daartoe zou beperken is niet te verwachten dat de billijke vergoeding een relevant afschrikwekkend effect zou hebben voor toekomstige ontslaggevallen.
6.13
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit dat [verweerder] ook wordt gecompenseerd voor verlies van potentieel inkomen na de datum waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als Prijsvrij niet ernstig verwijtbaar had gehandeld. De omvang van deze schade laat zich moeilijk begroten. In de gegeven omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat de door de kantonrechter toegewezen billijke vergoeding passend is. Het feit dat de arbeidsovereenkomst nog maar kort geduurd heeft maakt dit in de gegeven omstandigheden niet anders.
Conclusie en proceskosten
6.14
De conclusie is dat het principaal en het incidenteel hoger beroep falen. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal Prijsvrij als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. [verweerder] zal in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Deze laatste kosten zullen op nihil worden gesteld omdat het debat in incidenteel hoger beroep ook in principaal hoger beroep heeft plaatsgevonden en geen op zichzelf staande betekenis heeft. Gerechtshof Den Haag 22 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2847
