Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's-Gravenhage 120313 geen causaal verband tussen psychische klachten en inhalatie-incident met anti-rain-spray

Rb 's-Gravenhage 120313 geen causaal verband tussen psychische klachten en inhalatie-incident met anti-rain-spray 
2.  De feiten 
2.1.  Op 16 december 2002 heeft [verzoekster] in een afgesloten ruimte een leren jas ingespoten met een door Comforta in het verkeer gebrachte “anti-rain spray”. Door het inademen van de spray heeft [verzoekster] longklachten opgelopen (hierna: “het inhalatie-incident”). In verband met de klachten heeft [verzoekster] gedurende zes dagen in het ziekenhuis gelegen. 
2.2.  Delta Lloyd is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Comforta. Delta Lloyd heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het inhalatie-incident erkend en de schadeafwikkeling ter hand genomen. 

2.3.  In het kader van de schaderegeling hebben partijen longarts prof. dr. J. Postmus (hierna: “Postmus”) opdracht gegeven een medische expertise te verrichten. 

2.4.  In het rapport van Postmus van 12 augustus 2010 is – voor zover relevant – het volgende vermeld: 

“(…) 
Samenvatting 
48-jarige vrouw met veel kortademigheidklachten ontstaan na inhalatie “rainprotector spray” in december 2001 [2002]. Beeld van alveolitis geobjectiveerd, na hoge doses corticosteroiden sterk verbeterd. Restverschijnselen: iets verlaagde diffusiecapaciteit en anamnestisch persisterend hyperreactiveit; dit wordt gekarakteriseerd als RADS (reactieve airways dysfunction syndrome). De ernst van de klachten van patiënten is moeilijk te objectiveren. Haar klachten lijken sterk gekleurd door de aangetoonde psychiatrische problematiek. Mede hierdoor is het verrichte inspanningsonderzoek nauwelijks van waarde. 

Conclusie 
Anamnestisch hyperreactiviteit en iets verlaagde diffusiecapaciteit ruim 8 jaar na alveolitis door inhalatie toxische stof (RADS). (…)” 

2.5.  Vervolgens is [verzoekster] op gezamenlijk verzoek van partijen onderzocht door prof. dr. R.J. van den Bosch (hierna: “Van den Bosch”) en prof. dr. H.J.C. van Marle (hierna: “Van Marle”). In het op 13 januari 2011 uitgebrachte rapport komen Van den Bosch en Van Marle tot de volgende conclusie: 

“(…) 
Betrokkene is lijdende aan een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming, gekenmerkt door lusteloosheid, nerveuze spanning, concentratiestoornissen, angstaanvallen, vermoeidheid, depressiviteit en prikkelbaarheid. Er zijn geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis, zij het dat betrokkene haar klachten emotioneel en expressief naar voren brengt. Deze wijze van klachtenpresentatie wordt door de eerdere artsen ook al vermeld. In termen van adaptatie blijkt dat betrokkenen erg externaliseert en de bron van haar problemen voornamelijk buiten zichzelf legt, in casu bij de door haar ervaren kwaliteit van werken die beneden haar kunnen zou zijn. In deze blijkt betrokkenen erg ambitieus. Hierbij zijn transculturele aspecten mogelijk aanwezig in de vorm van de normen en waarden die zij bij haar opvoeding in Servië heeft meegekregen. Niet te ontkennen valt dat zij een gedegen vooropleiding heeft gehad. 

Uit de stukken en uit betrokkenes eigen relaas komt geen verband met het inhalatie-incident d.d. 16.12.02. Bovenstaande symptomatologie vertoonde betrokkene al hiervoor. Ten tijde van het inhalatie-incident zat zij al in de ziektewet vanwege (psychische) problemen in verband met haar werk. Het inhalatie-incident heeft wel lichamelijke beperkingen bij betrokkene opgeleverd in de vorm van een perfusiestoornis, maar haar inspanningsvermogen is, zo blijkt uit de desbetreffende stukken, genormaliseerd. De ervaring van de inhalatie is, zo blijkt uit de desbetreffende stukken, genormaliseerd. De ervaring van de inhalatie is natuurlijk een traumatische geweest. Bij betrokkene valt echter geen posttraumatische stress stoornis vast te stellen. Wel kunnen wij als onderzoekers ons goed voorstellen dat betrokkene erg geschrokken is en de herinnering daaraan haar niet snel zal verlaten. Deze ervaring wordt echter gesuperponeerd op de al eerder bestaande klachten en aanvallen die betrokkene en de haar destijds onderzoekende artsen rapporteren. Betrokkene klaagt erover dat na het inhalatie-incident de frequentie van deze aanvallen is toegenomen. Een duidelijk verband met de somatische implicaties van de inhalatie is hierbij echter niet aan te tonen. Het ligt veel meer in de rede dat de door patiënte geconstateerde toename in frequentie te maken heeft met psychische problematiek zoals boven beschreven, i.c. de aanpassingsstoornissen in het werk en in haar privéleven. 
De bovenstaande beperkingen zijn dan ook niet het gevolg van de inhalatie van de anti-rain spray. 
(…)” 

In het rapport van Van den Bosch en Van Marle is verder – voor zover relevant – vermeld: 

“(…) 
Indien het incident betrokkene niet was overkomen achten ondergetekenden de situatie van betrokkene gelijk aan zoals die nu is. (…)” 


3.  Het geschil 
3.1.  [verzoekster] verzoekt – zakelijk weergegeven – bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”): 

a.   te bepalen dat de door [verzoekster] ervaren, in het rapport van Van den Bosch en Van Marle omschreven psychische klachten, het gevolg zijn van het [verzoekster] op 16 december 2002 overkomen inhalatie-incident; 
b.  Delta Lloyd en Comforta te veroordelen een voorschot op de door [verzoekster] geleden schade te voldoen ad € 100.000,--; 
c.  de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoekster] te begroten en Delta Lloyd en Comforta te veroordelen tot betaling van deze kosten. 

3.2.  [verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat Van den Bosch en Van Marle ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de (toename van de) psychische klachten van [verzoekster] niet samenhang(t)(en) met het inhalatie-incident. De deskundigen hebben niet alle relevante (medische) informatie in hun onderzoek betrokken, aldus [verzoekster]. 

3.3.  Delta Lloyd en Comforta voeren verweer. 

3.4.  Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 


4.  De beoordeling 
Het verzoek zoals weergegeven onder a 
4.1.  De rechtbank stelt voorop dat partijen in gezamenlijk overleg hebben besloten tot een medische expertise, waarbij zij overeenstemming hebben bereikt over de personen van de deskundigen, te weten Van den Bosch en Van Marle, en de aan hen te stellen vragen. In een dergelijk geval geldt dat wanneer geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud van het rapport, het rapport door partijen tot uitgangspunt moet worden genomen voor de verdere (buitengerechtelijke) afwikkeling van de schade. 

4.2.  Van den Bosch en Van Marle concluderen dat de psychische klachten die [verzoekster] ondervindt niet het gevolg zijn van het inhalatie-incident. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat deze conclusie van de deskundigen is gebaseerd op partijdige en onvolledige gegevens. 

4.3.  De rechtbank is – met Delta Lloyd en Comforta – van oordeel dat Van den Bosch en Van Marle in hun rapport inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij tot hun oordeel zijn gekomen en dat de conclusie van Van den Bosch en Van Marle deugdelijk is onderbouwd en voortvloeit uit de door hen in het rapport vermelde gegevens. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] het niet eens is met die conclusie is onvoldoende om het rapport terzijde te schuiven. Als onweersproken staat vast dat Van den Bosch en Van Marle het conceptrapport aan partijen hebben verzonden en hen in de gelegenheid hebben gesteld opmerkingen te maken en vragen te stellen. Partijen hebben van deze gelegenheid (bewust) geen gebruik gemaakt, waardoor het rapport definitief is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is het maken van opmerkingen en het stellen van vragen juist de aangewezen weg als deskundigen bepaalde relevante (medische) informatie niet in hun oordeel zouden hebben meegenomen. De kritiek die [verzoekster] thans uit, had zij daarom naar het oordeel van de rechtbank moeten uiten toen zij daartoe door de deskundigen in de gelegenheid werd gesteld. Op grond hiervan gaat de rechtbank aan de thans geuite bezwaren van [verzoekster] voorbij. De door [verzoekster] ter zitting geuite vrees, gebaseerd op ervaringen met deskundigen in het algemeen, dat Van den Bosch en Van Marle niet meer bereid zouden zijn terug te komen op hun conclusies en bevindingen, zoals verwoord in het conceptrapport, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De situatie dat het rapport evident in strijd is met de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden, doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voor. 

4.4.  Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de deskundigen. Het verzoek vast te stellen dat de psychische klachten van [verzoekster] wel het gevolg zijn van het inhalatie-incident, ligt daarmee voor afwijzing gereed. 

Het verzoek zoals weergegeven onder b 
4.5.  [verzoekster] verzoekt voorts veroordeling van Delta Lloyd en Comforta tot betaling van een voorschot, zoals weergegeven onder r.o. 3.1. Dit zal worden afgewezen, omdat in dit deelgeschil niet is vast komen te staan dat de psychische klachten van [verzoekster], en daarmee de schade, het gevolg zijn van het inhalatie-incident. 

Het verzoek zoals weergegeven onder c 
4.6.  Ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, dient de rechtbank de kosten van deze procedure te begroten op grond van artikel 1019aa Rv. Dit is alleen dán anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Deze beslissing lag zo voor de hand dat het indienen van het verzoek volstrekt onterecht dient te worden geoordeeld. Nu de kosten bij de behandeling van het verzoek daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen kan begroting van deze kosten achterwege blijven. LJN BZ7062

Deze website maakt gebruik van cookies