Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 040522 gedeeltelijke afwijzing; getuigen kunnen niet worden gehoord over causaal verband of hun mening als deskundige

RBLIM 040522 gedeeltelijke afwijzing; getuigen kunnen niet worden gehoord over causaal verband of hun mening als deskundige

2
De feiten
2.1.
Op 20 september 2020 heeft op de [straat ongeval] te [plaats ongeval] een aanrijding plaatsgevonden (hierna: het ongeval). Bij het ongeval zijn betrokken een Volvo met als bestuurder [verzoeker] en inzittende [bijrijder verzoeker] (hierna: [bijrijder verzoeker] ) en een bij
Bo-Rent-A-Car B.V. gehuurde Mercedes Benz met als bestuurder [bestuurder Mercedes Benz] (hierna: [bestuurder Mercedes Benz] ).

2.2.
De Mercedes Benz is conform de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Allianz.

2.3.
[verzoeker] is verzekerd bij Allianz middels een Schadeverzekering Inzittenden.

2.4.
Bij brief van 6 oktober 2020 heeft [verzoeker] Allianz aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval van 20 september 2020.

2.5.
Op 10 maart 2021 heeft [verzoeker] Allianz gedagvaard voor deze rechtbank. [verzoeker] vordert in die bodemprocedure een verklaring voor recht dat Allianz aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en zal lijden ten gevolge van het ongeval op 20 september 2020. Daarnaast vordert [verzoeker] een verklaring voor recht dat Allianz gehouden is om zijn schade te vergoeden op basis van de afgesloten Schadeverzekering Inzittenden.

2.6.
Allianz heeft bij conclusie van antwoord het standpunt ingenomen dat de vorderingen van [verzoeker] moeten worden afgewezen.

2.7.
Allianz heeft in de bodemprocedure berichten en rapportages overgelegd van [schade expert] , werkzaam bij Dekra, en [ongevallen analist] , werkzaam bij [ongevallen analyse bedrijf] (hierna: [ongevallen analyse bedrijf] ).

2.8.
De bodemprocedure is bij de rechtbank bekend onder C/03/290302 / HA ZA 21-176 en is – in afwachting van de uitspraak op dit verzoek – verwezen naar de parkeerrol van 5 oktober 2022.

3
Het verzoek en het verweer
3.1.

Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen.

3.2.
[verzoeker] stelt – samengevat – dat ten aanzien van de toedracht van het ongeval en de technische staat van de Volvo de lezingen van partijen uiteenlopen en voorts dat Alianz betwist dat [verzoeker] de veiligheidsgordel droeg ten tijde van het ongeval en betwist dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het ongeval. [verzoeker] verwacht dat nadere bewijslevering in de bodemprocedure vereist zal zijn voor toewijzing van zijn vorderingen.

3.3.
[verzoeker] wenst de volgende getuigen te doen horen:
zichzelf (hierna: getuige A) over de toedracht van het ongeval, de schade als gevolg van het ongeval, het causaal verband en de technische staat van de Volvo;
[bijrijder verzoeker] (hierna: getuige B), wonende te Weert, over het tijdstip, de locatie en de toedracht van het ongeval;
[eigenaar autobedrijf] (hierna: getuige C), eigenaar van [naam autobedrijf] te Weert, over de technische staat van de Volvo, over de handelingen die hij aan de Volvo heeft verricht en over de betaling van [verzoeker] . Tevens kan deze getuige technische uitleg geven over motorstoringen, het uitlezen van voertuigen en de invloed van motorstoringen op de rijbeleving;
[schade expert] (hierna: getuige D), werkzaam bij Dekra, over zijn onderzoeksresultaten;
[ongevallen analist] (hierna: getuige E), werkzaam bij [ongevallen analyse bedrijf] , over zijn onderzoeksresultaten;
[werknemer autobedrijf 2] (hierna: getuige F), werkzaam bij [autobedrijf 2] destijds gevestigd te Weert, over de staat van de Volvo op 10 september 2020;
[bestuurder Mercedes Benz] (hierna: getuige G), met als laatst bekende woonplaats [adres bestuurder Mercedes Benz] te [woonplaats bestuurder Mercedes Benz] , over de toedracht van het ongeval;
de eigenaar van [autobedrijf 3] (hierna: getuige H), over de locatie van het ongeval, werkzaamheden die hij vervolgens heeft verricht ná het ongeval en over het gebruik van de gordelhouder.

3.4.
Allianz heeft bij e-mail van 11 maart 2022 kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek.

3.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Leemhuis namens [verzoeker] aangegeven af te zien van het doen horen van getuige H over de locatie van het ongeval en de werkzaamheden die getuige H aan de Volvo heeft verricht na het ongeval, zodat het verzoek ten aanzien van de getuige onder h. slechts ziet op het gebruik van de gordelhouder. Tevens heeft hij toegelicht dat met "gebruik van de gordel" bedoeld wordt "de toestand van de gordel na het ongeval".

4
De beoordeling
4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de rechter in beginsel een voorlopig getuigenverhoor dient te gelasten, mits het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die betwist worden en met het voorlopig getuigenverhoor bewezen kunnen worden. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan echter worden afgewezen op de grond (i) dat de verzoeker daarbij geen belang als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek heeft; (ii) dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt - waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten -; (iii) dat het strijdig is met een goede procesorde; (iv) dan wel op grond van een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (zie bijv. HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008: BF3938). Minimaal noodzakelijk voor het toestaan van een voorlopig getuigenverhoor is dat een rechtsgrond wordt aangevoerd die aanleiding kan geven tot een civiele procedure, alsmede dat voor de behandeling van een zodanige vordering voldoende concrete feiten en omstandigheden worden gesteld die, mits bewezen of niet betwist, tot toewijzing van die vordering aanleiding zouden kunnen geven.

4.2.
Voor zover het verzoek ziet op:
- hetgeen getuige A kan verklaren over de toedracht van het ongeval, de technische staat van de Volvo in de zin van "het functioneren van de Volvo (direct) voorafgaand aan het ongeval" en op schade voor zover het betreft materiële schade aan de auto;
- hetgeen getuige C kan verklaren over de technische staat van de Volvo, de reparaties die hij aan de Volvo heeft verricht en over de betaling die [verzoeker] aan hem heeft verricht;
- hetgeen de getuigen B, F en G kunnen verklaren zoals verwoord in 3.3. onder b., f., en g.;
- hetgeen getuige H kan verklaren zoals verwoord in 3.3. onder h. in samenhang met 3.5.
is de rechtbank van oordeel dat het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en het feiten betreft die met een voorlopig getuigenverhoor bewezen kunnen worden. [verzoeker] heeft ten aanzien daarvan namelijk in zijn verzoekschrift voldoende duidelijk omschreven welke feiten hij met het voorlopig getuigenverhoor wenst te bewijzen. Het bewijs van deze feiten door getuigen is toegelaten. Ook zijn de door [verzoeker] gestelde feiten relevant, in die zin dat het bewijs van deze feiten tot beslissing in de reeds aanhangige bodemprocedure kunnen leiden, en worden door Allianz betwist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen aangezien voldaan is aan de wettelijke eisen en er geen omstandigheden naar voren zijn gebracht die zouden moeten leiden tot een afwijzing van het verzoek.

4.3.
Voor het overige zal het verzoek worden afgewezen. De rechtbank licht haar oordeel hieronder nader toe.

Getuige A

4.4.
De rechtbank is van oordeel dat een getuige, die dient te verklaren omtrent wat hem of haar uit eigen waarneming bekend is, niet kan verklaren over enig causaal verband, nu dat geen betrekking heeft op het bewijs van stellingen, maar een juridisch oordeel vraagt, hetgeen aan de (bodem)rechter is voorbehouden. De rechtbank zal het verzoek dan ook niet toestaan voor zover dat ziet op een verklaring omtrent het causaal verband, nu dat geen feit betreft dat met een getuigenverhoor bewezen kan worden.
4.4.2 Voorts wijst de rechtbank het verzoek af voor zover dat ziet op een verklaring van getuige A omtrent de technische staat van de auto, nu dit vraagt om een deskundige mening en niet om een verklaring uit eigen waarneming van een getuige. Ook in dat verband is geen sprake van een feit dat met een getuigenverhoor kan worden bewezen.

4.4.3.
Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek af voor zover dat ziet op een verklaring van getuige A omtrent de letselschade die [verzoeker] stelt geleden te hebben. Nu letselschade in een bodemprocedure bewezen/aannemelijk gemaakt dient te worden aan de hand van het medisch dossier van de benadeelde en/of deskundigenbewijs, is de rechtbank van oordeel dat er reeds ander bewijs voorhanden is (in de vorm van het medisch dossier van [verzoeker] ) zodat niet nog meer bewijs nodig is om te voldoen aan het doel van het voorlopig getuigenverhoor, dan wel dat een verklaring van getuige A niet kan bijdragen aan het bewijs, nu hij geen (medisch) deskundige is. De rechtbank wijst dit deel van het verzoek dan ook af vanwege strijd met de goede procesorde, respectievelijk op de grond dat er geen sprake is van een feit dat met een getuigenverhoor bewezen kan worden.

Getuige C

4.5.
De rechtbank wijst het verzoek af voor zover [verzoeker] verzoekt getuige C (een algemene) technische uitleg te laten geven over motorstoringen, het uitlezen van voertuigen en de invloed van motorstoringen op de rijbeleving. De rechtbank is van oordeel dat dit niet ziet op hetgeen de getuige kan verklaren uit eigen waarneming, maar vraagt om een deskundige mening. Daarmee is er geen sprake van een feit dat met een getuigenverhoor bewezen kan worden.

Getuige D en E

4.6.
Getuigen D en E hebben beiden een deskundigenrapport uitgebracht. [verzoeker] verzoekt hen te doen horen over hun onderzoeksresultaten. Hiermee wordt feitelijk verzocht om een deskundige mening, niet om een verklaring uit eigen waarneming van een getuige. Het verzoek zal dan ook in zoverre worden afgewezen, omdat geen sprake is van een feit dat met een getuigenverhoor bewezen kan worden.

De proceskosten

4.7.
Aangezien het verzoek van [verzoeker] deels wordt toegewezen en Allianz kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar te hebben tegen het houden van een voorlopig getuigenverhoor, acht de rechtbank geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een proceskostenveroordeling uit te spreken.

5
De beslissing
De rechtbank

5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van getuige A omtrent de toedracht van het ongeval (inclusief tijdstip en locatie), het functioneren van de Volvo direct voorafgaand aan het ongeval en de materiële schade aan de Volvo als gevolg van het ongeval,

5.2.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van getuigen B en G over het tijdstip, de locatie en de toedracht van het ongeval,

5.3.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van getuige C over de technische staat van de Volvo voorafgaand aan het ongeval, de reparaties die hij aan de Volvo heeft verricht en de betaling die [verzoeker] aan hem heeft verricht,

5.4.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van getuige F over de staat van de Volvo op 10 september 2020,

5.5.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van getuige H omtrent de toestand van de gordelhouder in de Volvo direct na het ongeval en in de periode dat de Volvo aanwezig was bij [autobedrijf 3] ,

5.6.
wijst het verzoek voor het overige af, ECLI:NL:RBLIM:2022:4024