RBDHA 060526 arbeidsongeschiktheid, burn-out, leraar VO; billijke vergoeding afgewezen; onvoldoende onderbouwing ernstige verwijtbaarheid wg-er
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 060526 arbeidsongeschiktheid, burn-out, leraar VO; billijke vergoeding afgewezen; onvoldoende onderbouwing ernstige verwijtbaarheid wg-er
5De beoordeling
in het verzoek van [partij A] en in het tegenverzoek van SWV VO
Billijke vergoeding
5.1.
De kantonrechter is van oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van SWV VO. Dat betekent dat het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen. De kantonrechter licht dit hieronder toe.
5.2.
De rechter kan op grond van artikel 7:682 lid 1 onder c BW een werknemer wiens arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is opgezegd een billijke vergoeding toekennen als de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden. Voor het toekennen van een billijke vergoeding is een oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet noodzakelijk. De billijke vergoeding kan worden toegekend als de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en dat kan, bijvoorbeeld, ook aan de orde zijn als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd.1
5.3.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, rusten op de werknemer, in dit geval dus [partij A] .
5.4.
[partij A] stelt dat hij jarenlang is blootgesteld aan een hoge werkdruk, spanning, stress en onveiligheid op het werk. Volgens [partij A] heeft SWV VO aan deze omstandigheden, ondanks dat zij hiermee bekend was, onvoldoende gedaan. [partij A] stelt dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is geworden. Ter onderbouwing van de gestelde werkomstandigheden verwijst [partij A] onder meer naar het jaarverslag 2018-2019 van de MR en de RI&E 2019. De gemachtigde van [partij A] heeft op de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat het in het bijzonder gaat om de volgende knelpunten die in het jaarverslag 2018-2019 van de MR zijn vermeld:
“- Aanhoudend/toenemend (ziekte)verzuim met mede werk gerelateerde burn-out problematiek onder het personeel op De Delta.
- Zeker 90% van alle afwezigen van teamleden wordt door het team, onbezoldigd bovenop de 750 klokuren, zelf ingevallen/opgevangen (kortdurend en langdurend ziekteverzuim, recuperatieverlof/persoonlijk keuzebudget, persoonlijke omstandigheden, BAPO, ouderschapsverlof, studie, etc.).
- De lesroosters blijven onverantwoord veel te vol. Lesgevende activiteiten (vooral al het maatwerk) worden als algemene taken geclassificeerd. Het inrichten van een time-out lokaal voor leerlingen die tijdelijk onmachtig zijn om in een klas te kunnen functioneren, moet door het team zelf worden ingevuld bovenop [een al overvol lesrooster. Er wordt in het lesrooster geen rekening gehouden met psychische belasting en het verantwoord inbouwen van “prikkelarme herstel-momenten”.
- De normjaar taak geeft geen realistische uren weergave van het werk dat moet worden volbracht ondanks het feit dat de mede hierdoor ontstane werkdruk zowel in persoonlijke gesprekken met leidinggevenden alsmede tijdens teamvergaderingen, medewerker tevredenheidonderzoek en de jaarlijkse evaluatievergaderingen wordt aangegeven.”
5.5.
SWV VO betwist niet dat er binnen de organisatie sprake is geweest van een lastige periode (onder andere als gevolg van de coronapandemie), maar zij betwist wel dat zij [partij A] heeft blootgesteld aan een hoge werkdruk, spanning, stress en onveiligheid en daar, ondanks zijn pogingen om dit bespreekbaar te maken, niets aan heeft veranderd.
5.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] zijn stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting van SWV VO, onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De kantonrechter begrijpt dat de door [partij A] ervaren werkdruk een rol heeft gespeeld bij zijn ziekmelding, maar dat betekent niet automatisch dat de werkdruk naar objectieve maatstaven te hoog was. De kantonrechter ziet wel dat de werkdruk (veelvuldig) onderwerp van gesprek is geweest in onder meer het jaarverslag 2018-2019 van de MR en de RI&E 2019, maar dit betreft de ervaring van werknemers in het algemeen en ziet niet op de persoonlijke situatie van [partij A] . Bovendien is de kantonrechter met SWV VO van oordeel dat de betreffende stukken (mede) door [partij A] als voorzitter van de MR zijn opgesteld en daarmee dus niet objectief zijn. De kantonrechter laat daarbij in het midden of het jaarverslag 2018-2019 van de MR officieel is vastgesteld, zoals [partij A] stelt en SWV VO betwist. De door [partij A] overgelegde stukken onderbouwen zijn stelling immers niet. De gemachtigde van [partij A] heeft op de mondelinge behandeling nog toegelicht dat [partij A] les moest geven aan leerlingen die eerder hadden moeten doorstromen naar het speciaal onderwijs vanwege gedragsproblemen. De klassen waren hierdoor groter en [partij A] was niet opgeleid om die extra ondersteuning te geven. Die stelling is echter – desgevraagd – op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbijgaat.
5.7.
Uit de overgelegde stukken blijkt evenmin dat [partij A] met regelmaat heeft laten weten dat hij leed onder de gestelde werkomstandigheden. Niet in geschil is dat [partij A] een paar maanden voor zijn ziekmelding bij zijn direct leidinggevende, [naam 1] , heeft aangegeven dat het (fysiek) niet goed met hem ging. De kantonrechter kan echter niet vaststellen of er op dat moment ook sprake was van werkgerelateerde klachten, nu [partij A] hierover niets heeft gesteld. Dat volgt ook niet concreet uit zijn mail van 3 juni 2021 aan de voormalig locatiedirecteur, [naam 2] , waarin [partij A] uitlegt waarom hij zich die dag (plotseling) heeft afgemeld en naar huis is gegaan. Voor SWV VO was op dat moment wel duidelijk dat er wat speelde, reden waarom [naam 2] heeft aangegeven dat hij graag met [partij A] in gesprek wilde. Vaststaat dat [partij A] en [naam 2] in ieder geval op 21 juni 2021 een gesprek hebben gehad. Naar aanleiding van dat gesprek heeft [naam 2] op 24 juni 2021 onder meer het volgende aan [partij A] gemaild:
“Omdat je de week ervoor ook al een keer de school bent uitgelopen en naar huis bent gegaan omdat het je teveel werd, heb ik je geadviseerd om je werkzaamheden voor de school zoveel mogelijk te beperken tot (…) de kerntaken. Ik waardeer je betrokkenheid tot de school, maar ik heb de indruk dat wanneer je teveel op je bord hebt het minder goed met je gaat en dat dat ten koste gaat van de kwaliteit van je werk. Ik heb je ook geadviseerd om hierover met iemand in gesprek te gaan. Bijvoorbeeld met je teamleider (of een deskundige voeg ik hier nu aan toe), om te onderzoeken wat je kunt doen om stress en/of werkstuk te voorkomen.”
Daaruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat SWV VO de signalen van [partij A] serieus heeft genomen. [partij A] heeft weliswaar op enig moment bij [naam 1] aangegeven dat hij weer burn-outklachten ervoer en dat dit met name kwam door de intense spanningen op de werkvloer, maar dit was ná zijn ziekmelding. Het had op de weg van [partij A] gelegen om vóór zijn ziekmelding een duidelijk signaal af te geven dat de werkdruk te hoog was en dat dit, zonder verandering, tot (psychische en fysieke) problemen zou leiden. Door dat niet te doen heeft [partij A] SWV VO onvoldoende de mogelijkheid geboden om iets aan de gestelde werkomstandigheden te doen. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat SWV VO verwijtbaar onvoldoende zorg voor de werkomstandigheden heeft gehad.
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat [partij A] geen aanspraak kan maken op een billijke vergoeding, zodat dit verzoek zal worden afgewezen. Rechtbank Den Haag 6 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11502