Overslaan en naar de inhoud gaan

GHAMS 290726 straf;  NAH, cognitieve beperkingen, continue zorg, persoonlijkheidsverandering; R.damse Schaal € 172.500 + 25% opslag + 50% Le-Fort fractuur (€ 12.500); € 234.733

GHAMS 290726 straf;  NAH, cognitieve beperkingen, continue zorg, persoonlijkheidsverandering; R.damse Schaal € 172.500 + 25% opslag + 50% Le-Fort fractuur (€ 12.500); € 234.733
 

9.3.

Overwegingen van het hof

9.3.1.

Inleiding

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

9.3.2.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een hamer tegen het gezicht of hoofd te slaan. Hiermee heeft de verdachte een uitzonderlijk grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat namelijk zeer fors letsel heeft opgelopen en voor zijn leven heeft moeten vrezen. Het had niet veel gescheeld of het slachtoffer was komen te overlijden. Dat het slachtoffer nog leeft is in ieder geval niet aan het handelen van de verdachte te danken, die het slachtoffer hulpeloos heeft achtergelaten. Het beeld dat het slachtoffer de hele nacht zwaargewond en in een plas bloed liggend op de grond heeft doorgebracht is schrijnend. Tot op de dag van vandaag is het leven van het slachtoffer ernstig beïnvloed door het feit, aangezien hij cognitief, visueel en lichamelijk ernstig achteruit is gegaan, niet meer zelfstandig kan leven en overal ondersteuning bij nodig heeft. Door toedoen van de verdachte is het slachtoffer veranderd van een zelfstandige man die veel voldoening haalde uit zijn werk en activiteiten binnen zijn kerk, naar een hulpbehoevende, kwetsbare man die nu – zo blijkt uit de slachtofferverklaring opgesteld door zijn broer – een ‘heel klein, beperkt en treurig’ leven leidt. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen het leven van het slachtoffer, maar ook van zijn familieleden volledig op de kop gezet. Dat het feit is gepleegd met het kennelijke doel om enkele goederen van beperkte waarde weg te nemen, waarvan een groot deel op de looproute is achtergelaten, maakt de zinloosheid van het feit des te schrijnender. Daarnaast veroorzaken zulke gewelddadige feiten bij de samenleving een enorme schok en gevoelens van onveiligheid. Deze omstandigheden, in combinatie met het feit dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft getoond voor zijn handelen, rekent het hof de verdachte zeer zwaar aan.

9.3.3.

Persoonlijke omstandigheden

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met een Nederlands uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 juni 2026 en een Lets uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld in Frankrijk, Nederland en Letland voor vermogensdelicten, geweldsdelicten en een combinatie daarvan, waarvoor hij al meerdere (soms maandenlange) gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee. Hiernaast is het hof niet gebleken van persoonlijke omstandigheden om in het voordeel van de verdachte mee te wegen.

9.3.4.

Overschrijding van de redelijke termijn

Gelet op de ernst van de feiten en de recidive acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden. Het hof houdt echter wel rekening met de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 14 oktober 2022 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 29 juli 2026 uitspraak, waardoor de redelijke termijn van 16 maanden met ruim 29 maanden is overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 1 jaar te verminderen.

9.3.5.

Conclusie

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

10Vordering van de benadeelde partij

10.1.

Omvang van de vordering

10.1.1.

Inleiding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 241.189,23 en bestaat uit € 6.456,23 aan materiële schade en € 234.733,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 129.864,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, maar heeft ter terechtzitting in hoger beroep een aantal posten niet langer gehandhaafd (zoals hieronder weergegeven).

10.1.2.

Vordering ten aanzien van materiële schade

De gestelde materiële schade bestaat uit:

  1. € 713,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding van 23 dagen;
  2. € 1.152,00 aan revalidatiedaggeldvergoeding van 72 dagen;
  3. € 385,00 aan eigen risico van 2021;
  4. een bedrag aan eigen risico van 2022, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
  5. € 48,90 aan eenmalige kosten bijzonder vervoer;
  6. € 91,75 aan variabele kosten bijzonder vervoer;
  7. een bedrag voor kosten van een huurauto, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
  8. € 190,04 aan tandartskosten;
  9. € 489,00 aan aanschafkosten vervangende telefoon;
  10. € 14,95 aan aanschafkosten telefoonhoesje;
  11. een bedrag aan aanschafkosten voor een leesbril en vertebril, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
  12. een bedrag aan aanschafkosten voor een rollator, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
  13. € 120,99 aan aanschafkosten voor een douchestoel, bijbehorende antislipmat en wandbeugel;
  14. € 84,95 aan aanschafkosten voor een toiletstoel;
  15. € 50,90 aan aanschafkosten voor een medicatiekluis;
  16. € 37,50 aan behandelkosten voor een pedicure;
  17. € 456,00 aan eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp tussen 6 december 2021 en
    10 december 2023;
  18. € 2.228,00 aan toekomstige eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp, geschat op basis van
    10 jaren;
  19. € 393,25 aan kosten voor medische advisering (te weten € 635,25, waarvan € 242,00 aan subsidie vanaf is getrokken).

10.1.3.

Vordering ten aanzien van immateriële schade

De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij niet meer zelfstandig thuis kan wonen en veel ondersteuning nodig heeft. Hij ontvangt viermaal per dag thuiszorg en huishoudelijke hulp. Gelet op de letsels en rekening houdend met de bedragen in de Rotterdamse Schaal (hierna: RS), acht de benadeelde partij het gevorderde smartengeld redelijk.

10.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – in het geval van een bewezenverklaring – ten aanzien van de materiële schade betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat het schadebedrag gematigd moet worden ten aanzien van de posten:

  • -

    onder i en j, aangezien onbekend is wat de dagwaarde was van de vorige telefoon en bijbehorend hoesje van de benadeelde partij;

  • -

    onder r voor zover dat ziet op de nog niet gemaakte kosten, omdat op basis van de medische informatie niet is vast te stellen of alle hulp ook in de komende vier jaar nog nodig zal zijn.

Voor het overige heeft de verdediging de materiële schadeposten niet betwist.

De verdediging heeft – in het geval van een bewezenverklaring – ten aanzien van de immateriële schade primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, omdat de situatie vóór en na het tenlastegelegde onduidelijk is, de medische eindtoestand nog niet duidelijk is en de uiteindelijke hoogte van de immateriële schade in een letselschadeprocedure moet worden vastgesteld. Subsidiair is verzocht om op basis van categorie 2.1 van de RS uit te gaan van een bedrag van € 150.000,00.

10.3.

Oordeel van het hof

10.3.1.

Ten aanzien van de materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde materiële schade heeft geleden.

Ten aanzien van de posten i en j, die door de verdediging gemotiveerd zijn betwist, overweegt het hof dat bewezen is verklaard dat de telefoon van de verdachte is gestolen en dat aannemelijk is dat daar een hoesje bij heeft gehoord. Omdat niet bekend is wat de dagwaarde van de weggenomen telefoon en het hoesje ten tijde van het wegnemen daarvan was, zal het hof gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid en de waarde van de telefoon, respectievelijk hoesje schatten op een bedrag van
€ 150,00 en € 5,00, zodat de vordering ten aanzien van posten i en j tot die bedragen zal worden toegewezen. Voor het overige is de verdachte niet tot vergoeding van de aanschafkosten gehouden, zodat de vordering ten aanzien van posten i en j voor het overige zal worden afgewezen.

Ten aanzien van post r, die door de verdediging gemotiveerd is betwist, overweegt het hof dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde huishoudelijke hulp nodig heeft, waarvoor hij een eigen bijdrage dient te betalen. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken is gebleken dat de benadeelde partij tot op heden huishoudelijke hulp krijgt en dat voldoende aannemelijk is dat hij deze hulp de komende jaren onverminderd nodig zal hebben. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat dit gedeelte van de vordering voldoende is onderbouwd en de schadepost onder r volledig zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de overige gevorderde posten ter vergoeding van materiële schade overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij deze schade als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij, die door de verdediging niet zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, wordt dan ook geheel toegewezen.

10.3.2.

Ten aanzien van de immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Niet ter discussie staat immers dat de benadeelde partij als gevolg van het feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en daarmee op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, en daarnaast, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Het hof gaat concreet uit van de RS en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW (rechtspraak.nl). Aangezien er bij de benadeelde partij sprake is van meervoudig letsel, wordt conform voornoemde Aanbeveling 5 eerst uitgegaan van het zwaarste letsel, dat volledig meetelt, waarna het in ernst tweede letsel voor 50% meetelt.

Als zwaarste letsel neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij lijdt aan hersenletsel, waarbij hij achteruit is gegaan in cognitieve beperkingen, continue zorg nodig heeft, zijn zicht is aangetast en er sprake is van een persoonlijkheidsverandering. Dit valt in de RS als middelzwaar hersenletsel onder paragraaf 2.1 (c) onder I, waarin een bandbreedte van € 105.000 tot € 150.000 wordt genoemd. Er zijn daarnaast ook elementen aan te wijzen die vallen onder ernstig hersenletsel genoemd in paragraaf 2.1 (b), te weten dat de benadeelde partij sterk afhankelijk is van anderen en sprake is van een duidelijke aantasting in het intellect en persoonlijkheid. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 150.000 tot € 195.000 genoemd. Omdat bij de benadeelde partij sprake is van elementen uit beide categorieën, zal het hof hiervan het gemiddelde nemen en de schade naar billijkheid bepalen op € 172.500,00.

Als tweede letsel in ernst neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij een Le Fort-fractuur heeft opgelopen met dislocatie en breuken in de orbitabodem (oogkassen), die onder algehele anesthesie gerepositioneerd, intern gefixeerd en met een implantaat gereconstrueerd moesten worden. Hierin ziet het hof aanleiding om, gelet op het bepaalde in paragraaf 9.1 (a) van de RS, een bedrag van € 25.000,00 als uitgangspunt te nemen.

Tot slot ziet het hof aanleiding om, in lijn met Aanbeveling 3, vanwege de uiterst verwijtbare gedragingen van de verdachte aanleiding om een opslag van 25% toe te passen.

Het voorgaande resulteert in een bedrag van € 231.250,00.

Nu daarnaast bij de benadeelde sprake is van diverse andere letsels, acht het hof het gehele door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 234.733,00 billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot vergoeding van immateriële schade geheel zal worden toegewezen.

10.3.3.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.Gerechtshof Amsterdam 29 juli 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2115

↑