Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Amsterdam 210514 schouderletsel opgelopen bij uitlaten hond wg-er; doorbreking aansprakelijkheid door hartinfarct; beoordeling schadeposten

Rb Amsterdam 210514 schouderletsel opgelopen bij uitlaten hond wg-er; doorbreking aansprakelijkheid door hartinfarct; beoordeling schadeposten;
- smartengeld voor blijvend ernstig beschadigde schouder € 25.000,-;
- vrijwaringszaak: uitlaten hond wg-er behoorde tot werkzaamheden; wg-er aansprakelijk

4 Het geschil
in de hoofdzaak

4.1.
[eiseres] vordert samengevat –
1. veroordeling van Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. tot betaling van € 44.872,- vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag de de diverse schadeposten zijn opgetreden althans vanaf de dag der dagvaarding;

2. veroordeling van Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. tot vergoeding van de overige schade van [eiseres] ten gevolge van het ongeval van 19 oktober 2004, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. een verklaring voor recht primair dat het causaal verband tussen het ongeval van 19 oktober 2004 en de schade vanaf juni 2009 niet is doorbroken en dat de Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. mitsdien ook de schade na en ten gevolge van het hartinfarct van [eiseres] dient te vergoeden, subsidiair dat de Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. dient te vergoeden de schade van [eiseres] ten gevolge van de vertraging in het ontdekken van het hartinfarct;

4. veroordeling van Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. in de kosten van het geding, en de nakosten.

4.2.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. voert verweer.

4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.4.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. vordert - samengevat - dat

1. [gedaagde 2], [gedaagde 3], [bedrijf] en [VOF], althans de werkgever van [eiseres] ten tijde van het schadevoorval hoofdelijk worden veroordeeld om aan Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. te betalen al hetgeen waartoe Europeesche Verzekering Maatschappij N.V.in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van gedaagden in vrijwaring in de kosten van de vrijwaring;

2. voor recht wordt verklaard dat [gedaagde 2], [gedaagde 3], [bedrijf] en [VOF], althans de werkgever van [eiseres] ten tijde van het schadevoorval gehouden zijn Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. te vrijwaren voor hetgeen waartoe Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. in de hoofdzaak jegens [eiseres] mocht worden veroordeeld;

en
1. [gedaagde 2], [gedaagde 3], [bedrijf] en [VOF], althans de werkgever van [eiseres] ten tijde van het schadevoorval hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hetgeen Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. reeds aan [eiseres] heeft voldaan, nl. EUR 58.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling aan [eiseres], althans de dag der dagvaarding;

2. Voor recht wordt verklaard dat [gedaagde 2], [gedaagde 3], [bedrijf] en [VOF], althans de werkgever van [eiseres] ten tijde van het schadevoorval gehouden is/zijn het bedrag dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. reeds aan [eiseres] heeft voldaan, nl. EUR 58.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling aan [eiseres], althans de dag der dagvaarding aan Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. te voldoen;

Een en ander met veroordeling van gedaagden in de proceskosten en de nakosten.

4.5.
Gedaagden voeren verweer.

4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling
in de hoofdzaak

doorbreking aansprakelijkheid
5.1.
De rechtbank ziet aanleiding allereerst het geschilpunt met betrekking tot de onder 3 van het petitum gevorderde verklaringen voor recht te bespreken.

5.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij als gevolg van het voorval op 19 oktober 2004 ernstig blijvend armletsel heeft opgelopen en arbeidsongeschikt is geraakt. Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. is op grond van de vaststellingsovereenkomst gehouden 75% van de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. De schadevergoedingsverplichting is niet beperkt tot medio 2009, toen [eiseres] een hartinfarct kreeg, immers de ongevalsgerelateerde schade liep gewoon door, aldus [eiseres].
Volgens [eiseres] is geen sprake van het doorbreken van de causaliteit, zoals in het arrest Vermaat/Staat (NJ 1991/292). Daarvoor is vereist dat de schade ook zou zijn opgetreden als het ongeval van 19 oktober 2004 niet zou hebben plaatsgevonden. [eiseres] betwist dat dit het geval is. De bewijslast terzake rust op Europeesche Verzekering Maatschappij N.V., die daaraan niet heeft voldaan, aldus [eiseres].

5.3.
Ter onderbouwing van haar betwisting heeft [eiseres] aangevoerd dat zij sinds het ongeval kampt met grote medische en daaraan gerelateerde problemen. Het is zeer wel mogelijk dat deze factoren hebben geleid tot het ontstaan van hartproblemen. In elk geval is de (te) late ontdekking van het hartfalen, en daarmee de ernst van de opgetreden schade het gevolg van de ongevalsgerelateerde schouderklachten, immers deze klachten hebben de huisarts op het verkeerde been gezet. Zonder deze schouderklachten had de huisarts hoogstwaarschijnlijk wel aan een hartinfarct gedacht en zou [eiseres] eerder zijn doorverwezen naar de cardioloog. Aldus is de opgetreden vertraging in het doorzenden naar de cardioloog ongevalsgevolg, aldus [eiseres].
Ter terechtzitting heeft de raadsman van [eiseres] toegelicht dat het begrip ‘Golden Hour’ een feit van algemene bekendheid is. Dit begrip houdt in dat als bij een hartinfarct onmiddellijk wordt ingegrepen de kans op herstel aanzienlijk wordt vergroot. De stelling van [eiseres] in dat verband luidt dat [eiseres] substantieel eerder dan 25 juni 2009 een hartinfarct heeft gehad, in elk geval vóór of op 16 juni 2009, en dat zij niet als gevolg van hartproblemen volledig arbeidsongeschikt was geweest als zij op 16 juni 2009 naar de cardioloog was verwezen. Zij biedt daarvan bewijs aan.

5.4.
Zelfs als zou blijken dat het hartinfarct en de (ernst van de) gevolgen daarvan niet in causaal verband staan tot het voorval met de hond, dan zou volgens [eiseres] doorbreking van de aansprakelijkheid niet het gevolg daarvan moeten zijn. Er is aanleiding om de situatie te beoordelen volgens de leer van de proportionele aansprakelijkheid (artikel 6:101 BW). [eiseres] verwijst daartoe naar het proefschrift van professor Akkermans en de oratie van J. Spier.

5.5.
Meer subsidiair is [eiseres] van oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk is om te bepalen welke gevolgen aan het voorval met de hond zijn toe te rekenen.

5.6.
De Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. stelt dat in juni 2009 het causaal verband tussen de schade en het voorval op 19 oktober 2004 is doorbroken. De schade als gevolg van het hartinfarct is dezelfde als die het gevolg was van het voorval met de hond.

5.7.
De Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. stelt met verwijzing naar de informatie van de cardiologen dat het hartinfarct niet is veroorzaakt door het voorval met de hond. Zij betwist verder dat het hartinfarct te laat zou zijn ontdekt. De medische informatie geeft daarvoor geen aanwijzingen. In elk geval was het niet zo dat op 16 juni 2009 sprake was van één overheersende klacht die verband hield met de schouderklachten. Een specifiek symptoom dat op hartklachten zou wijzen was er niet, met name werd geen melding gemaakt van benauwdheidsklachten. [eiseres] was ook al geruime tijd niet bij de huisarts geweest. Uit niets blijkt dat ten tijde van het bezoek aan de huisarts op 16 juni 2009 sprake was van de ‘Golden Hour’. Juist hartfalen wordt vaak niet onderkend, aldus Europeesche Verzekering Maatschappij N.V..

5.8.
Volgens Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. rust de bewijslast niet op haar. Vanaf het hartinfarct is het conditio sine qua non verband doorbroken. Overigens beschikt zij, ondanks diverse verzoeken daartoe, over te weinig medische informatie, hetgeen niet voor haar risico zou moeten komen.

5.9.
Tot slot volgt Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. [eiseres] niet in haar pleidooi voor toepassing van de leer van proportionele aansprakelijkheid. Zij verwijst in dit verband naar het arrest Fortis/Bourgonje.

5.10.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de voorgaande stellingen het volgende.
In het arrest Vermaat/Staat (NJ 1991/292) heeft de Hoge Raad voor zover van belang het volgende overwogen:
(…) dat wanneer bij zulk een voortdurende inkomensschade blijkt dat de gelaedeerde, ook indien het ongeval niet had plaatsgevonden, op enigerlei tijdstip geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zou zijn geworden ten gevolge van een omstandigheid die voor zijn risico komt — zoals het geval kan zijn bij een door de gelaedeerde opgelopen ziekte, wanneer die geen verband houdt met het door het ongeval veroorzaakte letsel — er geen reden is om de inkomensschade vanaf het tijdstip dat de voor eigen risico komende arbeidsongeschiktheid zou zijn ingetreden, nog toe te rekenen aan degeen die voor het ongeval aansprakelijk is. In geval van voor eigen risico komende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geldt hetzelfde voor het deel van de inkomensschade dat van die gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het gevolg zou zijn. (…) De verplichting tot vergoeding van door een ongeval veroorzaakte schade gaat niet zover dat degeen die voor die schade aansprakelijk is, de gelaedeerde ook moet behoeden voor schade die zonder dat ongeval voor diens eigen risico zou komen.

5.11.
In deze casus was sprake van een situatie waarin duurschade het gevolg is van onafhankelijk van elkaar en na elkaar optredende oorzaken, terwijl ieder van die oorzaken op zichzelf voldoende is voor het intreden van de schade. In beginsel is iedere oorzaak een rechtens relevante oorzaak die de vergoeding van de hele schade tijdens het samenlopen van de oorzaken rechtvaardigt. In dit arrest heeft de Hoge Raad echter antwoord gegeven op de vraag wat rechtens is als de latere oorzaak voor rekening van de gelaedeerde komt. De Hoge Raad overweegt dat dan de aansprakelijkheid van de eerste veroorzaker eindigt, omdat dezelfde duurschade na de tweede oorzaak ook zou zijn ontstaan, indien de eerste zich niet had voorgedaan.
De rechtbank stelt vast dat de zienswijze in dit arrest nog altijd vaste jurisprudentie is, ook al wordt daarover in de literatuur wellicht ook wel anders gedacht. Dat laatste is in elk geval geen aanleiding om in deze casus af te wijken van de jurisprudentie op dit punt.

5.12.
Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de bewijslast met betrekking tot de stelling dat de schade die het gevolg was van het voorval met de hond ook zou zijn ontstaan indien dat voorval zich niet had voorgedaan, rust op de Europeesche Verzekering Maatschappij N.V.. Zij heeft daartoe gesteld dat deze schade na medio juni 2009 is ontstaan als gevolg van het door [eiseres] doorgemaakte hartinfarct en dat dit volledig losstaat van het voorval met de hond. Daartoe heeft zij verwezen naar de informatie van de cardiologen, zoals hierboven onder de feiten geciteerd.

5.13.
De primaire betwisting van die stelling, bestaande in de stelling dat het hartinfarct is veroorzaakt door factoren die het gevolg zijn van het voorval met de hond, is naar het oordeel van de rechtbank in het geheel niet onderbouwd. Immers, uit de medische informatie die door [eiseres] zelf in het geding is gebracht volgt dat de oorzaak van het infarct niet met zekerheid vast te stellen was. Er is gedacht aan een premature atherosclerose maar dat is niet komen vast te staan. Wel is een stolsel in een vat aangetroffen, in verband waarmee [eiseres] medicijnen heeft gekregen. Verder wordt melding gemaakt van verschillende risicofactoren, zoals roken en familieanamnese. In geen van de medische stukken wordt echter een verband gelegd met factoren verband houdend met het voorval met de hond. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook de stelling van Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. dat het infarct niet is veroorzaakt door het voorval met de hond, door [eiseres] onvoldoende gemotiveerd betwist.

5.14.
Voorts heeft [eiseres] gesteld dat de huisarts op 16 juni 2009 het hartfalen over het hoofd heeft gezien als gevolg van de ongevalsgerelateerde schouderklachten, hetgeen door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. is betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit onvoldoende onderbouwd. Immers, vaststaat dat op 25 juni 2009 door de cardioloog is geconstateerd dat [eiseres] een infarct had doorgemaakt. Volgens haar eigen stelling ter zitting is haar verteld dat zij op dat moment een infarct doormaakte en dat zij er eerder een had doorgemaakt. Uit de door [eiseres] in het geding gebrachte informatie van de cardiologen blijkt echter geenszins wat de situatie was op 16 juni 2009. Er kan dan ook op basis van die informatie niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een hartinfarct op 16 juni 2009.
Daaruit kan evenmin worden afgeleid dat de huisarts op 16 juni 2009 symptomen heeft gemist of verkeerd geïnterpreteerd. De overgelegde informatie wijst daar niet op. Immers, weliswaar wordt in de brieven van de cardiologen gesproken over bandpijn op 16 juni 2009, maar dit is slechts gebaseerd op de latere mededelingen van [eiseres] (anamnese). Niet (althans onvoldoende) gesteld of gebleken is dat [eiseres] op 16 juni 2009 tegenover de huisarts melding heeft gemaakt van bandpijn. Niet blijkt dat zij melding heeft gemaakt van klachten die specifiek zouden zijn voor hartfalen.
Overigens blijkt uit het huisartsenjournaal evenmin met betrekking tot de artsen die [eiseres] op respectievelijk 21 en 25 juni 2009 zagen, dat zij op het verkeerde been zouden zijn gezet door de schouderklachten. Eerst op 25 juni 2009 wordt melding gemaakt van een bandgevoel. Toen is echter onmiddellijk verwezen naar het ziekenhuis, waar de cardioloog een infarct constateerde.

5.15.
Als gezegd kan in de overgelegde medische informatie geen aanwijzing worden gevonden dat [eiseres] op 16 juni 2009, ten tijde van haar bezoek aan de huisarts, een hartinfarct doormaakte. Die stelling mist dan ook de noodzakelijke onderbouwing.
Voor zover [eiseres] stelt dat zij vóór 16 juni 2009 een infarct had doorgemaakt, mist die relevantie. Immers, indien dat infarct reeds voor het bezoek aan de huisarts had plaatsgevonden, kan niet worden geconcludeerd dat ten tijde van het bezoek nog sprake was van de ‘Golden Hour’, zodat de conclusie van [eiseres] dat doorverwijzing op 16 juni 2009 ertoe zou hebben geleid dat de schade minder groot was geweest in dat geval niet kan worden gevolgd.

5.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de stelling van Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. dat het hartinfarct geheel los staat van het voorval met de hond, welke stelling steun vindt in de medische informatie, door [eiseres] onvoldoende onderbouwd is betwist. Dit brengt mee dat voor bewijslevering geen plaats is. Daarbij neemt de rechtbank ten overvloede in overweging dat de feitelijke stellingen van [eiseres] zodanig weinig concreet zijn dat deze zich slecht laten vertalen in vragen die door een deskundige redelijkerwijs te beantwoorden zouden zijn.

5.17.
De rechtbank stelt hiermee vast dat zich een situatie voordoet die vergelijkbaar is met de situatie in het arrest Vermaat/Staat. Anders dan [eiseres], ziet de rechtbank geen aanleiding om nader onderzoek te gelasten naar de schade die (louter) het gevolg zou zijn van het voorval op 19 oktober 2004. Immers, [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat zij als gevolg van de beperkte pompfunctie van haar hart (slechts 15%) zo goed als inactief is.

5.18.
De gevorderde verklaring voor recht ligt hiermee voor afwijzing gereed en zo ook de onder 2 gevorderde schadestaatverwijzing.

Schade tot medio juni 2009
5.19.
[eiseres] heeft aan het onder 1 gevorderde ten grondslag gelegd dat de door haar tot medio juni 2009 geleden schade € 137.163,- bedraagt, waarvan door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. 75% moet worden vergoed, zijnde € 102.872,-.
Nu reeds € 58.000,- aan voorschotten is betaald, resteert een bedrag van € 44.872,-, aldus [eiseres].

5.20.
Het door [eiseres] genoemde bedrag van € 137.163,- wordt gevormd door de navolgende posten:
Smartengeld € 35.000,-
Kosten van ziekenhuisopnamen en reiskosten € 3.250,-
Ziektekosten en medicijnen € 1.775,-
Kosten in verband met ‘thuiszitten’ € 3.638,-
Verlies aan verdienvermogen. € 40.000,-
Verlies zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en mantelzorg € 50.000,-
Extra kosten vakanties €2.500,-
Overige kosten € 1.000,-
Voor de onderbouwing ervan heeft zij verwezen naar de door haar overgelegde producties 7 en 8.

5.21.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. heeft allereerst gesteld dat [eiseres] ten aanzien van de kosten de stelplicht heeft verzaakt. Voorts heeft zij de hoogte van de schadebedragen betwist en is van oordeel dat zij met het betaalde voorschot van € 58.000,- de volledige schade reeds heeft vergoed.

5.22.
De rechtbank zal hierna de afzonderlijke posten achtereenvolgend bespreken. Zij zal daarbij de producties 7 en 8 beschouwen als onderbouwing van de schadeposten en per schadepost beoordelen of aan de stel- en motiveringsplicht is voldaan.

Smartengeld
5.23.
[eiseres] heeft hiertoe gesteld dat zij ernstige beperkingen ondervindt, de hele dag thuis zit, haar hobby’s niet meer kan uitoefenen en overal hulp bij nodig heeft. Bovendien slaapt zij slecht en zal haar kinderwens waarschijnlijk niet worden vervuld.

5.24.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. meent dat een bedrag van € 20.000,- redelijker zou zijn, maar heeft zich buiten rechte bereid verklaard € 25.000,- te betalen. Zij verwijst naar enkele uitspraken uit de Smartengeldgids 2009. Dit bedrag is ook reeds begrepen in het betaalde voorschot van € 58.000,-.

5.25.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] het door haar gevorderde bedrag van € 35.000,- onvoldoende onderbouwd. Na de onderbouwde stelling van Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. dat in vergelijkbare gevallen minder hoge bedragen zijn toegekend, heeft zij immers verzuimd toe te lichten dat en waarom de omstandigheden in genoemde uitspraken niet vergelijkbaar zouden zijn met haar eigen situatie. Nu Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. zich bereid heeft verklaard een bedrag van € 25.000,- te vergoeden, ziet de rechtbank aanleiding om het smartengeld op dat bedrag te bepalen.

Ziekenhuisopname en reiskosten
5.26.
De rechtbank stelt vast dat partijen over de kosten met betrekking tot de ziekenhuisopname en de reiskosten ad € 3.250,- geen geschil hebben.

Ziektekosten en medicijnen
5.27.
[eiseres] heeft in haar brief van 17 september 2009 vermeld dat zij de no-claim rond de ziektekostenverzekering in de eerste jaren na het voorval is misgelopen en vervolgens de eigen bijdragen van € 255,- per jaar. Zij vordert een bedrag van € 1.275,-. Voorts heeft zij een bedrag van € 500,- aan medicijnen gevorderd.

5.28.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat [eiseres] haar no-claim kortingen heeft misgelopen als gevolg van het voorval met de hond, nu zij niet over het medisch dossier beschikt.

5.29.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aan [eiseres] om bewijs te leveren van het feit dat zij zonder het ongeval een no-claimkorting had genoten, of geen eigen bijdrage had hoeven betalen, tot een totaal van € 1.275 over de eerste vijf jaar. [eiseres] zal tot dit bewijs worden toegelaten.
De vordering met betrekking tot de medicijnen is door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. niet weersproken, zodat deze voor toewijzing vatbaar is.

Kosten thuiszitten
5.30.
[eiseres] heeft hiertoe aangevoerd dat zij de volgende kosten heeft moeten maken als gevolg van het feit dat zij veel thuis is en veel overdag slaapt:
- Verduisterende gordijnen € 314,-
- 2 goede stoelen à € 165 € 330,-
- grote spiegel € 225,-
- extra nachtkleding € 49,-
- gezondheidskussen € 70,-
- oordopjes € 150,-
- extra kosten energie/water € 2.500,-

5.31.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. stelt met betrekking tot de extra kosten in verband met extra energie en water dat de partner van [eiseres] sinds begin 2007 van uit huis werkt, zodat deze extra kosten –het ongeval wegdenkend – ook zouden zijn gemaakt.

5.32.
Ter zitting is door [eiseres] evenwel betoogd en met een verklaring van de partner van [eiseres] ondersteund, dat de partner van [eiseres] thuis is gaan werken om haar te kunnen bijstaan. Deze stelling is door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Daarmee zijn de extra kosten aan energie en water ook na 2007 te beschouwen als ongevalsgevolg. De hoogte van deze kosten is niet betwist. De overige kosten zijn door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. evenmin betwist, zodat het totale bedrag van € 3.638,- kan worden toegewezen.

Verlies aan verdienvermogen
5.33.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. stelt dat de inkomensschade tot medio juni 2009 € 20.000,- bedraagt, gebaseerd op € 4.000,- per jaar, zijnde het verschil tussen het netto salaris van [eiseres] bij [gedaagde 3] en de uitkering die zij als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid heeft gekregen. [eiseres] stelt evenwel dat daarbij geen rekening is gehouden met te verwachten loonstijging en dat zij daarnaast ook een inkomen genoot als zelfstandige. Laatstelijk mocht zij tot een bedrag van € 6.000,- per jaar als zelfstandige verdienen. Zij had bovendien deze werkzaamheden willen uitbreiden. Zij begroot haar verlies aan verdienvermogen op € 8.000,- per jaar, totaal € 40.000. Daarbij is zij uitgegaan van een inkomen als zelfstandige van € 2.000,- per jaar. En verder is zij uitgegaan van een loonstijging van ca. € 100,- per maand, waarmee het schadebedrag met ca. € 1.300,- per jaar toeneemt.
[eiseres] stelt dat het aannemelijk is dat zij zonder ongeval na het ontslag ander werk had gevonden. In 2004/2005 was de economie nog goed. Als het haar niet was gelukt als edelsmid aan het werk te komen, dan zou zij wel ander werk hebben gezocht en gevonden.

5.34.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. wijst er op dat al voor het ongeval een ontslagvergunning was aangevraagd zodat van loonstijging geen sprake zou zijn geweest. Zij acht waarschijnlijker dat [eiseres] bij een andere werkgever met een lager salaris genoegen had moeten nemen. De verdiensten als zelfstandige zijn volgens Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. niet onderbouwd. Bovendien is de juweliersbranche hard getroffen door de crisis zodat werkzaamheden als zelfstandige waarschijnlijk niet zoveel verdiensten zouden hebben opgeleverd.

5.35.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat haar verlies aan verdienvermogen over de periode tot juni 2009 meer zou bedragen dan het door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. becijferde bedrag van € 20.000,-. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat tussen partijen vaststaat dat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 3] ook zonder ongeval geëindigd zou zijn, zodat [eiseres] op zoek zou hebben moeten gaan naar een andere baan. Al dan niet in dezelfde branche. Met [eiseres] neemt de rechtbank aan dat zij erin geslaagd zou zijn ander werk te vinden. Dat zij daarmee echter meer zou hebben verdiend dan in haar dienstbetrekking met [gedaagde 3] is door [eiseres] op geen enkele manier onderbouwd. Dit klemt te meer nu zij tevens stelt voornemens te zijn geweest een dag in de week minder te gaan werken teneinde die dag als zelfstandige aan de slag te gaan. De begroting van [eiseres] van haar verlies van inkomsten uit loondienst is daarmee niet consistent.
Ten aanzien van de te verwachten inkomsten als zelfstandige heeft zij verzuimd haar stellingen van enige onderbouwing te voorzien. Die stellingen moeten dan ook als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de schade als gevolg van verlies van verdienvermogen tot medio juni 2009 op € 20.000,- moet worden vastgesteld.

Verlies zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en mantelzorg
5.36.
[eiseres] heeft in dit verband de volgende posten aangevoerd:
Door haar beperkingen is zij minder goed in staat om te koken. Zij is aangewezen op gesneden groenten en vaak aangewezen op afhaal- en bezorgmaaltijden. De extra kosten daarvan bedragen minimaal € 20,- per week gedurende 50 weken per jaar, derhalve € 1.000 per jaar. Verder is zij niet meer in staat werkzaamheden in de tuin te verrichten. Werkzaamheden aan de voortuin zijn enige tijd na het voorval uitbesteed voor € 200,-.
De glazenwasser kost €12,50 per maand, totaal € 750,-
Voor het verdere verlies aan zelfwerkzaamheid zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de NNP aanbevelingen, uitgaande van de hoogste categorie omdat [eiseres] bijzonder handig was, totaal € 5.000,-. Wat de huishoudelijke taken betreft moet volgens de NNP richtlijn uitgegaan worden van € 160,- per week, totaal € 40.000,-.
[eiseres] stelt dat zij vóór het ongeval alle werkzaamheden in de tuin verrichtte en het grootste deel van het huishouden.

5.37.
Volgens Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. zijn de kosten terzake het verlies van zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en mantelzorg niet onderbouwd. Niet gespecificeerd is welke huishoudelijke taken [eiseres] verrichtte voor het ongeval die zij nu niet meer kan verrichten. Bovendien is het normaal en redelijk dat een herverdeling van de huishoudelijke taken tussen [eiseres] en haar partner plaatsvindt, waarbij zij taken van elkaar overnemen. Tot slot is het gevorderde bedrag van € 50.000,- te hoog, uitgaande van de NNP richtlijn. Immers, [eiseres] en haar partner hebben een eengezinshoekwoning met een voortuin een bestrate zijtuin en een achtertuin met gazon. Het is aan [eiseres] om aan te tonen dat zij veel/alle onderhoud aan haar woning verrichtte.
Bovendien moeten bij het berekenen van het verlies van zelfwerkzaamheid in mindering worden gebracht de uren die de partner van [eiseres] kan overnemen. Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. stelt dat de partner van [eiseres] voor het ongeval ook een aandeel in het huishouden had en dat de verhouding ongeveer 80:20 was. Deze verhouding mag na het ongeval ook verwacht worden, aldus Europeesche Verzekering Maatschappij N.V..

5.38.
Naar het oordeel van de rechtbank moet ervan worden uitgegaan dat het letsel dat [eiseres] heeft opgelopen als gevolg van het ongeval met de hond heeft geleid tot beperkingen met betrekking tot zelfwerkzaamheid en huishoudelijke taken. Naar het oordeel van de rechtbank kan voor een vergoeding daarvoor worden aangesloten bij de Richtlijnen van de Letselschaderaad. Echter, met Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. is de rechtbank van oordeel dat niet vaststaat welke werkzaamheden [eiseres] vóór het ongeval verrichtte en welke zij na het ongeval niet meer kan verrichten. Daarmee staat de omvang van de beperking niet vast. Evenmin staat vast welke taken de partner van [eiseres] voor het ongeval verrichtte en welke hij na het ongeval van haar heeft kunnen overnemen. Weliswaar is door [eiseres] verklaard dat haar partner twee linkerhanden heeft en zij daarom vrijwel alle werkzaamheden in en rond het huis verrichtte, maar tegelijkertijd heeft zij een verklaring in het geding gebracht van haar partner waarin hij melding maakt van het feit dat hij na het ongeval het merendeel van de huishoudelijke taken op zich heeft genomen. Hij stelt daarin ook praktisch de hele dag voor haar te hebben gezorgd. Bovendien heeft de rechtbank hierboven als vaststaand feit aangenomen dat de partner thuis is gaan werken om bij te kunnen springen waar nodig. Deze verklaringen en feiten rijmen niet zonder meer met de stelling van [eiseres] dat haar man niet in staat zou zijn geweest tot het verrichten van werkzaamheden waarvoor zij thans een vergoeding vraagt.

5.39.
De rechtbank zal [eiseres] derhalve toelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij voor het ongeval vrijwel alle huishoudelijke en andere taken verrichtte en dat haar man niet in staat zou zijn taken van haar over te nemen die zij na het ongeval niet meer kan verrichten.
Tevens zal de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten over de mate van beperking in het kader van de Richtlijn van de Letselschaderaad met betrekking tot huishoudelijke taken. Zij kan zich dan tevens uitlaten over de mate van benodigd onderhoud voor de tuin als bedoeld in de Richtlijn Zelfwerkzaamheid. Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren. Uit proceseconomische overwegingen zal de rechtbank deze aktewisseling afwachten alvorens [eiseres] in de gelegenheid te stellen het hiervoor bedoelde bewijs te leveren, aangezien er wellicht ten aanzien van dit laatste punt ook nog bewijslevering nodig zal blijken.

Extra kosten vakantie
5.40.
[eiseres] stelt aangewezen te zijn op vakanties in luxueuze hotels en op vervoer per taxi. Deze schadepost bedraagt ongeveer € 1.000,- per jaar. Totaal € 5.000,-.

5.41.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. betwist de noodzaak voor het maken van € 1.000 aan extra kosten tijdens vakanties en stelt dat die noodzaak door [eiseres] ook niet nader onderbouwd.

5.42.
De rechtbank is met Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld om dit deel van haar vordering toe te wijzen. Niet is toegelicht op grond waarvan zij zou zijn aangewezen op luxueuze hotels en vervoer per taxi, hetgeen gelet op de aard van haar letsel wel in de rede had gelegen. Bovendien betreft het hier kosten die volgens de stellingen van [eiseres] reeds zouden zijn gemaakt. Het gaat immers om vakanties in de periode na het ongeval tot medio 2009. [eiseres] heeft evenwel verzuimd te stellen welke vakanties zijn gemaakt en welke extra kosten daarmee waren gemoeid. Naar het oordeel van de rechtbank had in deze situatie van [eiseres] verwacht mogen worden dat zij de door haar gestelde schade had geconcretiseerd en inzichtelijk gemaakt. Deze post zal derhalve als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Overige kosten
5.43.
[eiseres] vordert tot slot een vergoeding voor de uren die derden (partner en familieleden) hebben besteed aan zorgtaken. Deze zijn niet inbegrepen in de vergoeding voor huishoudelijke hulp of verlies aan zelfwerkzaamheid. Verder zijn er nog kleine schadeposten zoals parkeergeld etc. Er wordt een totaalbedrag van € 1.000,- gevorderd.

5.44.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. stelt, met verwijzing naar jurisprudentie van het Gerechtshof Arnhem, dat het redelijk is om familieleden een niet voor vergoeding in aanmerking komend gedeelte van de huishouding/verzorgingstaken op zich te laten nemen.

5.45.
Ook deze kostenpost zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. De door derden aan zorgtaken bestede uren zijn niet nader geconcretiseerd noch gekwantificeerd. Bovendien wordt niet toegelicht waarom deze uren niet zouden zijn inbegrepen in de vergoeding voor huishoudelijke hulp of verlies aan zelfwerkzaamheid.

5.46.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat van de door [eiseres] genoemde schadeposten een bedrag van € 52.388,- reeds toewijsbaar geacht wordt. Een bedrag van € 23.500,- ligt voor afwijzing gereed. Ten aanzien van de posten ‘no-claim en eigen bijdrage’ en ‘zelfwerkzaamheid en huishoudelijke taken’ zal [eiseres] haar vorderingen nader hebben toe te lichten dan wel te bewijzen.

5.47.
Mede gelet op het feit dat zijdens de Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. ter zitting is verklaard dat over de schade tot medio juni 2009 partijen in gezamenlijk overleg wel tot een vergelijk zouden kunnen komen, kan de rechtbank zich voorstellen dat het resterende deel van het geschil door partijen in der minne wordt beslecht. Zij verzoekt partijen zich daarover uit te laten op na te melden roldatum.

5.48.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Ten aanzien van gedaagden [gedaagde 2] en [gedaagde 3].
5.49.
[eiseres] heeft naast Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gedagvaard. Zij stelt daartoe verplicht te zijn op grond van artikel 7:954 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiseres] heeft geen vorderingen geformuleerd met betrekking tot deze gedaagden.

5.50.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], nu in de dagvaarding geen vorderingen jegens hen zijn geformuleerd. Evenmin zijn feiten of grondslagen van vorderingsrechten aangevoerd. Zij vorderen veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, alsmede de nakosten indien de proceskosten niet binnen veertien dagen worden betaald.

5.51.
[eiseres] beroept zich op de bepaling in artikel 7:954 lid 6 BW waarin is vermeld dat de benadeelde die ter zake van zijn schade als gevolg van dood of letsel een rechtsvordering instelt tegen de verzekeraar, daartoe slechts bevoegd is indien hij ervoor zorg draagt dat de verzekerde tijdig in het geding wordt geroepen.
De grondslag van de vordering van [eiseres] is de vaststellingsovereenkomst die zij, naar aanleiding van een eerder geding tegen zowel Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. als tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3], met Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. heeft gesloten en waarin is overeengekomen dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. 75% van de schade als gevolg van het voorval met de hond zou vergoeden. Weliswaar heeft [eiseres] ter zitting verklaard dat de subsidiaire grondslag van de vordering artikel 7:954 BW zou zijn, maar die stelling rijmt niet met de inhoud van de dagvaarding. Immers, niet alleen wordt daarin melding gemaakt van de vaststellingsovereenkomst als basis voor de vordering maar bovendien wordt de vordering in het petitum beperkt tot de overeengekomen 75% van het schadebedrag. Van een subsidiaire grondslag die los zou staan van de vaststellingsovereenkomst is dan ook niet gebleken.
Naar het oordeel van de rechtbank was er aldus geen noodzaak om [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te dagvaarden. Zij zal ten aanzien van deze gedaagden niet-ontvankelijk worden verklaard en in de proceskosten tot op heden begroot op € 821,- aan griffierecht en € 1.788,- aan kosten van de advocaat. De nakosten zullen als in het dictum vermeld worden toegewezen.

6 de beoordeling in de vrijwaring
6.1.
Ter zitting heeft Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. verklaard dat nu vaststaat dat [gedaagde 3] te beschouwen is als werkgever van [eiseres], de vorderingen voor zover gericht tegen de overige gedaagden als ingetrokken beschouwd kunnen worden. Derhalve resteert slechts de vordering tegen [gedaagde 3].

6.2.
De vordering in vrijwaring jegens [gedaagde 3] is tweeledig. Allereerst wordt een veroordeling gevraagd tot al hetgeen waartoe Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Daarnaast wordt een veroordeling gevraagd tot vergoeding van het door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. reeds betaalde bedrag van € 58.000,-.

6.3.
De vraag dringt zich op of het tweede deel van het gevorderde kan worden beschouwd als een vordering in vrijwaring. Immers, vaststaat dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. in de hoofdzaak niet zal worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 58.000,- nu tussen partijen in de hoofdzaak vaststaat dat dit bedrag reeds is betaald.
De rechtbank overweegt in dit verband dat in de hoofdzaak de gehele schade over de periode van het ongeval tot medio juni 2009 aan de orde is gesteld, zij het dat gevorderd is bij de veroordeling het betaalde bedrag van € 58.000,- op het schadebedrag in mindering te brengen. Derhalve verzet de goede procesorde zich er niet tegen in de vrijwaringsprocedure een vordering in te dienen die ziet op het gehele schadebedrag, inclusief het reeds betaalde bedrag van € 58.000,-.

6.4.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd de stelling dat zij op grond van de cessie van de vorderingen van [eiseres], als ware zij [eiseres], de schade kan verhalen op [gedaagde 3]. [gedaagde 2] was bij haar verzekerd voor particuliere aansprakelijkheid. [gedaagde 3], als inwonende zoon, was op deze polis meeverzekerd.
Zij stelt evenwel dat de schade niet gedekt is op deze polis nu de uitsluitingsgrond van artikel 6.1 van toepassing is. [eiseres] heeft de hond van [gedaagde 3] uitgelaten tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden, zodat [gedaagde 3] op grond van artikel 7:658 BW als werkgever aansprakelijk is voor de schade, althans werd de hond door [gedaagde 3] bedrijfsmatig gebruikt in de zin van artikel 6:181 BW.

6.5.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. voert daartoe aan dat de hond dagelijks werd meegenomen naar van de juwelierszaak van [gedaagde 3], waar hij op verzoek van [gedaagde 3] door het personeel, onder wie [eiseres], werd uitgelaten. Zij verwijst daartoe naar het door haar overgelegde rapport van VIDI. Subsidiair heeft Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. gesteld dat de aanwezigheid van de hond in een juwelierszaak een afschrikwekkende functie heeft. De aanwezigheid van de hond had aldus het doel om kwaadwillende mensen af te schrikken en overvallen te voorkomen, aldus Europeesche Verzekering Maatschappij N.V.

6.6.
[gedaagde 3] stelt voorop dat de vordering jegens hem verjaard is. Hij voert daartoe het volgende aan.
In de akte van cessie (bij de vaststellingsovereenkomst met [eiseres], Rb) heeft [eiseres] haar vorderingsrechten op Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. overgedragen. Dit betreft echter geen vorderingsrechten op grond van artikel 7:658 BW, maar op grond van 6:179 BW, aldus [gedaagde 3]. De vorderingsrechten op grond van artikel 7:658 BW zijn verjaard.

6.7.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. betwist de verjaring. Ter comparitie heeft zij daartoe het volgende aangevoerd. In 2008 zijn zowel Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. als [gedaagde 3] gedagvaard. In die procedure is behalve de persoonlijke aansprakelijkheid ook de werkgeversaansprakelijkheid genoemd. De akte van cessie heeft betrekking op alle vorderingsrechten. De stuiting zag dan ook mede op de vorderingen uit werkgeversaansprakelijkheid, zodat die niet zijn verjaard.

6.8.
Nu het ter comparitie door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. gestelde niet door [gedaagde 3] is weersproken, staat dit in rechte vast en faalt het verjaringsverweer.

6.9.
Voorts is volgens [gedaagde 3] geen sprake van aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW, aangezien [eiseres] volgens de dagvaarding schadevergoeding vordert op grond van artikel 6:179 BW.

6.10.
Dit verweer snijdt geen houdt. De vordering van [eiseres] in de hoofdzaak, als hierboven vermeld, is gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst die zij met Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. heeft gesloten. De vordering in vrijwaring is gebaseerd op de gecedeerde vorderingen van [eiseres] uit hoofde van werkgeversaansprakelijkheid.

6.11.
[gedaagde 3] betwist voorts het gestelde ongeval. Daarover is volgens hem niets anders bekend dan [eiseres] stelt. [gedaagde 3] is slechts getuige geweest van het feit dat [eiseres] zonder hond terug kwam bij de winkel, er zijn geen verklaringen van getuigen. Volgens [gedaagde 3] klaagde [eiseres] over pijn in haar arm. Dat zou door de hond zijn veroorzaakt door een ruk aan de riem. Zij ging aanvankelijk weer gewoon aan het werk. Er blijkt niet van een eerder contact met de huisarts dan 25 oktober 2004.

6.12.
[gedaagde 3] betwist voorts dat blijvend letsel het gevolg is geweest van het voorval met de hond. Hij meent dat de causale relatie niet is aangetoond.

6.13.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. meent dat [gedaagde 3] zijn recht heeft verwerkt om de toedracht van het ongeval thans nog te betwisten. [gedaagde 3] is destijds bijgestaan door een advocaat en is op de hoogte geweest van de afspraken die zijn gemaakt met [eiseres]. In deze periode is de toedracht nooit betwist door [gedaagde 3]. De omstandigheden rond het voorval zijn nooit ter discussie geweest. Bovendien hoeft een medewerker de omstandigheden van een ongeval niet precies te beschrijven. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW is voldoende dat het ongeval plaatsvond tijdens het uitoefenen van haar werkzaamheden.

6.14.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of sprake is van rechtsverwerking ten aanzien van de betwisting van de toedracht van het ongeval, nu deze betwisting, gelet op alle bekende feiten en omstandigheden als onvoldoende gemotiveerd kan worden gepasseerd. Immers, [gedaagde 3] erkent dat sprake is geweest van het uitlaten van de hond door [eiseres], hij erkent tevens dat zij terugkwam zonder hond, dat zij melding maakte van een ruk aan de riem en dat zij klaagde over pijn in haar arm. [gedaagde 3] zou zelfs hebben aangedrongen op een bezoek aan de huisartsenpost, waarna [eiseres] naar huis is gegaan. Voorts maakt de uitgebreide medische informatie melding van letsel aan de schouder, dat in lijn is met de door [eiseres] gestelde gebeurtenis. Gelet op al deze omstandigheden kan [gedaagde 3] niet volstaan met een blote betwisting van het voorval en de vaststelling dat er geen getuigen waren.
Hetzelfde geldt voor de betwisting van het causale verband tussen het schouderletsel en het voorval. Uit de medische informatie, hierboven onder r.o. 3.11 vermeld, blijkt immers dat het geconstateerde letsel heel wel past bij de door [eiseres] beschreven gebeurtenis op 19 oktober 2004. [gedaagde 3] had derhalve niet kunnen volstaan met een blote betwisting van de causale relatie.

6.15.
[gedaagde 3] betwist dat sprake is van werkgeversaansprakelijkheid en stelt daartoe dat hij de hond, die in die periode nog een pup was, meenam naar het werk om hem niet alleen thuis te hoeven laten. Hij stelt dat de hond niet in de winkel was maar in een niet voor publiek toegankelijke ruimte. Volgens [gedaagde 3] wilde [eiseres] - als straffe rookster - tussen de werkzaamheden door graag even naar buiten en vond dan een excuus door te vragen of zij de hond even moest uitlaten. Op de bewuste dag kwam het initiatief van [eiseres] zelf. Zij had bedrijfsmatig niets met de hond van doen. [gedaagde 3] liet zelf de hond regelmatig uit. De hond hoorde niet tot de uitrusting van het bedrijf, is niet als afschrikking gebruikt en het uitlaten van de hond behoorde niet tot de gewone werkzaamheden. De bewijslast rust op Europeesche Verzekering Maatschappij N.V., aldus [gedaagde 3].

6.16.
Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. heeft ter onderbouwing van haar stellingen verwezen naar het rapport van VIDI en de daarin vermelde verklaringen van [eiseres], [naam 3], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. In het rapport wordt vermeld dat de beide medewerksters verklaren dat het de gewoonte was geworden dat zij de hond uitlieten en dat [gedaagde 3] hen dat vriendelijk verzocht. Zelf liet hij zelden de hond uit. Ook [gedaagde 3] zelf zou hebben verklaard dat het de gebruikelijke gang van zaken was dat de hond werd uitgelaten door diegene voor wie dat het beste uitkwam in verband met de werkzaamheden. Hiertoe deed [gedaagde 3] dan altijd een vriendelijk verzoek, aldus het rapport. De verklaringen lopen uiteen waar het gaat om de gang van zaken op de dag van het ongeval. [eiseres] verklaart dat haar werd verzocht de hond uit te laten, terwijl [gedaagde 3] verklaart dat zij daarom zelf had gevraagd.

6.17.
Voor de vraag of het ongeval van [eiseres] plaatsvond tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden, moet worden beoordeeld of het uitlaten van de hond tot haar werkzaamheden behoorde. Naar vaste jurisprudentie moet het begrip werkzaamheden in het kader van de werkgeversaansprakelijkheid ruim worden uitgelegd. Bepalend is dat het ongeval plaatsvond terwijl de werknemer krachtens arbeidsovereenkomst werkzaamheden verrichtte. Niet doorslaggevend is of hij of zij daarbij conform een door de werkgever gegeven opdracht werkte. Wel van belang is of de werknemer zich terecht op grond van de arbeidsovereenkomst verplicht achtte om de activiteit - waarbij het ongeval plaatsvond - te verrichten. Dat zal eerder het geval zijn, als de werkgever zeggenschap heeft over de activiteit.

6.18.
Nu Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. zich beroept op werkgeversaansprakelijkheid, ligt op haar de bewijslast van haar stelling dat het uitlaten van de hond tot de werkzaamheden van [eiseres] behoorden.
Gelet op de inhoud van het VIDI-rapport, waarbij ook de verklaringen van [gedaagde 3] en zijn moeder zijn betrokken, is de rechtbank van oordeel dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. haar stellingen voldoende heeft onderbouwd. Daarbij acht de rechtbank in het bijzonder van belang dat uit dit rapport naar voren komt dat – ook volgens [gedaagde 3] - het de gebruikelijke gang van zaken was dat de hond werd uitgelaten door een van de werkneemsters, afhankelijk van wie daartoe de meeste gelegenheid had.

6.19.
[eiseres] kon in de geschetste omstandigheden zich gerechtvaardigd verplicht achten om gevolg te geven aan een daartoe strekkend verzoek van [gedaagde 3]. Daaraan kunnen de stellingen van [gedaagde 3] niet afdoen.
Immers, gelet op de gezagsverhouding tussen [gedaagde 3] en [eiseres] kan daaraan niet afdoen dat dit verzoek vriendelijk werd gedaan. Evenmin kan daaraan afdoen dat [eiseres] in dit geval zelf het initiatief zou hebben genomen tot het uitlaten van de hond of dat [gedaagde 3] zelf ook wel eens de hond uitliet. Derhalve moet het uitlaten van de hond worden beschouwd als behorend tot de werkzaamheden.

6.20.
Aan de subsidiaire stelling dat de hond als waakhond werd ingezet en daarmee bedrijfsmatig werd gebruikt, komt de rechtbank niet meer toe.

6.21.
[gedaagde 3] heeft aangevoerd dat de hond onder de dekking van de polis valt. Er komt hem een beroep op verrekening toe, immers door die dekking bestaat er een vorderingsrecht tot uitkering tot juist dat schadebedrag dat [eiseres] uitgekeerd heeft gekregen. [gedaagde 3] stelt dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. door een regeling aan te gaan met [eiseres] materieel de aansprakelijkheid op grond van 6:179 BW heeft erkend. De handelwijze van Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. komt neer op regres op de eigen verzekerde.

6.22.
Dit verweer faalt. Zoals hierboven reeds overwogen behoorde het uitlaten van de hond tot de werkzaamheden van [eiseres]. Er moet dan ook geconcludeerd worden dat de aansprakelijkheid verband houdt met het uitoefenen van een bedrijf, zodat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. een beroep op de uitsluitingsgrond toekomt. Er is derhalve geen dekking voor deze schade.
Door met [eiseres] een vaststellingsovereenkomst te sluiten, heeft Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. geenszins erkend dat zij op grond van de polis tot uitkering gehouden zou zijn. Immers, de aard van een vaststellingsovereenkomst is nu juist dat partijen hun geschil beslechten, waarbij zij hetgeen hen verdeeld houdt nadrukkelijk in het midden laten. Onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is geweest dat [eiseres] haar vorderingen op [gedaagde 3] aan Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. cedeerde opdat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. een vordering als de onderhavige kon instellen. Dat deze handelwijze zou neerkomen op regres op de eigen verzekerde mist feitelijke grondslag, nu er juist geen dekking bestaat.

6.23.
Voorts heeft [gedaagde 3] betoogd dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. zonder betrokkenheid, laat staan instemming van [gedaagde 3], betalingen heeft gedaan op grond van de aanspraken uit de verzekeringspolis. Pas in 2007 heeft [gedaagde 3] voor het eerst weer van deze zaak gehoord. Tot die tijd had kennelijk Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. alle zaken behartigd. [gedaagde 3] doet een beroep op schending van de plicht tot schadebeperking door Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. Zij had zich moeten beroepen op het karakter van een vaststellingsovereenkomst, waarbij partijen zich hebben verbonden om de schade te begroten. Als in 2007 meteen was aangeboden een eindtoestand te laten vaststellen, had deze schade voorkomen kunnen worden. Zij heeft hiermee haar zorgplicht geschonden. Nu Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. er niet alles aan heeft gedaan om te voorkomen dat [eiseres] met aanvullende claims zou komen, kan [gedaagde 3] niet meer worden aangesproken op nakoming van zijn schadevergoedingsverplichting.

6.24.
De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V., wetende dat zij haar gecedeerde vorderingsrechten jegens [gedaagde 3] zou gaan uitoefenen, zich diens gerechtvaardigde belangen had moeten aantrekken bij de afhandeling van de schade met [eiseres]. Zulks kan als juist worden aangenomen.
Dat evenwel Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. ten onrechte geen beroep heeft gedaan op het feit dat [eiseres] zich had verbonden om de schade te begroten snijdt geen hout. Partijen twisten immers juist over de omvang van die schade. De vaststellingsovereenkomst behelst geen verbod om dat twistpunt aan de rechter voor te leggen. Voor het overige heeft [gedaagde 3] verzuimd toe te lichten wat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. had moeten doen om te voorkomen dat [eiseres] aanspraak zou maken op vergoeding van de door haar gestelde schade, zodat ook dit verweer faalt.

6.25.
Tot slot voert [gedaagde 3] aan dat, hoewel naar de letter van de wet geen afstand van recht aan de orde is geweest, bij hem de indruk heeft postgevat dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. met de akte van cessie verder niets zou doen. Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. heeft in dat verband aangevoerd dat [gedaagde 3] destijds is bijgestaan door een advocaat en dat hij telkens op de hoogte is gesteld van de afspraken die Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. met [eiseres] zijn gemaakt. Als [gedaagde 3] de strekking van die afspraken onjuist heeft begrepen, kan dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. niet worden tegengeworpen.

6.26.
De rechtbank overweegt dat geen sprake is geweest van afstand van recht. Niet gesteld of gebleken is dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. enige mededeling heeft gedaan waaraan [gedaagde 3] de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. de aan haar gecedeerde vorderingen niet zou incasseren. Dat [gedaagde 3] desalniettemin in die veronderstelling heeft verkeerd, kan Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. dan ook niet worden tegengeworpen. In dat verband overweegt de rechtbank dat [gedaagde 3] niet betwist dat hij in de procedure van [eiseres] tegen hem, die als gevolg van de vaststellingsovereenkomst in een royement is geëindigd, is bijgestaan door een advocaat.

6.27.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de vorderingen in vrijwaring in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat bij toewijzing van de onderdelen 1 van beide vorderingen het belang bij toewijzing van de onderdelen 2 komt te vervallen, zodat deze zullen worden afgewezen. Nu de hoofdzaak evenwel nog niet in staat van wijzen verkeert, en partijen in de hoofdzaak in overweging is gegeven hun geschil verder in der minne te regelen, zal de rechtbank de beslissingen in vrijwaring eveneens aanhouden. Ook in vrijwaring wordt partijen in overweging gegeven of zij hun geschil in der minne wensen te regelen en verzoekt de rechtbank partijen haar daarover bij akte in te lichten.

6.28.
Houdt iedere verdere beslissing aan. ECLI:NL:RBAMS:2014:2776