Overslaan en naar de inhoud gaan

GHAMS 091225 aanrijding bestelauto vs scooter; regres UWV; doorwerking "gewone" billijkheidscorrectie; 75 % conform met SO overeengekomen percentage

GHAMS 091225 aanrijding bestelauto vs scooter; regres UWV; doorwerking "gewone" billijkheidscorrectie; 75 % conform met SO overeengekomen percentage

in vervolg  op:
RBAMS 170124 billijkheidscorrectie van 25% geldt ook voor op basis van eigen recht regresnemend UWV
 

3Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

Op 20 januari 2017 heeft in Nederland een aanrijding plaatsgevonden tussen een scooter, bestuurd door [naam 1] , en een bestelauto, bestuurd door [naam 2] . Als gevolg van het ongeval heeft [naam 1] letsel opgelopen.

3.2.

[naam 2] is afkomstig uit Duitsland en is tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Kravag. Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Achmea) is de schaderegelaar van Kravag in Nederland.

3.3.

Achmea en [naam 1] hebben een regeling bereikt over de schade die als gevolg van het ongeval is ontstaan en hebben op basis daarvan een vaststellingsovereenkomst gesloten. Vastgesteld is dat [naam 2] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, maar dat [naam 1] daaraan 50% eigen schuld heeft. Verder is tussen Achmea en [naam 1] overeengekomen dat, rekening houdend met de ernst van het letsel van [naam 1] , een billijkheidscorrectie van 25% ten gunste van [naam 1] wordt toegepast. Dit betekent dat Kravag 75% van de schade van [naam 1] dient te vergoeden.

3.4.

[naam 1] is door het ongeval arbeidsongeschikt geraakt. Hij ontvangt sinds 21 december 2019 maandelijks van het UWV een WIA-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.

3.5.

Het UWV heeft zich tot Achmea gewend op grond van zijn wettelijk regresrecht (artikel 99 WIA). Het UWV heeft Achmea verzocht 75% van de kosten van de WIA-uitkering, die het UWV aan [naam 1] uitkeert, te vergoeden.

3.6.

Partijen hebben hierop met elkaar gecorrespondeerd over de vraag welk percentage van de WIA-uitkering door Kravag aan het UWV vergoed dient te worden. Kravag meent dat dit 50% is. Het UWV heeft daarentegen het standpunt ingenomen dat de billijkheidscorrectie van 25% volledig in het wettelijk regresrecht doorwerkt en dat Kravag dus 75% van de kosten van de WIA-uitkering aan hem dient te vergoeden.

4Procedure bij de rechtbank

4.1.

Samengevat weergegeven heeft het UWV in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank:

  1. voor recht verklaart dat het UWV zich op grond van zijn wettelijk regresrecht van artikel 99 WIA kan verhalen op Kravag als de jegens [naam 1] aansprakelijke partij en dat het UWV in zijn rechtsverhouding ten opzichte van Kravag een beroep kan doen op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW op dezelfde wijze als geldt tussen Kravag en [naam 1] als benadeelde;

  2. voor recht verklaart dat Kravag ten opzichte van het UWV is gehouden om 75% van de door het UWV in het kader van artikel 99 WIA gemaakte kosten inzake de aan [naam 1] te verstrekken WIA-uitkering te vergoeden;

  3. Kravag veroordeelt tot betaling van het reeds verschuldigde bedrag van € 62.750,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, en veroordeelt tot betaling van de toekomstig verschuldigde bedragen;

  4. Kravag veroordeelt in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

De rechtbank heeft de vorderingen van het UWV toegewezen.

5Vordering in hoger beroep

5.1.

Kravag vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog de vorderingen van het UWV afwijst, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van het UWV in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.

5.2.

Volgens het UWV moet het vonnis worden bekrachtigd, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van Kravag in de kosten van het geding in hoger beroep, vermeerderd met rente.

6Beoordeling

Bevoegdheid

6.1.

Kravag was in de procedure bij de rechtbank gedaagde. Zij is gevestigd in Duitsland. Het hof dient dan ook ambtshalve zijn bevoegdheid vast te stellen. Op grond van art. 12 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken kan een verzekeraar worden opgeroepen voor gerecht waar zich het schadebrengende feit heeft voorgedaan. Achmea heeft bestreden dat deze Verordening van toepassing is omdat het hier geen “verzekeringszaak” is, maar heeft in haar conclusie van antwoord de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam erkend, wat in dit geval is op te vatten als een forumkeuze. Het hof overweegt dat artikel 12 van de Verordening ook van toepassing is op een geschil waarbij de aansprakelijkheidsverzekeraar in een procedure wordt betrokken. In zoverre kan op die Verordening de bevoegdheid eveneens worden gebaseerd.

Inleiding

6.2.

Kravag heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Met de eerste grief wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW doorwerkt in het wettelijk regresrecht van het UWV. Daarnaast betoogt Kravag in haar eerste grief dat de billijkheidscorrectie in de verhouding tussen het UWV en Kravag niet op dezelfde wijze dient te worden ingevuld als in de verhouding tussen [naam 1] als benadeelde enerzijds en Kravag als verzekeraar van de aansprakelijke partij anderzijds. De tweede grief bouwt op de eerste grief voort en richt zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de vorderingen van het UWV. De geschilpunten waarop de grieven zien, worden hierna achtereenvolgens besproken.

Aard en omvang van het wettelijk regresrecht van het UWV

6.3.

Op zichzelf genomen betoogt Kravag terecht dat de juridische positie van het UWV anders is dan die van een schadeverzekeraar. Als een verzekeraar tot uitkering overgaat en daardoor schade van de verzekerde wordt vergoed, gaan de vorderingen die de verzekerde heeft op de aansprakelijke partij bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar (artikel 7:962 BW). Het UWV verkrijgt geen vorderingsrecht door subrogatie, maar heeft een wettelijk regresrecht (artikel 99 WIA). Dit neemt echter niet weg dat het UWV terecht erop heeft gewezen op dat de wettelijke regresrechten en regresrechten krachtens subrogatie dezelfde strekking hebben en volgens de wetgeschiedenis en vaste rechtspraak zoveel als mogelijk op gelijke wijze dienen te worden benaderd en ingevuld.

6.4.

De strekking van het wettelijke regresrecht is te bewerkstelligen dat degene die tot schadevergoeding jegens een ander is gehouden mede aansprakelijk is voor de schade bestaande uit de kosten van de in artikel 99 WIA bedoelde uitkering, ook al komen die kosten niet ten laste van de benadeelde die een uitkering op grond van de WIA ontvangt, maar ten laste van het UWV die deze uitkering verstrekt. Het regresrecht is bedoeld te voorkomen dat degene die schade heeft veroorzaakt ervan profiteert dat de door hem veroorzaakte schade geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door een uitkeringsinstantie en in zoverre aan zijn verplichting tot vergoeding van die schade ontkomt. De aansprakelijke partij en de betrokken aansprakelijkheidsverzekeraar worden hierdoor in beginsel niet benadeeld. De aansprakelijke en diens verzekeraar kunnen namelijk niet tot betaling van een hoger bedrag worden veroordeeld dan het geval zou zijn geweest indien, bij ontbreken van een door het UWV verstrekte uitkering, de benadeelde zelf een vordering tot schadevergoeding had ingesteld (het zogenaamde ‘civiele plafond’).

6.5.

Aan het UWV komt in dit geval een regresrecht toe, omdat zij kosten maakt die voor [naam 1] zonder de WIA-uitkering vermogensschade zouden vormen. Als de billijkheidscorrectie niet zou doorwerken in het regresrecht van het UWV, zou Kravag ervan profiteren dat het UWV inkomensschade vergoedt die voor rekening van de aansprakelijke persoon dient te komen. Anders dan Kravag betoogt, kan daaraan niet afdoen dat [naam 1] niet zelf, maar zijn werkgever de premie voor de WIA heeft afgedragen.

6.6.

De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat ten aanzien van de doorwerking van de billijkheidscorrectie er geen reden is om onderscheid te maken tussen een regres door een verzekeraar op grond van subrogatie en de uitoefening van een wettelijk regresrecht door het UWV. Daarmee faalt het eerste onderdeel van grief 1.

Omvang van de billijkheidscorrectie

6.7.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 5 december 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2517, Terminus/ZAO) en 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1873, Menzis/Achmea) in onderlinge samenhang bezien, volgt dat bij subrogatie van een verzekeraar de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW doorwerkt in de regresverhouding op gelijke wijze als deze zou gelden in de verhoudingen tussen de benadeelde en de aansprakelijke partij. Dat is ook het geval als de billijkheidscorrectie verband houdt met subjectieve omstandigheden aan de zijde van de benadeelde. Dit uitgangspunt geldt echter niet voor het regres van vorderingen waarvoor in de rechtspraak een standaardisering is aanvaard voor volwassen fietsers en voetgangers (de 50%-regel) en voor fietsers en voetgangers beneden de veertien jaar (de 100%-regel). Deze uitzondering voor kwetsbare verkeersdeelnemers en de gevolgen daarvan voor de toepassing van de billijkheidscorrectie zijn herhaald in het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1133). Daarbij is tevens overwogen dat het voor de beoordeling geen verschil maakt of de verzekeraar van de aansprakelijke persoon een vaststellingsovereenkomst met het slachtoffer heeft gesloten (rov. 3.1.3):

“In gevallen waarvoor de 50%- of 100%-regel geldt, subrogeert de verzekeraar van het slachtoffer, voor zover het gaat om de billijkheidscorrectie, dus niet in diens rechten wat betreft de 50%- of 100%-regel en niet integraal wat betreft de ‘gewone’ billijkheidscorrectie, namelijk niet wat betreft de uitkomst van de weging van de relevante omstandigheden. Dat is niet anders wanneer de verzekeraar van de aansprakelijke persoon een vaststellingsovereenkomst met het slachtoffer heeft gesloten.”

6.8.

Hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in de hiervoor genoemde uitspraken - die zien op regresnemende verzekeraars - is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van het wettelijk regresrecht door het UWV, zoals volgt uit wat hiervoor in 6.3-6.7 is overwogen.

6.9.

In het voorliggende geval gaat het om een aanrijding tussen een bestelauto en een scooter. De door de Hoge Raad aangenomen standaardisering (de 50%- en de 100%-regel voor kwetsbare verkeersdeelnemers) en de gevolgen daarvan voor de toepassing van de billijkheidscorrectie gelden daarmee in dit geval niet. Er kan uitsluitend een ‘gewone’ billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW aan de orde zijn. Als uitgangspunt geldt daarvoor hetgeen is beslist in het genoemde arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1873, Menzis/Achmea) waarin het ging om een aanrijding tussen een taxibusje en een bromfiets, en dus niet zag op de uitzondering voor kwetsbare verkeersdeelnemers. Uit dit arrest volgt als uitgangspunt dat de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW doorwerkt in de regresverhouding op gelijke wijze als deze zou gelden in de verhoudingen tussen de benadeelde en de aansprakelijke partij, ook als de billijkheidscorrectie verband houdt met subjectieve omstandigheden aan de zijde van de verzekerde.

6.10.

Tussen Achmea/Kravag en [naam 1] is bij vaststellingsovereenkomst bepaald dat de verzekerde van Kravag aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, dat een eigen-schuldpercentage van 50% geldt en verder dat, rekening houdend met de ernst van het letsel van [naam 1] , een billijkheidscorrectie van 25% ten gunste van [naam 1] wordt toegepast. Dit betekent dat Kravag per saldo 75% van de schade van [naam 1] dient te vergoeden. Het hof is van oordeel dat het UWV op gelijke wijze regres kan nemen. De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat het UWV zijn regresrecht in het kader van artikel 99 WIA kan uitoefenen tot 75% van de door het UWV gemaakte kosten.

6.11.

De conclusie is dat het tweede gedeelte van de eerste grief vergeefs is voorgesteld. De tweede grief bouwt op de eerste voort en faalt eveneens.

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

6.12.

De grieven slagen niet. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om Kravag toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Kravag is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:

- griffierecht € 2.175

- salaris advocaat € 2.213 (tarief IV, 1 punt)

Totaal € 4.388 Gerechtshof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3359