Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Arnhem 300512 enkelletsel na val op bouwplaats; directe actie; ktr bevoegd omdat materieel slechts de zorgplicht van de werkgever dient te worden beoordeeld

Rb Arnhem 300512 enkelletsel na val op bouwplaats; 
wg-er heeft aan zorgplicht voldaan indien platen van voldoende dikte aanwezig waren ter afdekking sparingbewijsopdracht
- directe actie; kantonrechter bevoegd omdat materieel slechts de zorgplicht van de werkgever dient te worden beoordeeld

3.  Het verzoek en het verweer 

3.1.  [werknemer] verzoekt, samengevat weergegeven, de kantonrechter: 

a.  Te bepalen dat Allianz als aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden is om de letselschade van [werknemer] te dragen nu Van de Kolk aansprakelijk is voor het hem op 24 mei 2006 overkomen ongeval; 
b.  te bepalen dat Allianz gehouden is om de reeds gemaakte en nog te maken kosten te dragen die gemoeid zijn met deze procedure. 

3.2.  [werknemer] onderbouwt het verzoek, kort samengevat, als volgt. 
[werknemer] voert aan dat hij als gevolg van het arbeidsongeval op 24 mei 2006 ernstig letsel aan zijn rechterenkel heeft opgelopen. Er resteren nog immer posttraumatische klachten. 
[werknemer] voert aan dat Van de Kolk ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval omdat op de werkplaats ten tijde van het ongeval geen platen van voldoende dikte aanwezig waren om de sparing op een veilige wijze af te dekken. Van de Kolk had die platen ter beschikking dienen te stellen, hetgeen zij heeft nagelaten. Aldus heeft Van de Kolk, zo voert [werknemer] aan, niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. 
Allianz is volgens [werknemer] als aansprakelijkheidsverzekeraar van Van de Kolk gehouden de schade te vergoeden. 

3.3.  Van de Kolk en Allianz voeren gemotiveerd verweer. 
Primair stellen Van de Kolk en Allianz zich op het standpunt dat de kantonrechter onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Van de Kolk en Allianz voeren aan dat de vordering van [werknemer] gebaseerd is op de directe actie ex artikel 7:954 BW nu [werknemer] zijn verzoeken tegen Allianz richt. Gelet daarop betreft de vordering van [werknemer] een vordering op grond van een verzekeringsovereenkomst en niet op grond van een arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 7:954 lid 6 BW is volgens Van de Kolk en Allianz derhalve de sector civiel van de rechtbank Rotterdam bevoegd, gelet op de vestigingsplaats van Allianz. 
Subsidiair voeren Van de Kolk en Allianz aan dat het geschil zich niet leent voor beoordeling in de deelgeschilprocedure omdat nadere bewijslevering nodig is en het geschil voorts meer omvat dan de gestelde schending van de zorgplicht. Van de Kolk en Allianz wijzen in het bijzonder op de schadeomvang. Beoordeling van (enkel) de aansprakelijkheidsvraag zal derhalve niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 
Meer subsidiair voeren Van de Kolk en Allianz aan dat geen sprake is van een schending van de zorgplicht omdat de door [werknemer] genoemde platen om sparingen af te dekken wel degelijk voor [werknemer] beschikbaar waren en [werknemer] als ervaren timmerman alsmede door instructie van Van de Kolk wist dat hij de platen met de juiste dikte voor dat doel diende te gebruiken. 
Tenslotte betwisten Van de Kolk en Allianz de omvang van de door [werknemer] gestelde omvang van de met deze procedure gemoeide kosten. 
4.  De beoordeling 

Bevoegdheid 

4.1.  Gelet op (de formulering van) het verzoek dat door [werknemer] wordt gedaan, is sprake van een verzoek gegrond op de directe actie van artikel 7:954 lid 6 BW. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [werknemer] ook erkend dat het hem uiteindelijk te doen is om het verkrijgen van een schade-uitkering door Allianz. Inhoudelijk dient daartoe te worden vastgesteld of Van de Kolk jegens [werknemer] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. 

4.2.  Bevoegd om kennis te nemen van een dergelijk verzoek, dat is gegrond op de tussen Van de Kolk en Allianz gesloten verzekeringsovereenkomst, is in beginsel de sector civiel van de rechtbank, in dit geval Rotterdam gelet op de vestigingsplaats van Allianz. Ratio achter die bevoegdheidstoedeling is dat de aangesproken verzekeraar jegens de verzoeker mede alle (met name dekkings-)verweren kan inroepen die ook jegens de verzekerde zouden kunnen worden ingeroepen. 

4.3.  In de onderhavige zaak is aangevoerd noch gebleken dat Allianz jegens Van de Kolk, en derhalve in een procedure gegrond op een directe actie jegens [werknemer], dekkingsverweren wenst te voeren. 
Derhalve resteert materieel een beoordeling van de arbeidsrechtelijke aansprakelijkheid van Van de Kolk, met betrekking tot de beoordeling waarvan de kantonrechter in Wageningen bevoegd is. Niet valt in te zien op welke grond dat in het onderhavige geval, nu dekkingsverweren ontbreken, anders zou moeten zijn. 

4.4.  Zou [werknemer] gekozen hebben, of alsnog kiezen, om louter jegens Van de Kolk een deelgeschil aanhangig te maken teneinde vast te laten stellen of Van de Kolk jegens hem aansprakelijk is, dan betrof het een verzoek gegrond op de ten tijde van het ongeval tussen [werknemer] en Van de Kolk bestaande arbeidsovereenkomst en zou de kantonrechter te Wageningen bevoegd zijn (geweest) om kennis te nemen van dat deelgeschil. 
In dat geval kan [werknemer], zo aansprakelijkheid van Van de Kolk vast zou komen te staan, zich met een nieuw deelgeschil wenden tot bij de rechtbank Rotterdam teneinde van Allianz uitkering te krijgen onder de door Van de Kolk gesloten verzekering. Allianz kan dan haar dekkingsverweren voeren, doch de aansprakelijkheid van Van de Kolk is alsdan een gegeven. 

4.5.  Wanneer de kantonrechter de zaak aan zich houdt, wordt Allianz derhalve ook niet benadeeld doordat zij geen dekkingsverweren kan voeren bij de rechter die bevoegd is daarvan kennis te nemen. Wanneer het deelgeschil in deze procedure wordt beoordeeld, komt Allianz in die zin niet in een andere, voor haar nadelige, positie te verkeren ten opzichte van de situatie waarin [werknemer] zou kiezen voornoemde separate deelgeschillen aanhangig te maken. Ook dan is immers de aansprakelijkheid van Van de Kolk, zo die wordt aangenomen, een gegeven en is Allianz gehouden een uitkering te doen, zo zou komen vast te staan dat sprake is van schade aan de zijde van [werknemer]. 
4.6.  Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat Allianz onvoldoende belang heeft bij het door haar gevoerde bevoegdheidsverweer. Zij wordt niet benadeeld door behandeling van het verzoek in deze procedure, terwijl met het aanhangig maken van een nieuw deelgeschil bij de rechtbank in Rotterdam, laat staan twee separate deelgeschillen, voor zowel haar als voor [werknemer] de nodig tijd gemoeid is, terwijl dit ook nieuwe kosten met zich brengt. 

4.7.  De kantonrechter acht zich derhalve bevoegd van het door [werknemer] aanhangig gemaakte deelgeschil kennis te nemen. 

Deelgeschil? 

4.8.  Vervolgens dient te worden beoordeeld of het door [werknemer] verzochte zich leent voor beoordeling in de deelgeschilprocedure. Een verzoek dient – kort gezegd – afgewezen te worden indien de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w jo. 1019z Rv.). 

4.9.  De kantonrechter oordeelt op dit punt als volgt. Tussen Allianz en [werknemer] is gecorrespondeerd over de door [werknemer] gestelde aansprakelijkheid en schade. Zij zijn buiten rechte niet verder gekomen dan discussie ten aanzien van de aansprakelijkheidsvraag, meer specifiek de vraag of Van de Kolk de op haar op grond van artikel 7:658 BW rustende zorgplicht heeft geschonden. Omdat Allianz dat betwist, heeft zij aansprakelijkheid van de hand gewezen en zijn geen verdere onderhandelingen gevoerd. 

4.10.  Uit het door partijen in deze procedure aangevoerde maakt de kantonrechter op dat aannemelijk is dat beoordeling van die aansprakelijkheidsvraag partijen vergaand op weg zal helpen. Wanneer Van de Kolk niet aansprakelijk wordt geacht, eindigt uiteraard het geschil. Echter, ook wanneer tot het oordeel zou worden gekomen dat Van de Kolk jegens [werknemer] aansprakelijk geacht moet worden, is aannemelijk dat partijen een aanzienlijke stap dichter bij een vaststellingsovereenkomst zijn. 
Immers, dan is het belangrijkste resterende geschilpunt de (omvang van de) gestelde (letsel-)schade. Met betrekking tot de vaststelling van die schade hebben partijen dezelfde ideeën over de weg die in dat kader moet worden gegaan. Beide partijen achten daarvoor een orthopedische expertise noodzakelijk, mede om eventuele pre-existentie vast te stellen. Eerst wanneer de aansprakelijkheid van Van de Kolk zou zijn vastgesteld, is het aangewezen de tijd, kosten en moeite die een dergelijke expertise vergen daaraan te besteden. 
Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure. 

4.11.  De aansprakelijkheidsvraag leent zich in beginsel voor beoordeling in een deelgeschilprocedure. In dit geval is die vraag naar het oordeel van de kantonrechter dermate overzichtelijk dat deze behandeld kan worden. Partijen stellen zich immers beide op het standpunt, of hebben dat onvoldoende weersproken, dat a) sparingen in een werksituatie met een plaat dienen te worden afgedekt, b) dat het afdekken dient te gebeuren met een plaat van 18 of 19 millimeter en, c) dat van [werknemer] als ervaren timmerman en op grond van de instructies verwacht mocht worden platen met voldoende dikte te gebruiken indien deze voorhanden waren. 
De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat, zo er geen platen met voldoende dikte voorhanden waren, aan aansprakelijkheid van Van de Kolk niet in de weg staat dat [werknemer] in dat geval zijn werkzaamheden niet heeft gestaakt om de komst van dergelijke platen af te wachten. Van de Kolk moest verwachten dat [werknemer] dan een tijdelijke, minder veilige, oplossing zou kiezen om de geplande werkzaamheden volgens schema te kunnen voltooien. De kantonrechter is voorts van oordeel dat voldoende is indien de platen van 18 of 19 millimeter op de bouwplaats aanwezig waren en (derhalve) voor [werknemer] beschikbaar. Niet vereist is dat de platen van 18 of 19 millimeter steeds aanwezig waren op de plek waar [werknemer] zijn werkzaamheden feitelijk verrichtte. Van [werknemer] mocht worden verwacht dat hij de juiste materialen zou gebruiken. 

4.12.  De vraag of Van de Kolk voldaan heeft aan de op haar rustende zorgplicht spitst zich derhalve geheel toe op de vraag of [werknemer] op 24 mei 2006 een plaat van 18 of 19 millimeter kon gebruiken, derhalve of dergelijke platen op de betreffende bouwplaats aanwezig waren. Van de Kolk en Allianz voeren aan dat zulks het geval was, [werknemer] heeft dat betwist. Daarom is bewijslevering nodig. Deze is echter niet zodanig complex dat deze procedure zich daarvoor niet leent. 

Zorgplicht  
4.13.  Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het aan Van de Kolk en Allianz is te bewijzen dat Van de Kolk aan haar zorgplicht heeft voldaan die eruit bestond te zorgen dat op de bouwplaats waar [werknemer] op 24 mei 2006 werkzaam was platen met een dikte van 18 of 19 millimeter aanwezig waren zodat [werknemer] daarmee de betreffende sparing kon afdekken. 

4.14.  Een begin van vorenbedoeld bewijs kan gevonden worden in het door Van de Kolk en Allianz als productie 8 bij het eerdere verweerschrift (dat in deze procedure is overgelegd als productie 1) overgelegde “historie per project”. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben Van de Kolk en Allianz toegelicht dat de gearceerde regels de bedoelde platen met voldoende dikte (19 millimeter) betreffen. Er zijn, zo kan uit het overzicht worden afgeleid, dergelijke platen geleverd ten behoeve van de bouwplaats waar het ongeval is gebeurd. Op grond van enkel dit overzicht is echter niet vast te stellen of de platen feitelijk op de bouwplaats zijn afgeleverd, en niet (bijvoorbeeld) zijn verzaagd in de werkplaats van Van de Kolk, alsmede wanneer die levering dan zou hebben plaatsgevonden. 

4.15.  Gelet op het vorenstaande hebben Van de Kolk en Allianz voldoende gesteld om te worden toegelaten tot het leveren van voornoemd bewijs. 

4.16.  Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden. LJN BW7289